Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3430

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/1389 en 25/571
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 2.6 WhtKamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 70
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over compensatie kinderopvangtoeslag en aanvullende schadevergoeding

Eiseres heeft twee beroepen ingesteld tegen besluiten van de Dienst Toeslagen: één over de hoogte van de compensatie na herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over 2007-2013, en één over aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen niet institutioneel vooringenomen heeft gehandeld in de betreffende jaren, behalve dat eiseres ten onrechte werd beticht van opzet/grove schuld in 2012, waarvoor zij reeds compensatie ontving. De aanvullende schadevergoeding blijft beperkt omdat de vastgestelde schade onder de reeds uitgekeerde € 30.000 blijft.

De rechtbank concludeert dat er geen causaal verband bestaat tussen de onterechte O/GS-kwalificatie en de door eiseres opgevoerde schadeposten, waaronder inkomens- en studieschade van haar en haar partner, en misgelopen waardestijging van een woning. De beroepen worden ongegrond verklaard, maar eiseres krijgt het griffierecht terug en de Dienst Toeslagen wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De beroepen van eiseres tegen de besluiten van de Dienst Toeslagen worden ongegrond verklaard en de compensatiebedragen blijven ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/1389 en 25/571

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaken tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigden: mr. M.S. Aziz en mr. S.R. Busch).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee beroepen van eiseres tegen twee besluiten van de Dienst Toeslagen. Het eerste beroep (met nummer 25/1389) gaat over de hoogte van de compensatie die het gevolg is van een herbeoordeling van het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag. Het tweede beroep (met nummer 25/571) gaat over de hoogte van de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. Eiseres is het niet eens met de besluiten die de Dienst Toeslagen hierover heeft genomen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of eiseres recht heeft op een hogere compensatie.
1.1.
De Dienst Toeslagen vindt dat eiseres geen recht heeft op (aanvullende) compensatie. Zij heeft namelijk al € 30.000 compensatie ontvangen en haar werkelijke schade blijft onder dat bedrag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluiten in stand kunnen blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind onder 20 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

In zaak 25/1389
2. Eiseres heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag die zij over de jaren 2007 tot en met 2013 heeft ontvangen.
2.1.
De Dienst Toeslagen heeft op 20 september 2021 een besluit genomen op dat verzoek. In dit besluit staat het volgende. Eiseres is voor het jaar 2012 ten onrechte beticht van opzet/grove schuld voor het ontstaan van de terugvordering van kinderopvangtoeslag. Daarom moet er een opzet/grove schuld-tegemoetkoming (O/GS-tegemoetkoming) worden verleend. Eerder heeft eiseres een vergoeding van € 30.000 ontvangen. Afgezien van de beschuldiging van opzet/grove schuld zijn er in het verleden verder geen fouten gemaakt bij het beoordelen van haar kinderopvangtoeslag. Dit betekent dat eiseres naast de eerder ontvangen € 30.000 geen compensatie ontvangt. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Eiseres heeft op 7 februari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.
2.3.
Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 (bestreden besluit 1) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.4.
De Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding van het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar een verweerschrift ingediend.
2.5.
Eiseres heeft naar aanleiding van bestreden besluit 1 gronden tegen dat besluit ingediend.
2.6.
De Dienst Toeslagen heeft op die gronden gereageerd met een verweerschrift.
In zaak 25/571
2.7.
Eiseres heeft op 20 augustus 2021 verzocht om een aanvullende schadevergoeding voor de werkelijk door haar geleden schade.
2.8.
Met het besluit van 15 augustus 2022 heeft de Dienst Toeslagen dat verzoek afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.9.
Eiseres heeft op 7 februari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.
2.10.
Met het bestreden besluit van 19 februari 2025, aangevuld op 26 februari 2025 (bestreden besluit 2), heeft de Dienst Toeslagen een aanvullende schadevergoeding van € 500 aan eiseres toegekend. Voor het overige heeft de Dienst Toeslagen het besluit van 15 augustus 2022 in stand gelaten.
2.11.
De Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding van het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar een verweerschrift ingediend.
2.12.
Eiseres heeft naar aanleiding van bestreden besluit 2 gronden tegen dat besluit ingediend.
2.13.
De Dienst Toeslagen heeft op die gronden gereageerd met een verweerschrift.
