ECLI:NL:RBOBR:2026:3777

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
C/01/415905 / HA ZA 25-347
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 2:11 BWArt. 6:162 BWArt. 6:119 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatige selectieve betaling en nalatigheid in melding beroepsfout

De zaak betreft een vordering van eiser tegen de bestuurders van Monkeysee Holding wegens bestuurdersaansprakelijkheid. Eiser had een overeenkomst met Monkeysee B.V. voor hypotheekbemiddeling, maar de financiering werd niet verkregen, waardoor de koop van een woning niet doorging en eiser een boete van 10% moest betalen. Monkeysee werd aansprakelijk gesteld en veroordeeld tot betaling aan eiser, maar betaalde niet.

Monkeysee werd failliet verklaard na turboliquidatie. Eiser stelde de bestuurders van Monkeysee Holding aansprakelijk wegens onrechtmatig handelen, omdat zij nalieten tijdig melding te doen bij de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en het schikkingsbedrag van €34.650 niet aan eiser betaalden, maar aan de indirect bestuurder. De bestuurders voerden verweer dat de aansprakelijkheidstelling aanvankelijk niet serieus was en dat het schikkingsbedrag nodig was voor proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de bestuurders een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt wegens nalatigheid in de melding en het doen van een onrechtmatige selectieve betaling. De bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade van eiser, die wordt vastgesteld op €49.734,24 plus rente, buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van ruim €58.600 aan eiser wegens onrechtmatig handelen en onrechtmatige selectieve betaling.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/415905 / HA ZA 25-347
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats ] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D.B. Dubach,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [plaats ] ,
2.
MONKEYSEE HOLDING B.V.,
te Nieuwkuijk, gemeente Heusden ,
gedaagde partijen,
gedaagde sub 1 hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
gedaagde sub 2 hierna te noemen: Monkeysee Holding ,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. R. Dijkema.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 mei 2025
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- akte overlegging producties 31a t/m 33 door eiser
- akte overlegging producties 34 en 35 door eiser.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde sub 1] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van Monkeysee Holding . Monkeysee Holding is een houdstervennootschap van onder meer de aandelen in het aandelenkapitaal van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Monkeysee B.V. (hierna: Monkeysee). Monkeysee hield zich onder meer bezig met hypotheek- en kredietbemiddeling en werkzaamheden als assurantietussenpersoon. Monkeysee Holding is enig bestuurder van Monkeysee.
2.2.
[eiser] heeft Monkeysee verzocht om hem bij te staan als adviseur bij de aankoop van een woning. Onderdeel van de overeenkomst van opdracht met Monkeysee van 4 juni 2020 was het verkrijgen van een financiering voor de woning die [eiser] had aangekocht voor een koopprijs van € 359.000,00. De financiering is niet verkregen door [eiser] , waardoor de aankoop van de woning niet door kon gaan. [eiser] is door de verkoper van de woning in gebreke gesteld en de koopovereenkomst is door de verkoper ontbonden. Omdat het inroepen van het financieringsvoorbehoud te laat heeft plaatsgevonden en er één financieringsaanvraag is gedaan in plaats van de afgesproken twee aanvragen, heeft de verkoper 10% boete (€ 35.900,00) gevorderd van [eiser] . Deze boete is door de rechtbank Limburg toegewezen bij vonnis van 22 juni 2022 (C/03/292279/HAZA 21-268). Gelijktijdig is een vrijwaringsprocedure gevoerd tussen [eiser] en Monkeysee (C/03/297519/HAZA 21-530). Hierbij is Monkeysee op 22 juni 2022 bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag gelijk aan het bedrag waartoe [eiser] jegens de verkoper van de woning was veroordeeld alsmede de (proces)kosten.
2.3.
Monkeysee heeft verzet aangetekend tegen het verstekvonnis. Na een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank Limburg is het hiervoor genoemde vonnis in de vrijwaringsprocedure bekrachtigd met veroordeling van Monkeysee in de proceskosten. Het vonnis in die zaak is van 19 april 2023 (C/03/308628 / HA ZA 22-380).
