Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3530

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/01/422292 / KF ZA 26-3
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige omgangsregeling in kort geding wegens ontbreken bijzondere omstandigheden en spoedeisend belang

Partijen, ouders van een minderjarig kind, zijn in geschil over de omgangsregeling. De vrouw vordert een regeling waarbij de man om de twee weken een weekend omgang heeft, terwijl de man een regeling vordert waarbij het kind om de week bij hem verblijft.

De rechtbank stelt dat een kort geding zich in beginsel niet leent voor het vaststellen van een omgangsregeling omdat dit een constitutief vonnis oplevert. Alleen nakoming van een bestaande regeling kan in kort geding worden gevorderd, tenzij bijzondere omstandigheden zoals het ontbreken van enige omgang aannemelijk zijn gemaakt.

De voorzieningenrechter constateert dat geen omgangsregeling is overeengekomen of vastgesteld en dat geen bijzondere omstandigheden of spoedeisend belang zijn aangetoond. Het verschil in standpunten en het ontbreken van bewijslevering in kort geding maken het niet geschikt voor een beslissing over de omgang.

Daarom wijst de rechtbank de vorderingen af en compenseert de proceskosten tussen partijen, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling af wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden en spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/422292 / KF ZA 26-3
Vonnis in kort geding van 13 mei 2026
in de zaak van
[naam eiseres],
te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H.H.C. van de Kerkhof,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R.T.P. Tielemans.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, ontvangen op 21 januari 2026;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, ontvangen op 26 januari 2026;
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026.
1.2.
Partijen hebben zich na debat tijdens de mondelinge behandeling bereid verklaard om via mediation te proberen tot overeenstemming te komen over de tussen hen bestaande geschillen. De rechtbank heeft de beslissing daarom aangehouden in afwachting van het verloop van het mediationtraject.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft nadien kennisgenomen van de brief van mr. Van de Kerkhof van 30 april 2026 waarin hij de voorzieningenrechter heeft laten weten dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt via mediation en verzoekt om een beslissing te nemen op de vorderingen van partijen.
1.4.
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [naam] , geboren te [geboorteplaats] op [datum] .
2.3.
De man heeft [naam minderjarige] erkend. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [naam minderjarige] .

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- een voorlopige omgangsregeling vast te stellen waarbij de man gedurende een weekeinde per twee weken van vrijdagmiddag 18.00 uur tot zondagmiddag 18.00 uur, omgang heeft met het kind van partijen, waarbij de vrouw het kind naar de man brengt en haar ook weer bij de man ophaalt.
3.2.
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
De man vordert, na wijziging van zijn vordering, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat er een voorlopige omgangsregeling wordt vastgesteld inhoudende dat [naam minderjarige] de even weken bij de man verblijft en de oneven weken bij de vrouw waarbij het wisselmoment zal plaatsvinden op zondag om 18:00 uur en waarbij heeft te gelden dat de ouder waar [naam minderjarige] verblijft haar zal brengen naar de andere ouder, althans een voorlopige omgangsregeling welke uw rechtbank in goede justitie juist acht.
3.5.
De vrouw voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Wegens samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen hierna tegelijk worden besproken.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een kortgedingprocedure zich in beginsel niet leent voor de vaststelling van een omgangsregeling, omdat dit een constitutief vonnis zou opleveren. In beginsel kan alleen de nakoming van een (door de ouders of de rechtbank) vastgestelde omgangsregeling worden gevorderd. Dit kan anders zijn als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijvoorbeeld als er geen enkele vorm van omgang is. In dat geval kan nakoming van het recht op omgang worden gevorderd, omdat het recht op omgang tussen een ouder en een kind, ook zonder een regeling, rechtstreeks uit de wet voortvloeit. De voorzieningenrechter kan alsdan een voorziening treffen voor een korte periode, in afwachting van een door de rechter in een bodemprocedure vast te stellen omgangsregeling of een door partijen nader overeen te komen omgangsregeling. In alle gevallen dient ook sprake te zijn van een spoedeisend belang.
4.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat geen sprake is van een door partijen overeengekomen omgangsregeling of van een door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling waar partijen nakoming van kunnen vorderen. Zowel het spoedeisend belang bij toewijzing van de vorderingen in kort geding als voornoemde bijzondere omstandigheden zijn niet aannemelijk gemaakt. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de standpunten van partijen erg uiteenlopen en er in een kort geding geen plaats is voor bewijslevering, omdat het kort geding zich niet leent voor (nader) onderzoek. Dat het contact met de minderjarige niet is zoals partijen zouden willen, vindt de voorzieningenrechter onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen. Van partijen kan daarom worden gevergd dat zij een (nog in te dienen) bodemprocedure afwachten.
4.4.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vorderingen van partijen afwijzen.
4.5.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van partijen af;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Geerits, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
[()]
[()]
! [()]