ECLI:NL:RBOBR:2026:3630

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
25/3651 Tusseuitspraak
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.37 Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 8.0b Besluit kwaliteit leefomgevingOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over wateroverlast bij bouw seniorenwoningen buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Deze tussenuitspraak betreft de bouw van drie seniorenwoningen als buitenplanse omgevingsplanactiviteit in Schijndel, waarvoor het college een omgevingsvergunning heeft verleend. Eiser maakt bezwaar vanwege de vrees voor toename van wateroverlast op zijn perceel, veroorzaakt door ophoging en verharding op de projectlocatie en de aanleg van een damwand.

De rechtbank constateert dat het college onvoldoende heeft ingegaan op de zorgen van eiser en niet heeft verzekerd dat de ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt uitgevoerd. Hoewel een watertoets is opgesteld door een bureau in opdracht van de vergunninghouder, zijn de daarin voorgestelde maatregelen niet vergund of concreet geborgd in het besluit. Ook is onvoldoende gemotiveerd of de ontwikkeling leidt tot een onaanvaardbare toename van wateroverlast op naburige percelen.

De rechtbank wijst erop dat het college bij de beoordeling van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verplicht is waterhuishoudkundige aspecten mee te wegen en dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het college krijgt zes weken de tijd om de gebreken te herstellen, waarna partijen kunnen reageren. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Daarnaast wijst de rechtbank de vrees van eiser dat monumentale bomen worden aangetast af, omdat deze niet is onderbouwd. De uitspraak is gedaan door rechter O.Y. Ifzaren op 29 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan en geeft het college zes weken om de gebreken in het besluit te herstellen betreffende wateroverlast en hydrologische neutraliteit.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3651 OWBOUW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad

(gemachtigden: D. Kara en W.M.G. Vermeulen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [woonplaats] (de vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de bouw van drie seniorenwoningen. Het college heeft deze bouw in afwijking van het Omgevingsplan vergund. Eiser is het niet eens met de totstandkoming van de woningen. Hij vreest voor wateroverlast.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het college in zijn besluitvorming onvoldoende in is gegaan op de zorgen van eiser. Het college heeft niet verzekerd dat de ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt uitgevoerd. Ook is het college niet ingegaan op de concrete zorgen van eiser met betrekking tot de toename van de wateroverlast die eiser zegt te ervaren vanaf de openbare weg. De rechtbank geeft het college de gelegenheid om het bestreden besluit op deze punten te herstellen.

Procesverloop

2. Op 20 maart 2025 heeft het college aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit die bestaat uit het bouwen van drie seniorenwoningen en voor de totstandkoming van een uitweg. Met het bestreden besluit van 10 november 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van het college en namens de vergunninghouder [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