In beide zaken
2.14.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en haar partner [naam], en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten in beide zaken
3. Eiseres heeft samen met haar partner drie kinderen. Over (onder andere) de jaren 2007 tot en met 2013 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres kinderopvangtoeslag toegekend.
3.1.
Naar aanleiding van het verzoek van eiseres om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 tot en met 2013 heeft de Commissie van Wijzen advies uitgebracht. Volgens dit advies heeft de Dienst Toeslagen in genoemde jaren niet institutioneel vooringenomen gehandeld. Wel is eiseres voor het jaar 2012 ten onrechte beticht van opzet/grove schuld. Eiseres heeft hiervoor op 22 december 2020 een tegemoetkoming van € 389 ontvangen. Op basis van de Catshuisregeling is dit bedrag op 28 januari 2021 aangevuld met een bedrag van € 29.611 (totaal: € 30.000). Het advies van de Commissie van Wijzen heeft geleid tot het besluit van 20 september 2021.
3.2.
Naar aanleiding van het verzoek om aanvullende schadevergoeding van de werkelijk geleden schade heeft de Commissie Werkelijke Schade (CWS) op 27 juni 2022 advies uitgebracht. De CWS heeft de volgende schadeposten vastgesteld:
  • reiskosten € 31,54;
  • kosten van vrije dagen € 750;
  • immateriële schade € 3.500.
De overige schadeposten die eiseres had opgevoerd, heeft de CWS niet toewijsbaar geacht. Omdat het vastgestelde schadebedrag in totaal minder is dan € 30.000, heeft de CWS tot een aanvullende schadevergoeding van € 0 geconcludeerd. Dit advies heeft geleid tot het besluit van 15 augustus 2022. De Bezwaarschriftenadviescommissie heeft de schade vastgesteld op:
  • reiskosten € 31,54;
  • kosten van vrije dagen € 300;
  • immateriële schade € 9.300;
  • vergoeding voor procedure bij CWS € 500.
Het totale vastgestelde schadebedrag bleef hiermee onder de € 30.000. Dit heeft geleid tot bestreden besluit 2.
Over de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren
4. Omdat de Dienst Toeslagen inmiddels heeft beslist op de bezwaren tegen de besluiten van 20 september 2021 en 15 augustus 2022, heeft zij geen procesbelang meer bij een beoordeling van haar beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren. De rechtbank zal deze beroepen daarom niet-ontvankelijk verklaren.
4.1.
De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat de Dienst Toeslagen de griffierechten aan eiseres moet vergoeden en ziet de rechtbank in beide beroepen ook aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Anders dan de Dienst Toeslagen in zaak 25/1389 heeft gesteld, heeft eiseres het beroep ingediend op 7 februari 2025, dus voordat de Dienst Toeslagen op het bezwaar heeft beslist (14 februari 2025).

Over het beroep tegen bestreden besluit 1

Waarover zijn partijen het niet eens?
5. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen in de jaren 2007, 2011, 2012 en 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. Dit zou dus volgens haar moeten leiden tot meer compensatie dan zij tot nu toe heeft gekregen. De Dienst Toeslagen is het daar niet mee eens. De rechtbank zal hieronder de standpunten van partijen per jaar apart benoemen en bespreken.
Wanneer is sprake van institutionele vooringenomenheid?
6. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht [1] volgt wanneer sprake is van institutionele vooringenomenheid. Daarvan kan op twee niveaus sprake zijn geweest, te weten op groepsniveau en op individueel niveau. Er kan sprake zijn geweest van collectieve stopzetting van kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande individuele beoordeling. Ook kan sprake zijn geweest van het opvragen bij belanghebbenden van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren, gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing van de aanspraak op kinderopvangtoeslag was gevonden. Daarnaast kan sprake zijn geweest van het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken.
Over het jaar 2007
7. Eiseres voert aan dat kinderopvangtoeslag over dit jaar op nihil is gesteld vanwege het ontbreken van informatie. Zij had echter alle benodigde informatie al aangeleverd en de Dienst Toeslagen heeft die informatie niet verwerkt. Dat de informatie bij de Dienst Toeslagen niet was te vinden, is niet aan haar te wijten. Pas nadat zij bezwaar tegen de nihilstelling had gemaakt, is alsnog de volledige kinderopvangtoeslag aan haar toegekend. Omdat sprake is geweest van een onredelijke uitvraag dan wel het niet verwerken van informatie, heeft de Dienst Toeslagen volgens eiseres vooringenomen gehandeld. Op de zitting heeft eiseres daar nog aan toegevoegd dat zij de brieven waarmee de Dienst Toeslagen de informatie heeft opgevraagd, niet heeft ontvangen.
