ECLI:NL:RBOBR:2026:3728

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/01/410977 / HA ZA 24-742
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.P. de Gruijter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:75 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toerekenbare tekortkoming in nakoming koopovereenkomsten wegens niet geleverde Transporters

In deze civiele bodemzaak vordert AUTOCENTRUM ZUID-NEDERLAND B.V. (AZN) schadevergoeding van AUTOBEDRIJF VAN DEN UDENHOUT B.V. (VDU) wegens niet geleverde Transporter T6.1 voertuigen uit drie koopovereenkomsten. VDU stelt dat de fabrikant Volkswagen de productie van deze voertuigen definitief heeft gestaakt, waardoor zij niet kon leveren, en beroept zich op overmacht.

De rechtbank oordeelt dat VDU niet is geslaagd in haar bewijsopdracht om het staken van productie en het niet leveren aannemelijk te maken. De schriftelijke verklaringen van de fabrikant en [A] B.V. zijn onvoldoende overtuigend en bevatten geen uitleg over de productie en levering van andere Transporters uit dezelfde batch. VDU heeft geen getuigen laten horen en de rechtbank kon de verklaringen niet toetsen.

Daarmee is vastgesteld dat de tekortkoming in de nakoming toerekenbaar is aan VDU. VDU kan zich niet beroepen op overmacht of uitsluiting van aansprakelijkheid. De rechtbank veroordeelt VDU tot schadevergoeding aan AZN, nader op te maken bij staat, en tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: VDU is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming en veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten aan AZN.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/410977 / HA ZA 24-742
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
AUTOCENTRUM ZUID-NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Geldrop,
eisende partij,
hierna te noemen: AZN,
advocaat: mr. R.J. Sark,
tegen
AUTOBEDRIJF VAN DEN UDENHOUT B.V.,
gevestigd te ’s-Hertogenbosch ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: VDU ,
advocaat: mr. M.J. van Joolingen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 december 2025;
- de akte van 21 januari 2026 van VDU met producties 29 en 30;
- de akte van 18 februari 2026 van AZN met producties 17 tot en met 19;
- de akte van 11 maart 2026 van VDU zonder producties.
1.2.
Ten slotte is datum voor vonnis bepaald.

2.Nadere standpunten van partijen

2.1.
Voor de feiten in deze zaak verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 31 december 2025. Daarin heeft de rechtbank VDU opgedragen om te bewijzen dat:
- Volkswagen Nutzfahrzeuge GmbH (hierna te noemen: de fabrikant) heeft besloten om de productie van de Transporter T6.1 bus (hierna te noemen: Transporter) permanent te staken waardoor de elf Transporters, onderdeel uitmakende van de koopovereenkomsten met nummers 1459028 , 1461833 en 1461817 , die AZN bij VDU bestelde, niet zijn geproduceerd;
- [A] B.V. (hierna te noemen: [A] ) dan wel de fabrikant de elf Transporters onderdeel uitmakende van de koopovereenkomsten met nummers 1459028 , 1461833 en 1461817 , die AZN bij VDU bestelde, niet aan VDU heeft geleverd.
2.2.
Bij akte van 16 januari 2026 heeft VDU verklaringen in het geding gebracht van (a) de fabrikant en (b) [A] .
2.3.
De fabrikant verklaart dat als gevolg van haar besluit om de productie van de Transporter permanent stop te zetten, de volgende door [A] namens VDU bestelde Transporters niet zijn geproduceerd en dus ook niet zijn geleverd aan [A] en/of VDU :
- drie Transporters met ordernummer 1459028 en met KOM nummers 249089, 249168 en 249169;
- acht Transporters met ordernummers 1461817 en 1461833 en met KOM nummers 249436, 249437, 249438, 249439, 249441, 249442, 249443 en 249444,
hierna gezamenlijk te noemen: de Onderhavige Voertuigen.
[A] verklaart eveneens dat zij de Onderhavige Voertuigen nooit geleverd heeft gekregen als gevolg van het besluit van de fabrikant om de productie van Transporters te staken en dat zij op haar beurt deze voertuigen nooit heeft geleverd aan VDU .
2.4.
AZN neemt het standpunt in dat de verklaringen van de fabrikant en [A] er niet toe leiden dat vast komt te staan dat de fabrikant heeft besloten om de productie van Transporters te staken en dat als gevolg daarvan de Onderhavige Voertuigen niet zijn geproduceerd en geleverd aan VDU . AZN acht de verklaringen van de fabrikant en [A] ongeloofwaardig. Uit deze verklaringen volgt namelijk niet wanneer de fabrikant het besluit tot staking van de productie heeft genomen en wanneer zij de productie daadwerkelijk heeft gestaakt. Daarnaast wordt uit de verklaringen niet duidelijk waarom de Onderhavige Voertuigen niet geleverd konden worden, terwijl andere voertuigen uit dezelfde
batchorders wél zijn geproduceerd en geleverd. AZN heeft verder het standpunt ingenomen dat ook na week 19 (6 t/m 12 mei) van 2024 nog Transporters zijn geproduceerd door de fabrikant en heeft daarbij AutolexPro en RDW-Voertuigenrapporten in het geding gebracht. Bovendien zijn ook na week 19 nog Transporters op de Nederlandse markt gebracht (al dan niet via de grijze markt). Ook wijst AZN erop dat op 27 juni 2024 nog een Transporter is geproduceerd. De verklaring van de fabrikant is ook in strijd met een eerdere persverklaring, waarin zij verklaarde dat alle klantorders op tijd waren geproduceerd.