Omgevingswet van toepassing
3. De aanvraag van de omgevingsvergunning is op 13 januari 2025 ingediend. Daarom is de Omgevingswet in deze zaak van toepassing.
Wateroverlast
4. Deze zaak gaat over de bouw van drie seniorenwoningen in Schijndel. Het college heeft deze ontwikkeling vergund als buitenplanse omgevingsplanactiviteit omdat het omgevingsplan deze toename van het aantal woningen niet toestaat.
4.1.
De situatie ziet er als volgt uit. Eiser woont in de afbeelding hieronder in één van de woningen, waarvan de tuinen zijn aangeduid met de letter ‘A’. De seniorenwoningen waar de vergunning op ziet, worden gebouwd bij ‘B’.
4.2.
Eiser zegt dat hij wateroverlast ervaart in zijn tuin. Dat komt omdat in 2024 een zorgvilla is gebouwd. Op de afbeelding is deze aangeduid met ‘C’. Op de locatie waar nu de zorgvilla staat, was voorheen een lager gelegen parkeerplaats met tuin aanwezig. Het overtollige hemelwater dat van de weg, aangeduid met ‘D’, kwam, verzamelde zich toen nog op deze parkeerplaats met tuin. Dit is sinds de bouw van de zorgvilla – met ophoging en verharding – niet langer het geval. Volgens eiser stroomt het water nu door. Eerst naar de tussengelegen tuinen, aangeduid met ‘E’, en vervolgens, als die tuinen verzadigd raken, naar zowel het perceel van eiser en zijn buren en het – nu nog onverharde – braakliggende perceel waar de seniorenwoningen gaan worden gerealiseerd. Eiser zegt op deze manier in december 2024 en in het voorjaar van 2025 ernstige wateroverlast te hebben ondervonden door hevige regenval.
4.3.
Eiser vreest dat als de seniorenwoningen worden gebouwd, het overtollige hemelwater vanaf de openbare weg niet langer via de tuinpercelen (‘E’) naar het ontwikkelperceel van de seniorenwoningen zal kunnen vloeien vanwege een damwand die tussen het ontwikkelperceel en de tuinpercelen zal worden geslagen. Daardoor zal het overtollig water in verhoogde mate naar het perceel van eiser stromen, welk (laaggelegen) perceel geen afvoermogelijkheden heeft, zoals een overstort, een watergang of een wadi. Volgens eiser leidt de ontwikkeling van de seniorenwoningen er dus toe dat de bestaande wateroverlast vanaf de openbare weg toe zal nemen.
4.4.
Eiser heeft zijn zorgen als volgt verbeeld:
Bestaande situatie (blauw is afvloeirichting hemelwater, roze is de verharde inrit waar het water overheen stroomt):
Vergunde situatie (kruisjes geven waterkerende muren/damwanden weer):
4.5.
Eiser voert aan dat het college bij de vergunningverlening onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met de door hem gevreesde toename van wateroverlast. Daarnaast voert hij aan dat het onvoldoende is geborgd dat de ontwikkellocatie hydrologisch neutraal wordt uitgevoerd.
4.6.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het toetst of de voorgenomen ontwikkeling van de seniorenwoningen hydrologisch neutraal wordt uitgevoerd. Uit de in opdracht van de vergunninghouder uitgevoerde watertoets volgt dat aan het vereiste van hydrologische neutraliteit wordt voldaan, mits de vergunninghouder daartoe maatregelen treft. Deze worden volgens het college in de vergunningverlening geborgd. Het initiatief zelf leidt dus niet tot een groter risico op wateroverlast, aldus het college.
4.7.
De vergunninghouder stelt dat de ontwikkeling van de seniorenwoningen hydrologisch neutraal wordt uitgevoerd. Het is in theorie wel mogelijk dat de ontwikkeling onder zeer zware weersomstandigheden leidt tot een verhoogde aanvoer van hemelwater vanaf de openbare weg naar het perceel van eiser, maar daarvan zal in de praktijk slechts sprake zijn onder uitzonderlijke omstandigheden. Het hemelwater dat van de openbare weg komt, zal namelijk eerst in de tussengelegen tuinen worden opgevangen. Pas als deze volledig verzadigd zijn, zal het water zijn weg zoeken naar de naburige percelen. Ook in dat geval is het niet zo dat het hemelwater dat in de bestaande situatie af zou vloeien naar de projectlocatie, volledig naar het perceel van eiser zal stromen. Vergunninghouder merkt op dat een muur zal worden geplaatst op de perceelgrens tussen de ontwikkellocatie en de naastgelegen tuinen met een poort in deze muur ter ontsluiting van de tuinen. Hier zou water onderdoor kunnen vloeien. Daarnaast wordt het perceel van de ontwikkellocatie maar zeer beperkt opgehoogd. Vergunninghouder verwacht hierdoor niet dat de projectlocatie minder water van de openbare weg zal opvangen dan nu het geval is.
4.8.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.9.
Het gaat in deze zaak om de vergunning van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het college mag een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen vergunnen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij het bepalen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, moet het college ook kijken naar de waterhuishoudkundige aspecten van de te vergunnen activiteit. Dat valt niet alleen binnen de algemene toets van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, maar daartoe is het college ook verplicht op grond van de instructieregel van artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Aan deze instructieregel moet het college bij het vergunnen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van artikel 8.0b van het Bkl ook toetsen. In artikel 5.37 van het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.
4.10.
Het college heeft beoordelingsruimte bij het wegen van de waterbelangen in de beoordeling van de evenwichtigheid van de toedeling van functies aan locaties. Daarbij geldt in het algemeen dat een ontwikkeling niet hoeft te voorzien in een oplossing voor eventuele bestaande wateroverlast. Wel moet het college zich ervan verzekeren dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van wateroverlast ter plaatse van de naburige percelen. Als daarvoor vereist is dat er waterafvoervoorzieningen worden gerealiseerd, dan moeten deze voldoende zijn verzekerd in de vergunningverlening. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [1]
4.11.
Het beleid van het college houdt in dat een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal moet worden uitgevoerd. Dat houdt in dat de ontwikkeling moet voorzien in de afvoer van hemelwater op eigen terrein en de afvoer niet mag afwentelen op naburige percelen. Volgens het college wordt dit verzekerd door de maatregelen die in de watertoets van de vergunninghouder worden gevoegd. In deze watertoets worden de volgende maatregelen voorgesteld:
  • de installatie van infiltratiekratten met 33 m3 capaciteit,
  • halfverharding op de parkeerplaatsen,
  • beperkte ophoging van het perceel,
  • verhoogde drempels en, indien nodig, een overstortvoorziening.
4.12.
De watertoets is opgesteld door een bureau in opdracht van de vergunninghouder. Het is dus – anders dan het college veronderstelt – geen onafhankelijk opgestelde toets. Eiser heeft echter geen concrete aanmerkingen geplaatst bij de watertoets, maar vreest in algemene zin voor een toename van de wateroverlast. Op basis van deze algemene vrees ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet mocht baseren op de watertoets. De rechtbank gaat er dus van uit dat de watertoets inhoudelijk klopt ten aanzien van de vraag of de voorgenomen maatregelen voldoende zijn om de hydrologische neutraliteit te waarborgen.
4.13.
De rechtbank constateert echter dat de genoemde maatregelen weliswaar in de watertoets zijn gesuggereerd en ook in de bouwtekeningen zijn genoemd, maar dat deze maatregelen als zodanig niet zijn vergund omdat ze – zoals het college heeft erkend – niet vergunningplichtig zijn. De vergunning bevat ook geen concrete voorschriften die de uitvoering van deze maatregelen verzekeren. De vergunning bevat weliswaar een voorschrift met de inhoud dat het ontwerp met de exacte locatie en oppervlakte van de te plaatsen infiltratiekratten vóór plaatsing ter goedkeuring aan de gemeente wordt aangeboden, maar daarmee is niet gegarandeerd dat de plaatsing van de kratten daadwerkelijk plaats zal vinden en dat de waterberging goed zal worden onderhouden. Evenmin is verzekerd dat de overige voorgenomen maatregelen worden gerealiseerd. Ook blijft onduidelijk of een overstortvoorziening noodzakelijk is voor het borgen van de hydrologische neutraliteit.
4.14.
Het bestreden besluit is dus in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen voor zover het college heeft nagelaten om vergunningvoorschriften op te nemen die de hydrologische neutraliteit van de ontwikkeling verzekeren. De rechtbank zal het college in de gelegenheid stellen om dit gebrek te herstellen. Het college moet bezien hoe deze voorschriften moeten worden geformuleerd. Daarbij moet het college ten aanzien van de ophoging concretiseren welke mate van ophoging aanvaardbaar is en ten aanzien van de overstortvoorziening beoordelen of deze noodzakelijk is.
4.15.
Naar het oordeel van de rechtbank voert eiser terecht aan het college in het bestreden besluit onvoldoende oog heeft gehad voor de toename van wateroverlast die eiser van de openbare weg ervaart. Op basis van de toelichtingen van eiser en de vergunninghouder – die door het college niet inhoudelijk zijn weersproken – kan niet worden uitgesloten dat de ontwikkeling van de seniorenwoningen onder uitzonderlijke weersomstandigheden zou kunnen leiden tot een verergering van de bestaande wateroverlast op het perceel van eiser. Het college heeft deze omstandigheid niet kenbaar in zijn afweging betrokken, maar heeft volstaan met een handhaving van zijn verweer dat de ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt uitgevoerd en dat dit uit de watertoets blijkt. De hydrologische neutraliteit van het ontwikkelperceel staat echter los van de vraag of de ontwikkeling op een andere wijze leidt tot een onaanvaardbare toename van wateroverlast ter plaatse van de naburige percelen, zoals op de wijze waarop eiser dit heeft omschreven. De watertoets gaat hier niet op in. Daarom kon het college niet volstaan met een verwijzing naar de watertoets. De door eiser gevreesde verstoring van de waterhuishouding is wel een aspect dat het college kenbaar in zijn beoordeling van de evenwichtigheid van toedeling van functies aan locaties moet betrekken. De motivering van het bestreden besluit schiet dus tekort.
4.16.
Het college zal ook op dit punt in de gelegenheid worden gesteld om het gebrek te herstellen. Dat kan het college doen door op kenbare wijze de aanvaardbaarheid te beoordelen van het door eiser aangevoerde risico op een verergering van de reeds ervaren overlast. Daarbij ligt het op de weg van het college om ook het standpunt van de vergunninghouder te betrekken dat het door eiser aangevoerde risico van verstoring zich slechts onder uitzonderlijke omstandigheden voor zal doen en dat de invloed van de bouw van de seniorenwoningen op de bestaande overlast van de openbare weg ook dan beperkt zal zijn.
Monumentale bomen en Natuurherstelwet
5. Eiser heeft ook aangevoerd dat hij bang is dat enkele nabijgelegen monumentale bomen zullen worden aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. Volgens eiser is niet uit te sluiten dat het grondwater dermate hoog komt te staan, dat de bomen verstikt raken.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft zijn vrees dat de grondwaterstand dusdanig hoog komt te liggen, niet onderbouwd. Het college heeft zich mogen baseren op de watertoets van de initiatiefnemer, waarin wordt geconcludeerd dat geen verhoging van het grondwaterpeil te duchten is van de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie en gevolgen

6. Het college krijgt de gelegenheid om de in deze uitspraken geconstateerde gebreken te herstellen. Tijdens de zitting van 30 april 2026 heeft het college aangegeven van deze gelegenheid gebruik te willen maken en dat een termijn van vier weken daarvoor voldoende is. De rechtbank zal in verband met de zomerperiode echter een langere termijn geven van zes weken. Zodra het college van de gegeven herstelgelegenheid gebruik heeft gemaakt, krijgen eiser en de vergunninghouder de gelegenheid om op de herstelpoging te reageren. Daarvoor zullen zij in principe een termijn van vier weken krijgen, maar de rechtbank zal bij de definitieve termijnbepaling rekening houden met de zomerperiode en eventuele vakanties van eiser en de vergunninghouder. Daarna zal de rechtbank een einduitspraak doen op het beroep.
6.1.
In beginsel zal de rechtbank vervolgens het onderzoek sluiten en zonder nadere zitting uitspraak doen.
6.2.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat de rechtbank over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat is overwogen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Deze maatstaf is bijvoorbeeld – met verwijzing naar andere uitspraken – terug te vinden in de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1708, overweging 33.2.