ECLI:NL:RBOBR:2026:3508

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
11371951 EL 24-29
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
HR 1 mei 2015 ECLI:NL:HR:2015:1198HR 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164HR 12 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:590
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige handelwijze Dexia en schadevergoeding wegens fictieve restschuld bij effectenleaseovereenkomst

In deze civiele bodemzaak vordert eiser vergoeding van schade die hij heeft geleden door de effectenleaseovereenkomst met Dexia Nederland B.V. De rechtbank beoordeelt de waarde van de overgenomen aandelen en de betaalde bedragen, waarbij een fictieve restschuld wordt vastgesteld van €7.908,01.

De kantonrechter stelt vast dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door eiser als cliënt te accepteren terwijl Dexia wist dat de tussenpersoon geen vergunning had en eiser persoonlijk had geadviseerd. Hierdoor heeft eiser schade geleden die door Dexia moet worden vergoed. De totale schade wordt berekend op €22.493,11, vermeerderd met wettelijke rente.

De vorderingen van Dexia worden afgewezen en Dexia wordt veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, wettelijke rente en proceskosten van €898,97. Het verzoek van Dexia om inzage in het aanvraagformulier wordt afgewezen omdat eiser geen belang meer heeft bij deze stukken. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot betaling van €22.493,11 schadevergoeding, wettelijke rente en proceskosten van €898,97.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11371951 EL 24-29
vonnis van de kantonrechter van 30 april 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 15 januari 2026
  • de akte van Dexia met bijlage 20
  • de akte van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

2.2. De verdere beoordeling

in de hoofdzaak
2.1.
Bij tussenvonnis van 15 januari 2026 heeft de kantonrechter Dexia in de gelegenheid gesteld om een nieuw financieel overzicht in het geding te brengen, waarin de waarde van de aandelen is opgenomen op het moment van overname door [eiser] .
2.2.
Bij akte van 12 februari 2026 heeft Dexia dit overzicht als bijlage 20 overgelegd. Hieruit volgt dat de totale waarde van de door [eiser] op 1 februari 2005 overgenomen aandelen € 24.267,60 bedroeg. Dexia heeft aangevoerd dat er sprake was van een restant hoofdsom van € 31.320,67 en er daarom sprake is geweest van een ‘fictieve restschuld’ van
€ 6.963,07 (€ 31.320,67 - € 24.267,60).
2.3.
[eiser] heeft hierop gereageerd bij akte van 7 april 2026. Hij sluit zich aan bij de door Dexia berekende totale waarde van de overgenomen aandelen van € 24.267,60. [eiser] stelt dat hij echter een bedrag van € 32.175,61 netto heeft betaald om de aandelen over te nemen en de fictieve restschuld daarom neer komt op een bedrag van € 7.908,01
(€ 32.175,61 - € 24.267,60).
De kantonrechter gaat mee in het standpunt van [eiser] dat de fictieve restschuld
€ 7.908,01 bedraagt. De kantonrechter heeft eerder, in het tussenvonnis van 15 januari 2026, overwogen dat [eiser] bij de beëindiging van de overeenkomst een restant hoofdsom van € 31.230,67 aan Dexia heeft betaald om de effecten te verkrijgen. De kantonrechter heeft toen ook overwogen dat het verschil tussen het bij beëindiging van de overeenkomst door de afnemer betaalde bedrag enerzijds en de waarde van de aandelen op de dag van overname, vermeerderd met het bedrag aan achterstallige termijnen, een nadelig financieel gevolg betreft van het aangaan van de overeenkomst en daadwerkelijk geleden schade vormt wegens restschuld (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 21 december 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3775). Dit betekent dat er in deze zaak sprake is van een ‘fictieve’ restschuld van € 31.230,67 - € 24.267,60 + € 944,94 = € 7.909,01.
De schade bedraagt € 23.623,60 (betaalde inleg) + € 7.908,01 (fictieve restschuld) -
€ 4.946,27 (dividend) - € 4.092,23 (fiscaal voordeel) =
€ 22.493,11. Dit bedrag zal worden toegewezen.
De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de
uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en
HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
2.4.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
2.5.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het voorwaardelijk verzoek van [eiser]
2.6.
verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier van de effectenleaseovereenkomst. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen.
vorderingen Dexia
2.7.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
Proceskosten
2.8.
Omdat [eiser] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten dagvaarding € 135,97
- griffierecht € 87,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x € 288,00)
- nakosten € 100,00
Totaal € 898,97
2.9.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als hierna te melden worden toegewezen.

3.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.2.
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade aan [eiser] te vergoeden,
6.3.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen de schade van € 22.493,11, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander zoals weergegeven in r.o. 2.3.,
6.4.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € € 898,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.5.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.8.
wijst de vorderingen af,
6.9.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.