3.De beoordeling

VDU slaagt niet in haar bewijsopdracht
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat met de verklaringen van de fabrikant en [A] niet is vast komen te staan dat de fabrikant heeft besloten om de productie van Transporters te staken en dat als gevolg daarvan de Onderhavige Voertuigen niet zijn geproduceerd en geleverd aan VDU .
3.2.
In het tussenvonnis van 31 december 2025 heeft de rechtbank bepaald dat VDU bij haar bewijslevering onder meer gebruik kan maken van bewijsstukken en het horen van getuigen. VDU heeft er bij de invulling van haar bewijsopdracht voor gekozen om enkel schriftelijke verklaringen van [A] en de fabrikant te overleggen en de betrokken personen niet als getuige te laten horen. Dat heeft als gevolg dat het bewijs voor de door VDU ingenomen stellingen uit deze verklaringen moet volgen.
3.3.
De fabrikant heeft verklaard dat de Onderhavige Voertuigen niet zijn geproduceerd of geleverd. De fabrikant heeft daarnaast verklaard zij KOM nummers heeft toegewezen aan de Onderhavige Voertuigen, maar dat de Onderhavige Voertuigen vervolgens niet zijn geproduceerd door een permanente productiestop. [A] heeft verklaard dat zij de Onderhavige Voertuigen nooit geleverd heeft gekregen en op haar beurt ook nooit heeft geleverd aan VDU (of aan andere derden). De schriftelijke verklaringen van de fabrikant en [A] hebben de te bewijzen stellingen van VDU weliswaar bevestigd, maar de rechtbank acht deze schriftelijke verklaringen niet voldoende overtuigend om het bewijs geleverd te achten. AZN heeft immers gemotiveerd het standpunt ingenomen dat deze verklaringen op bepaalde punten onjuist zijn en/of niet te verenigen met andere stukken. Het dossier bevat geen reactie van [A] en/of de fabrikant op dit gemotiveerde standpunt. De rechtbank heeft ook niet de mogelijkheid gehad om de fabrikant en [A] hierover te bevragen.
3.4.
De verklaringen van de fabrikant en [A] bevatten namelijk geen uitleg over
hoe het kan dat in één batch van 30 Transporters 19 Transporters wél zijn geproduceerd en geleverd door Volkswagen en 11 voertuigen niet. Ook bevatten deze verklaringen geen uitleg voor het feit dat ook na week 19 van 2024 nog Transporters zijn geproduceerd. VDU heeft hierop in haar akte gereageerd door te stellen dat (a) de fabrikant niet per batch produceert maar de productie zo efficiënt mogelijk inricht en (b) de officieel geplande productiestop voor de Nederlandse markt plaatsvond in week 19 van 2024 en dat later geproduceerde Transporters geen onderdeel waren van het reguliere productieproces en/of niet bestemd waren voor de Nederlandse markt. Deze stellingen van VDU worden door de fabrikant in haar verklaring echter niet bevestigd, terwijl de fabrikant bij uitstek had kunnen verklaren over de manier waarop zij haar productieproces inricht, het moment dat de productiestop heeft plaatsgevonden en de na week 19 van 2024 geproduceerde Transporters. Ook heeft de rechtbank en/of AZN niet de mogelijkheid gehad om de fabrikant hierover te bevragen.
3.5.
Het bericht van de fabrikant waarin zij ten aanzien van de Transporters heeft vermeld dat “
all customer orders were produced on time”, lijkt strijdig te zijn met de door VDU in dit geding gebrachte verklaring van de fabrikant inhoudende dat zij de Onderhavige Voertuigen niet heeft geproduceerd en geleverd aan [A] en/of VDU . VDU heeft hiervoor een mogelijke uitleg gegeven, maar deze uitleg is niet onderschreven door de fabrikant. Ook heeft de rechtbank en/of AZN niet de mogelijkheid gehad om de fabrikant hierover te bevragen. De fabrikant heeft deze verklaringen gedaan en was daarom bij uitstek de partij die had kunnen uitleggen hoe deze verklaringen zich tot elkaar verhouden.
3.6.
Uit bovenstaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat VDU niet in haar bewijsopdracht is geslaagd.
De vorderingen van AZN zullen worden toegewezen
3.7.