7.1.
De Dienst Toeslagen wijst erop dat aan eiseres een voorschot van € 1.572 aan kinderopvangtoeslag is toegekend. Omdat zij de facturen dan wel jaaropgave van de genoten opvang niet had toegestuurd, heeft de Dienst Toeslagen deze nogmaals opgevraagd met de brief van 12 juni 2009. Eiseres heeft niet op deze brief gereageerd en de Dienst Toeslagen heeft daarom de kinderopvangtoeslag met het besluit van 4 november 2009 bijgesteld naar nihil. Tijdens de bezwaarprocedure tegen dat besluit heeft eiseres de gevraagde stukken alsnog ingediend en de Dienst Toeslagen heeft vervolgens de kinderopvangtoeslag alsnog toegekend in de definitieve beschikking van 4 mei 2010. Van vooringenomen handelen is geen sprake geweest. De nihilstelling heeft enkel plaatsgevonden omdat het recht op kinderopvangtoeslag (nog) niet kon worden vastgesteld. Op de zitting is hieraan nog toegevoegd dat uit de brief van 12 juni 2009 blijkt dat eiseres het eerste verzoek om stukken wel moet hebben ontvangen. In die brief staat namelijk dat de Dienst Toeslagen van haar een reactie heeft ontvangen, maar dat de gegevens niet volledig of niet juist zijn.
7.2.
De rechtbank kan het standpunt van de Dienst Toeslagen geheel volgen. Het valt binnen de normale taakuitoefening van de Dienst Toeslagen om facturen of een jaaropgave van de genoten kinderopvang op te vragen om zo (de omvang van) het recht op kinderopvangtoeslag vast te stellen. Eiseres stelt wel dat die uitvraag in haar geval onredelijk was, maar onderbouwt dat niet. Eiseres stelt verder dat zij de gevraagde gegevens voorafgaand aan de nihilstelling van het voorschot heeft aangeleverd, maar ook dat heeft zij niet onderbouwd. Gelet op zijn verdere toelichting kan niet worden gezegd dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld als bedoeld onder 6. Het betoog van eiseres slaagt dus niet.
Over het jaar 2011
8. Voor het jaar 2011 wijst eiseres erop dat de kinderopvangtoeslag is stopgezet, omdat het soort opvang in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) niet bekend was. Weliswaar is dit uiteindelijk rechtgetrokken, maar volgens eiseres is wel sprake van vooringenomenheid, omdat onduidelijk is waarom het soort opvang niet bekend was. Op de zitting heeft zij daaraan toegevoegd dat er in de verlening van de opvang niets gewijzigd was, zodat er meer aan de hand lijkt te zijn dan een reguliere uitvraag.
8.1.
De Dienst Toeslagen wijst erop dat op 4 december 2010 een voorschot van € 13.879 aan eiseres is toegekend en dat dit bedrag vervolgens nog drie keer naar boven is bijgesteld. Er is geen sprake is geweest van een nihilstelling van de kinderopvangtoeslag voor het toeslagjaar 2011. Wel is er informatie bij eiseres opgevraagd, omdat het soort opvang onbekend was en/of niet overeen kwam met de informatie in het LRK. Eiseres heeft de gevraagde informatie vervolgens aangeleverd. Het ging om een reguliere behandelstap, waarna de kinderopvang conform de toegezonden informatie is berekend en toegekend. Van vooringenomen handelen is dus geen sprake geweest.
8.2.
De rechtbank volgt de Dienst Toeslagen ook hierin. Alleen al omdat het opvragen van informatie over het soort opvang geen gevolgen heeft gehad voor het recht op kinderopvangtoeslag, is geen sprake van vooringenomen handelen. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Over het jaar 2012
9. Eiseres voert aan dat ook voor dit jaar sprake is geweest van vooringenomen handelen, omdat zij geen gebruik meer kon maken van de kinderopvang.
9.1.