2.4.
Monkeysee is in hoger beroep gegaan tegen laatstgenoemde vonnis. Na twee tussenarresten van 19 september 2023 en 15 oktober 2024, heeft het Gerechtshof
’s-Hertogenbosch het vonnis waarvan hoger beroep bekrachtigd onder aanvulling van gronden in haar arrest van 25 februari 2025 (zaak 200.330.444/01), met veroordeling van Monkeysee in de proceskosten.
2.5.
Monkeysee heeft het bedrag waartoe zij was veroordeeld niet betaald aan [eiser] .
2.6.
[eiser] heeft op 17 april 2025 het faillissement van Monkeysee aangevraagd. Monkeysee had haar werkzaamheden reeds gestaakt en er volgde een turboliquidatie op 22 april 2025. Vervolgens is Monkeysee uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel op 28 april 2025. Monkeysee is door de rechtbank alsnog failliet verklaard op 9 mei 2025.
2.7.
In de onderhavige procedure wordt [gedaagden] als (indirect) bestuurder en aandeelhouder van Monkeysee aangesproken op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Daarbij spelen de navolgende feiten een rol.
2.8.
Monkeysee is namens [eiser] (onder meer) bij brief van 9 oktober 2020 aansprakelijk gesteld voor een beroepsfout. In die brief stond:
“Ik zou u willen verzoeken deze aansprakelijkstelling aan uw (beroepsaansprakelijkheids-)
verzekeraar te sturen en mij daarvan een bevestiging te sturen.”.
2.9.
Bij brief van 28 oktober 2020 van DAS aan de advocaat van [eiser] is namens Monkeysee iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.
2.10.
Op 13 januari 2021 schreef de advocaat van [eiser] aan Monkeysee:
“De aansprakelijkstelling blijft echter onverkort gehandhaafd en ik zal uw cliënte andermaal willen verzoeken deze door te sturen aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar. Het antwoord van haar verzekeraar zie ik met belangstelling tegemoet.”.
2.11.
Op 7 juni 2021, 23 juli 2021 en 28 juli 2022 is Monkeysee nog driemaal namens [eiser] verzocht vragen te beantwoorden en het standpunt van haar verzekeraar door te geven. Op 28 juli 2022 is tevens [gedaagde sub 1] persoonlijk aansprakelijk gesteld.
2.12.
Monkeysee heeft haar verzekeraar voor het eerst op 3 augustus 2022 schriftelijk op de hoogte gesteld van de aansprakelijkheidstelling en de schade. De verzekeraar heeft in reactie daarop geen polisdekking aanvaard omdat zij zich geschaad acht in haar belangen doordat de melding niet direct heeft plaatsgevonden en de verzekeraar voor voldongen feiten is gesteld. De verzekeraar heeft een definitieve beslissing over de dekking uitgesteld totdat zij nadere inlichtingen van Monkeysee heeft verkregen.
2.13.
Op 12 juni 20223 zijn Monkeysee en de verzekeraar na onderhandelingen overeengekomen dat bij wijze van schikking een uitkering aan Monkeysee zal plaatsvinden ter hoogte van € 34.650,00. Dit bedrag is door de verzekeraar uitbetaald aan Monkeysee op 15 augustus 2023.
2.14.
Op 15 december 2023 heeft de advocaat van Monkeysee aan de advocaat van [eiser] een e-mail gezonden waarin is aangegeven dat de verzekeraar is overgegaan tot betaling van een schadevergoeding van € 34.650,-. Monkeysee heeft geen betaling gedaan aan [eiser] .

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - te verklaren voor recht dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [eiser] en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade alsmede [gedaagden] uitvoerbaar bij voorraad hoofdelijk te veroordelen om € 49.734,24 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten, beslagkosten, proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten.
[eiser] legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag.
Primair houdt [eiser] [gedaagden] aansprakelijk omdat [gedaagden] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap (Monkeysee) haar verplichtingen niet is nagekomen,
subsidiair omdat [gedaagde sub 1] op andere gronden een ernstig verwijt valt te maken.