In het tussenvonnis van 31 december 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de tekortkoming door VDU in de nakoming van de koopovereenkomsten met nummers 1459028 , 1461833 en 1461817 vast staat. VDU betwist dat deze tekortkoming aan haar toerekenbaar is en heeft in dat kader een beroep gedaan op (primair) artikel X lid 1 van haar algemene voorwaarden en (subsidiair) artikel 6:75 BW Pro. VDU heeft daartoe aangevoerd dat de tekortkoming in de nakoming niet aan haar schuld te wijten is omdat de fabrikant heeft besloten om de productie van Transporters in week 19 van het jaar 2024 definitief te staken en VDU als gevolg daarvan de Onderhavige Voertuigen niet geleverd heeft gekregen. De rechtbank heeft VDU opgedragen om deze stellingen te bewijzen. Omdat de rechtbank van oordeel is dat VDU niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, is niet komen vast te staan dat de tekortkoming in de nakoming niet toerekenbaar is aan VDU en dat de tekortkoming in de nakoming niet te wijten is aan de schuld van VDU . De rechtbank is daarom van oordeel dat VDU geen beroep toekomt op artikel X lid 1 van haar algemene voorwaarden en artikel 6:75 BW Pro. Er is dus sprake van een toerekenbare tekortkoming van VDU in de nakoming van de koopovereenkomsten met nummers 1459028 , 1461833 en 1461817 .
3.8.
Gezien bovenstaande is VDU aansprakelijk voor de schade die AZN heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van deze toerekenbare tekortkoming in de nakoming. VDU heeft niet betwist dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden door AZN aannemelijk is. De rechtbank zal de door AZN ingestelde vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat daarom toewijzen.
VDU wordt veroordeeld in de proceskosten
3.9.
VDU is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van AZN worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
115,22
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
1.632,50
(2,5 punten × € 653,00 (1 voor dagvaarding, 1 voor de mondelinge behandeling en 1 x 0.5 voor de akte van 18 februari 2026)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.624,72
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.11.
De rechtbank zal de vorderingen voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren. VDU heeft verweer gevoerd tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van dit vonnis en meer in het bijzonder tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de verwijzing naar de schadestaatprocedure.
3.12.
Het enkele feit dat VDU tegen dit vonnis nog in hoger beroep kan met als mogelijke uitkomst dat VDU niet aansprakelijk wordt gehouden voor de door AZN geleden en te lijden schade, maakt niet dat VDU een groter belang heeft bij het afwijzen van de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad dan het belang van AZN tot toewijzing daarvan. Als uitgangspunt heeft te gelden dat bij de belangenafweging tussen de belangen van VDU en AZN de kans van slagen van een eventueel aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing dient te blijven. Dat een resultaat daarvan is dat in de schadestaatprocedure al kosten worden gemaakt voordat sprake is van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak, acht de rechtbank in dat kader niet doorslaggevend. VDU heeft immers niet (onderbouwd) gesteld dat uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring ingrijpende gevolgen voor haar heeft of dat sprake is van een restitutierisico als gevolg waarvan de uitvoerbaarheid bij voorraad zou moeten worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van AZN tot het direct kunnen starten van de schadestaatprocedure daarom te prevaleren boven het belang van VDU om daarmee te wachten tot haar aansprakelijkheid vaststaat in een in kracht van gewijsde gegane uitspraak.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart voor recht dat VDU jegens AZN toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomsten met nummers 1459028 , 1461833 en 1461817 ;
4.2.
veroordeelt VDU om aan AZN te betalen de schade, nader op te maken bij staat, die AZN heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van VDU in de koopovereenkomsten met nummers 1459028 , 1461833 en 1461817 ;
4.3.
veroordeelt VDU in de proceskosten van € 2.624,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als VDU niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt VDU tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling en de veroordeling van VDU om aan AZN de schade nader op te maken bij staat te betalen uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. de Gruijter en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.