De Dienst Toeslagen wijst erop dat er nooit sprake is geweest van een nihilstelling van de kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2012. De neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag van 21 september 2012 was namelijk het gevolg van een doorgegeven wijziging van het aantal opvanguren. Daarna is de kinderopvangtoeslag met de beschikking van 28 januari 2014 verder neerwaarts bijgesteld als gevolg van de verhoging van het definitief vastgesteld gezamenlijk toetsingsinkomen. De Dienst Toeslagen wijst erop dat reguliere wijzigingen op zichzelf niet duiden op institutionele vooringenomenheid. Daarnaast wijst de Dienst Toeslagen erop dat gedurende het hele jaar 2012 wel opvang is afgenomen.
9.2.
Eiseres heeft het standpunt van de Dienst Toeslagen op de zitting niet inhoudelijk bestreden. De rechtbank kan het standpunt van de Dienst Toeslagen geheel volgen. Het betoog van eiseres dat sprake is geweest van vooringenomen handelen, slaagt dus niet.
Over het jaar 2013
10. Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat de problemen die in 2012 door toedoen van de Dienst Toeslagen zijn ontstaan, in 2013 doorliepen. Kinderopvanginstelling [naam] wilde in 2013 geen kinderopvang meer verlenen aan haar kinderen, omdat [naam] geen voorschotten kinderopvangtoeslag meer van de Dienst Toeslagen ontving. Eiseres durfde vervolgens geen kinderopvang bij een andere instelling af te nemen. Zij was daarom gedwongen om de kinderopvangtoeslag stop te zetten. Naderhand heeft de Dienst Toeslagen een aanzienlijk bedrag aan kinderopvangtoeslag van haar teruggevorderd.
10.1.
Dit betoog slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Zoals volgt uit de overwegingen 9.1. en 9.2. is over het jaar 2012 alleen sprake geweest van reguliere wijzingen van de kinderopvangtoeslag. Vanaf 2013 heeft de Dienst Toeslagen de voorschotverlening voortgezet en net als in voorgaande jaren betaald aan [naam]. Dat [naam] toch geen kinderopvang wilde verlenen aan de kinderen van eiseres, is niet te wijten aan vooringenomen handelen van de kant van de Dienst Toeslagen. Dit geldt ook voor het ontstaan van de terugvordering. De Dienst Toeslagen heeft de kinderopvangtoeslag namelijk op verzoek van eiseres met ingang van 1 januari 2013 stopgezet, waardoor achteraf bezien te veel voorschotten waren verleend.
10.2.
Als gevolg van de reguliere wijzingen in 2012 zijn de voorschotten over dat jaar weliswaar neerwaarts bijgesteld, maar onderaan de streep is er wel kinderopvangtoeslag betaald over het door [naam] gefactureerde aantal uren kinderopvang. Dat laatste was ook in 2013 het geval. Op basis van wat eiseres op de zitting heeft gezegd, lijkt het erop dat kinderopvanginstelling [naam] in 2013 mogelijk een vergissing heeft gemaakt door eiseres te zeggen dat er geen kinderopvangtoeslag meer werd ontvangen en dat daarom haar kinderen niet meer welkom waren op de kinderopvang. Eiseres heeft op de zitting namelijk nog gezegd dat zij later nog een bericht van [naam] heeft gekregen dat er een (groot) bedrag aan kinderopvang voor haar kinderen is betaald, terwijl er geen kinderopvang is afgenomen. De rechtbank begrijpt dat eiseres zegt dat de mededeling van [naam] – dat haar kinderen niet meer welkom waren op de kinderopvang – grote gevolgen heeft gehad voor haar en haar gezin. Maar in deze procedure moet de rechtbank eerst beoordelen of die gevolgen zijn ontstaan door vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen. Pas dan kan eiseres in het kader van deze procedure recht hebben op compensatie. Uit wat hiervoor is overwogen, blijkt niet dat sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. Eiseres heeft in zoverre dan ook geen recht op compensatie door de Dienst Toeslagen.
Conclusie over het beroep tegen bestreden besluit 1
11. De Dienst Toeslagen stelt zich terecht op het standpunt dat over voornoemde jaren geen sprake was van institutionele vooringenomenheid. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is dus ongegrond.

Over het beroep tegen bestreden besluit 2

Waarover zijn partijen het niet eens?
