In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant op 9 januari 2026 een beschikking gegeven in een erfrechtelijke procedure. Het verzoekschrift is ingediend door [verzoeker], die verzoekt om uitleg van het testament van de overleden [erflater]. De erflater is op [overlijdensdatum] 2025 overleden en had geen kinderen, maar wel een broer en een zus, [verzoeker] en [verweerder 7]. In het testament van 16 juli 1992 is een zogenaamde rampenclausule opgenomen, die bepaalt dat de erfgenamen de kinderen van de broers en zusters van de erflater en zijn echtgenote zijn, in het geval dat zij gelijktijdig of na elkaar overlijden. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de erflater ten tijde van zijn overlijden niet meer gehuwd was met [A], en dat de voorwaarde in het testament niet is vervuld. Hierdoor zijn [verzoeker] en [verweerder 7] de enige erfgenamen van de nalatenschap. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de belanghebbenden geen bezwaar hebben gemaakt tegen het verzoekschrift en dat er geen andere redenen zijn om het verzoek af te wijzen. De beschikking is openbaar uitgesproken en de kantonrechter heeft de uitleg van het testament bevestigd, waarbij [verzoeker] en [verweerder 7] als erfgenamen zijn aangewezen.