[gedaagden] heeft het schikkingsbedrag van € 34.650 dat Monkeysee van de verzekeraar heeft ontvangen niet gebruikt om de schade van [eiser] te vergoeden en heeft bewerkstelligd of toegelaten dat Monkeysee haar verplichtingen niet is nagekomen. Ten tijde van de schikking lagen de verplichtingen van Monkeysee al vast in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. [gedaagden] kan een ernstig verwijt worden gemaakt omdat op het moment dat [gedaagde sub 1] het schikkingsbedrag niet aanwendde voor het betalen van [eiser] , maar voor het terugbetalen van (proces)kosten terwijl hij wist of had hij redelijkerwijze moeten begrijpen dat Monkeysee hierdoor haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
In 2022 en 2023 verkeerde Monkeysee volgens [eiser] al in een slechte financiële positie waarin de schulden almaar opliepen, hetgeen blijkt uit de jaarrekeningen van Monkeysee vanaf 2015 tot en met 2024. Uit de jaarrekening 2022 blijkt dat er vanaf dat jaar een voorziening is getroffen voor de vordering van [eiser] van EUR 35.900, de hoogte van de contractuele boete, maar dat de kortlopende schulden alleen maar hoger werden: bijna 3 ton in 2022, ruim 4 ton in 2023.
Over die kortlopende schuld heeft [gedaagde sub 1] volgens [eiser] tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek tot faillietverklaring van Monkeysee op 6 mei 2025 verklaard dat de kortlopende schulden enkel een rekening-courantschuld zijn aan [gedaagde sub 1] als indirect bestuurder van Monkeysee. Verder zouden er volgens [gedaagde sub 1] geen andere schuldeisers zijn. [eiser] concludeert dat [gedaagde sub 1] welbewust de uitkering van de verzekeraar uit hoofde van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering niet aan [eiser] heeft betaald, terwijl [eiser] , naast [gedaagde sub 1] als bestuurder, de enige schuldeiser was van Monkeysee. Daarnaast kan het [gedaagden] worden verweten dat nagelaten is om tijdig c.q. direct een melding te doen bij de (verplichte) beroepsaansprakelijkheidsverzekering, waardoor de dekking is geweigerd en een schikking is getroffen met de verzekeraar. Ook is er sprake van misbruik van de turboliquidatie omdat er nog potentiële baten waren, waarop alsnog het faillissement van Monkeysee is uitgesproken. Monkeysee biedt echter geen verhaal. Daarnaast stelt [eiser] dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [gedaagden] (type iii), welke verwijten zij nader toelicht.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[gedaagden] hebben als verweer naar voren gebracht dat de aansprakelijkheidstelling in eerste instantie niet serieus te nemen was en het daarna lang stil bleef aan de zijde van [eiser] . [gedaagde sub 1] heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar op 3 augustus 2022 op de hoogte gesteld en de verzekeraar heeft uiteindelijk ook een uitkering gedaan. Dit bedrag had Monkeysee echter nodig om de proceskosten in de diverse rechtszaken terug te betalen aan haar (indirect) bestuurders. [gedaagden] wijst erop dat [eiser] het faillissement van Monkeysee heeft aangevraagd, maar dat dit is afgewezen wegens gebrek aan een steunvordering.
Verder voeren [gedaagden] nog aan dat Monkeysee vanaf 2022 verlies heeft geleden en dat de rekening-courant schuld met de bestuurder [gedaagde sub 1] alleen maar is toegenomen. De te maken (proces) kosten werden dan ook betaald/voorgeschoten door [gedaagde sub 1] . Om verdere (proces)kosten te vermijden is Monkeysee akkoord gegaan met het schikkingsvoorstel van € 34.650 van de verzekeraar. Omdat Monkeysee zich niet kon vinden in het op 19 april 2023 gewezen vonnis in verzet is zij bij appeldagvaarding van 17 juli 2023 in beroep gekomen van dat vonnis bij het Hof ’s-Hertogenbosch. Bij e-mail van 15 december 2023 heeft de advocaat van Monkeysee de advocaat van [eiser] bericht dat verzekeraar tot betaling is overgegaan van de schadevergoeding van ad € 34.650,-. Pas op 25 februari 2025 heeft het Gerechtshof het vonnis bekrachtigd en is Monkeysee gesommeerd om € 57.857.15 te betalen, maar daarvoor had Monkeysee geen financiële middelen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank neemt als uitgangspunt dat in de eerdere procedures is vastgesteld dat Monkeysee aansprakelijk is jegens [eiser] voor de door Monkeysee gemaakte beroepsfout en uit hoofde daarvan schadeplichtig is. Monkeysee verkeert in staat van faillissement en heeft geen betalingen verricht aan [eiser] inzake de beroepsfout, de aansprakelijkheid of de gerechtelijke uitspraken.