12. Eiseres voert aan dat zij recht heeft op een hoger schadebedrag dan het bedrag dat de Bezwaarschriftenadviescommissie heeft vastgesteld, waardoor haar schade boven de eerder uitgekeerde € 30.000 uitkomt en ze dus aanvullende schadevergoeding zou moeten krijgen. De Dienst Toeslagen is het daar niet mee eens en voert verweer tegen de door eiseres in het beroepschrift opgevoerde schadeposten. De rechtbank heeft geconstateerd dat van de aanvankelijk in het verzoek opgesomde schadeposten er in het beroepschrift vier zijn genoemd. Tijdens de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat eiseres in beroep inderdaad (alleen) die vier schadeposten ter discussie stelt. De rechtbank zal de standpunten van partijen per schadepost bespreken.
Omvang van de beoordeling
13. In het beroep over de herbeoordeling is vastgesteld dat er geen sprake was van institutionele vooringenomenheid dan wel hardheid over de toeslagjaren 2007 tot en met 2013. Wel is er een onterechte O/GS-kwalificatie geweest voor het toeslagjaar 2012. Eiseres heeft daar compensatie voor ontvangen. Aangezien de rechtbank het beroep tegen het besluit over de integrale herbeoordeling ongegrond verklaart, kan er voor het bepalen van de werkelijke schade alleen worden gekeken of er sprake is van causaal verband tussen de onterechte O/GS-kwalificatie en de door eiseres aangevoerde schade.
Schadepost 1: inkomens-, pensioen- en studieschade van eiseres
14. Eiseres bepleit dat zij schade heeft geleden, omdat zij in de periode van 2012 tot 2019 minder kon werken, haar studie niet heeft afgemaakt en belastingvoordelen heeft gemist als zzp’er. Zij stelt dat zij ten gevolge van de problemen met de kinderopvangtoeslag
inkomens-, pensioen- en studieschade heeft geleden. De schade begroot ze in totaal op € 253.408,52.
14.1.
Volgens de Dienst Toeslagen ontbreekt het causaal verband tussen de O/GS-kwalificatie en deze door eiseres opgevoerde schadeposten. De O/GS-kwalificatie is met de beschikking van 11 december 2014 tot weigering van een persoonlijke betalingsregeling aan eiseres gegeven. Toen eiseres in 2012 minder ging werken, had zij die kwalificatie dus nog niet. De inkomensdaling en het effect daarvan op het pensioen kunnen daarom niet worden gezien als een gevolg van de O/GS-kwalificatie.
Verder staat volgens de Dienst Toeslagen ook het gemiste inkomen als zzp’er niet in een causaal verband tot de OG/S-kwalificatie. Eiseres stelt dat de beslaglegging op haar auto in 2019 tot minder zzp-inkomsten heeft geleid. Die beslaglegging was echter niet het gevolg van de kinderopvangtoeslagschuld over 2012, maar van andere (toeslag)schulden. Bovendien is het niet aannemelijk dat eiseres door de O/GS-kwalificatie zozeer in geldproblemen is geraakt dat ze andere toeslagschulden niet meer op tijd kon betalen, met de beslaglegging op de auto tot gevolg. Het bedrag waar het om ging en dat ze niet in maatwerk-termijnen mocht afbetalen, was namelijk € 1.295. In het grotere geheel van schulden die eiseres had aan de Dienst Toeslagen en aan andere schuldeisers, is dat bedrag zo gering dat het niet krijgen van een persoonlijke betalingsregeling daarvoor geen doorslaggevende rol kan hebben gespeeld.
Over de gemiste belastingvoordelen stelt de Dienst Toeslagen dat eiseres niet heeft toegelicht dat de weigering van de persoonlijke betalingsregeling in 2014 tot gevolg heeft gehad dat zij vanaf 2019 tot en met nu niet heeft kunnen voldoen aan het urencriterium dat voor de belastingvoordelen geldt.
Tot slot stelt de Dienst Toeslagen over de geclaimde schade in verband met het niet behalen van een diploma dat ook daar causaal verband niet aannemelijk is, aangezien eiseres al in maart 2012 is gestopt met haar studie, wat dus ruim vóór de O/GS-kwalificatie was.
14.2.
De rechtbank kan deze motivering van de Dienst Toeslagen geheel volgen. De Dienst Toeslagen stelt terecht dat voor alle schadeposten moet worden beoordeeld wat het causaal verband is tussen de schade en de O/GS-kwalificatie in december 2014 (en het daarmee niet krijgen van de persoonlijke betalingsregeling). Eiseres heeft gesteld dat het vertrekpunt op een eerder moment in de tijd moet worden gelegd, namelijk in 2012/2013, omdat er toen al veel problemen tussen eiseres en de Dienst Toeslagen waren. Maar eiseres gaat er daarbij aan voorbij dat uit artikel 2.6 van de Wht volgt dat de hier gevorderde schade zijn oorzaak moet hebben in een O/GS-kwalificatie. De problemen die al in 2012 en 2013 speelden, hielden daarmee geen verband en gebeurtenissen in die periode kunnen dus ook niet worden toegerekend aan de O/GS-kwalificatie. Eiseres heeft verder de – navolgbare – toelichting van de Dienst Toeslagen over de gemiste inkomsten en belastingvoordelen als zzp’er niet gemotiveerd weersproken.
14.3.
Tijdens de zitting heeft eiseres desgevraagd laten weten dat de studieschulden van haar en haar partner zijn afgelost. De rechtbank zal het argument dat de Dienst Toeslagen deze schadeposten ten onrechte als ingetrokken heeft beschouwd, daarom niet bespreken.
Schadepost 2: inkomens-, pensioen- en studieschade van de partner van eiseres
15. Eiseres stelt dat haar partner door de problemen van de Dienst Toeslagen burn-outklachten heeft gekregen. Hij heeft als gevolg daarvan zijn hbo-diploma niet kunnen halen en is € 212.492,38 aan inkomsten misgelopen, die hij wel had kunnen verdienen als hij zijn hbo-diploma in 2012/2013 had behaald. Sinds september 2020 is hij bovendien arbeidsongeschikt in verband met psychische en fysieke klachten, en hij heeft daardoor in 2021 in loondienst € 17.986,52 minder kunnen verdienen dan in 2020. Dat bedrag vordert eiseres ook als schade. Tot slot heeft hij in de periode van 2019 tot 2021 ook als zzp’er minder opdrachten kunnen uitvoeren dan hij aangeboden kreeg. Dat is een schadepost van € 201.600.
15.1.
De Dienst Toeslagen heeft hiertegen het volgende aangevoerd. De partner van eiseres had in 2012 alle vakken van zijn opleiding gehaald en hij hoefde alleen nog een afstudeerstage te doen. Uit een uitspraak van de geschillencommissie van Avans Hogeschool lijkt te volgen dat hij zijn opleiding in 2016 uiteindelijk heeft beëindigd, omdat het al vanaf 2012 niet was gelukt om een afstudeerstageplek te vinden. Er is dus geen causaal verband tussen het niet behalen van het diploma en de O/GS-kwalificatie.
Voor wat betreft de schadeposten als gevolg van de arbeidsongeschiktheid en de daardoor gemiste inkomsten in loondienst en als zzp’er, wijst de Dienst Toeslagen erop dat er ondanks verzoeken geen onderbouwing is gegeven van de medische klachten of van de relatie met de kinderopvangtoeslag. Daarom is niet aannemelijk dat er een causaal verband is tussen de O/GS-kwalificatie (en het weigeren van een persoonlijke betalingsregeling als gevolg daarvan) eind 2014 en de medische klachten in 2020.
15.2.
De rechtbank kan de motivering van de Dienst Toeslagen geheel volgen. Eiseres heeft deze motivering alleen weersproken door te stellen dat het een feit van algemene bekendheid is dat langdurige stress na een bepaalde periode mentaal of fysiek zijn tol eist. Dat zal de rechtbank niet ontkennen, maar die algemene stelling is onvoldoende om aannemelijk te maken dat er in dit specifieke geval een causaal verband bestaat tussen de opgevoerde schadeposten en de O/GS-kwalificatie. Er zijn door eiseres geen medische stukken ingebracht waaruit dat verband in dit specifieke geval blijkt. Het enkele feit dat er een Ziektewet- (en inmiddels een WIA-)uitkering is toegekend, zegt niets over het verband dat de fysieke en mentale klachten met de O/GS-kwalificatie houden.