4.2.
De vraag die aan de rechtbank voorligt is of [gedaagden] kunnen worden aangesproken op grond van bestuurdersaansprakelijkheid c.q. onrechtmatige daad.
4.3.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt - en dus of hij op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is - is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. De normen waaraan moet worden getoetst of een bestuurder aansprakelijk is staan in het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen). De Hoge Raad onderscheidt daarin twee categorieën:
“Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).
Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.”
4.4.
Daarnaast stelt de rechtbank voorop dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is (art. 2:11 BW Pro).
Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op art. 6:162 BW Pro. Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. Dit betekent dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Uit de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW Pro volgt echter wel dat als een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is op die grond, een bestuurder van die rechtspersoon-bestuurder aansprakelijkheid op grond van art. 2:11 BW Pro (alsnog) kan voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd (Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275).
Kan het bestuur worden tegengeworpen dat de aansprakelijkheidsverzekeraar (te) laat op de hoogte is gesteld?
4.5.
Over het verwijt van [eiser] dat [gedaagden] hebben bewerkstelligd dat Monkeysee de verzekeraar (te) laat op de hoogte heeft gesteld van de aansprakelijkstelling, voeren [gedaagden] aan dat in eerste instantie de aansprakelijkheidstelling niet serieus te nemen was en dat [eiser] niet meer heeft gereageerd toen Monkeysee op 28 oktober 2020 heeft aangegeven de aansprakelijkheid niet te aanvaarden.De rechtbank volgt [gedaagden] niet in dit verweer. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] aangegeven dat hij de aansprakelijkheidstelling wel serieus nam en dat hij zich direct voor rechtsbijstand heeft gewend tot DAS. DAS heeft ook namens Monkeysee gereageerd. Gelet op de reactie die namens [eiser] is verzonden aan DAS, had het op de weg gelegen van Monkeysee om meteen een melding te doen aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Van Krijger c.s. mocht worden verwacht dat zij als (indirect) bestuurder erop toezagen dat een dergelijke melding tijdig werd gedaan. De door [gedaagde sub 1] op zitting geschetste werkwijze, te weten het geregeld niet melden van schadegevallen bij een verzekeraar omdat deze verzekeraars “vaak een afwachtend standpunt innemen”, strookt niet met een werkwijze die van een zorgvuldig handelend hypotheek- en assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Daarnaast had het bestuur er wetenschap van dat [eiser] aansprakelijk was gehouden door de verkoper en zelfs al was veroordeeld tot betaling van de 10% boete, terwijl ook Monkeysee al bij verstek was veroordeeld. Ondanks dat [eiser] tenminste vier keer heeft gevraagd om het schadegeval bij de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar te melden danwel naar de stand van zaken hieromtrent heeft geïnformeerd, persisteerde [gedaagden] in de afwachtende c.q. ontkennende houding. Daarmee hebben zij bewerkstelligd dat de verzekeraar (in eerste instantie) niet bereid was om dekking te verlenen ondanks de beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Dat valt hen aan te rekenen omdat het aannemelijk is dat de uitkering uit hoofde van de aansprakelijkheidsverzekering bij een tijdige melding hoger zou zijn geweest dan het nu betaalde schikkingsbedrag. Uit niets blijkt dat de verzekeraar bij tijdige melding niet zou hebben uitgekeerd. Daarbij is van belang dat volgens [gedaagden] Monkeysee al vanaf oktober 2020 verlies draaide en feitelijk geen verhaal bood, zodat [gedaagden] wisten of behoorden te weten dat Monkeysee geen verhaal zou bieden voor de schade van [eiser] . Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een persoonlijk ernstig verwijt van [gedaagden] en hebben zij onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld.