Schadepost 3: mislopen waardestijging woning
16. Eiseres voert aan dat zij en haar partner door de onterechte O/GS-kwalificatie niet in staat waren om hun huurwoning aan te kopen. De daarmee gepaard gaande schade (bestaande uit de waardestijging van de woning die ze nu niet heeft kunnen benutten) begroot zij op € 52.000.
16.1.
De Dienst Toeslagen wijst er onder meer op dat het intakegesprek voor het krijgen van een hypotheek op 8 juli 2013 heeft plaatsgevonden en dat er op 6 februari 2014 met dat doel een taxatierapport is opgesteld. Dat betekent dat ook hier het causaal verband ontbreekt; op die data was er immers nog geen O/GS-kwalificatie.
16.2.
Ook deze motivering kan de rechtbank volgen. Eiseres heeft het standpunt van de Dienst Toeslagen hierover niet gemotiveerd weersproken, anders dan door te stellen dat wat haar betreft het vertrekpunt voor beoordeling van de schade in 2012/2013 moet worden gelegd. In punt 14.2 van deze uitspraak heeft de rechtbank dat argument al verworpen.
Schadepost 4: immateriële schadevergoeding
17. Eiseres heeft in haar beroepschrift geschreven dat ze het bedrag waarop de immateriële schadevergoeding is begroot (€ 9.393) te laag vindt. Ze vindt een bedrag van € 88.100 meer op zijn plaats. Tijdens de zitting heeft eiseres onderkend dat de op basis van het schadekader toegekende forfaitaire vergoeding volgens vaste rechtspraak voldoende is. Maar zij vindt dat haar en haar partner zoveel schade is toegebracht, dat er recht bestaat op meer dan het forfaitaire bedrag. De Dienst Toeslagen heeft er in reactie hierop naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat eiseres haar stelling niet heeft onderbouwd, en dat er gezien het toepasselijke schadekader al (iets) ruimhartiger is toegepast dan daarin is voorgeschreven. Het betoog van eiseres slaagt daarom niet.
Niet gehoord gevoeld
18. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat eiseres en haar gezin in de voorbije jaren heel veel hebben meegemaakt en doorstaan. Ze hebben in het beroepschrift en tijdens de zitting verteld dat ze zich voorafgaand aan de erkenning als toeslagen-slachtoffer niet respectvol bejegend voelden. Ze werden van het kastje naar de muur gestuurd en er werd stoïcijns omgegaan met hun emoties. Pas na de erkenning als slachtoffer van de toeslagenaffaire veranderde de toon enigszins. De rechtbank heeft gezien dat dit eiseres heeft geraakt en nog steeds raakt, en vindt net als eiseres dat deze manier van bejegenen – die de Dienst Toeslagen niet heeft weersproken – op geen enkele manier goed te praten valt. Maar tegelijkertijd is dat niet iets wat de rechtbank kan meenemen in haar beoordeling van deze beroepszaak. Zij kan – hoe invoelbaar de onvrede daarover van eiseres ook is – alleen beoordelen of het schadebedrag door de Dienst Toeslagen op een hoger bedrag had moeten worden vastgesteld, en dat is niet het geval.
Conclusie over het beroep tegen bestreden besluit 2
19. De Dienst Toeslagen stelt zich terecht op het standpunt dat er bij drie gestelde schadeposten geen causaal verband bestaat tussen de door eiseres gestelde schade en de O/GS-kwalificatie in december 2014. Bij een vierde schadepost is dit verband er wel, maar heeft de Dienst Toeslagen de schade niet te laag begroot. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is dus ongegrond.

Conclusie en gevolgen

20. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven en dat eiseres geen hogere compensatiebedragen krijgt uitgekeerd. Eiseres krijgt (omdat de beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet ten onrechte waren ingesteld) wel het griffierecht terug en de Dienst Toeslagen wordt veroordeeld in de proceskosten.
20.1.
De rechtbank ziet de beroepen niet tijdig beslissen als samenhangende beroepen op grond van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden met toepassing van het Bpb begroot op € 467, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandeling van de gemachtigde van eiseres één punt met een waarde van € 934 wordt toegekend (voor het indienen van de beroepschriften niet tijdig beslissen). Er wordt een wegingsfactor van 0,5 gehanteerd, omdat het bij deze beroepen uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467;
  • draagt de Dienst Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 106 (twee keer € 53) aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, voorzitter, en mr. J. Lie en mr. A.F. Vink, leden, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 70.