Hoe is de uitkering van de verzekeraar aangewend?
4.6.
Over het verwijt van [eiser] dat [gedaagden] hebben bewerkstelligd dat Monkeysee het schikkingsbedrag van € 34.650 dat zij van de verzekeraar heeft ontvangen niet heeft gebruikt om de schade van [eiser] te vergoeden, stellen [gedaagden] dat Monkeysee dit bedrag met [gedaagde sub 1] heeft verrekend in rekening-courant. De rechtbank begrijpt uit hetgeen [gedaagde sub 1] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat Monkeysee het bedrag volledig heeft overgemaakt naar een privé-rekening van [gedaagde sub 1] omdat hij een rekening-courant vordering had op Monkeysee. De rechtbank oordeelt dat in zoverre er geen sprake is van verrekening, maar van een aflossing van een rekening-courant schuld van de vennootschap aan haar (indirect) bestuurder en aandeelhouder.
4.7.
In dit verband voeren [gedaagden] verder aan dat Monkeysee geen eigen financiële middelen had zodat [gedaagde sub 1] met eigen persoonlijke middelen de rekeningen van Monkeysee heeft betaald en dat hij bedragen (waaronder proceskosten) heeft voorgeschoten om de belangen van Monkeysee veilig te stellen. Monkeysee bood vanaf oktober 2020 feitelijk geen verhaal meer en draaide verlies. In 2022 of 2023 zijn de werkzaamheden van Monkeysee volgens [gedaagden] gestaakt. [gedaagde sub 1] heeft daarom gedurende die periode eigen middelen ter beschikking gesteld, aldus [gedaagden]
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] door het bedrag van € 34.650,- naar [gedaagde sub 1] over te (laten) maken een selectieve betaling hebben gedaan. In de situatie dat Monkeysee geen verhaal meer bood, hebben [gedaagden] er immers voor gekozen om het door Monkeysee ontvangen bedrag over te maken naar de indirect bestuurder van de vennootschap en de volgens hen enige andere schuldeiser op dat moment, [eiser] , te passeren. Dit wringt temeer omdat het ontvangen bedrag een uitkering was door de verzekeraar uit hoofde van de schadeplichtigheid van Monkeysee ten opzichte van [eiser] . [gedaagden] kan hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt en zij hebben daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] .
4.9.
De rechtbank oordeelt dat er sprak is van onrechtmatige selectieve betaling en dat [gedaagden] als (indirect) bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt doordat zij hebben bewerkstelligd dat Monkeysee alleen aan [gedaagde sub 1] een betaling heeft verricht en haar betalingsverplichting tegenover [eiser] niet is nagekomen, terwijl zij wisten of redelijkerwijs moesten begrijpen dat Monkeysee geen verhaal zou bieden aan [eiser] .
Aansprakelijkheid van [gedaagden]
4.10.
Uit al het voorgaande volgt dat Monkeysee Holding als bestuurder van Monkeysee aansprakelijk is voor de schade van [eiser] vanwege onrechtmatig handelen. Op grond van artikel 2:11 BW Pro is [gedaagde sub 1] als bestuurder van Monkeysee Holding hoofdelijk aansprakelijk naast Monkeysee Holding (zie 4.4). Er is geen sprake van de situatie dat [gedaagde sub 1] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat betekent dat de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.
Schade
4.11.
[gedaagden] moeten de schade van [eiser] die is veroorzaakt door hun onrechtmatig handelen, vergoeden. Om de hoogte van die schade te bepalen moet een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie en de hypothetische situatie zonder onrechtmatige daad van de bestuurder. Omdat [gedaagden] de ontvangen schade-uitkering van de verzekeraar niet hebben gebruikt om de schade van [eiser] te voldoen maar om de eigen rekening-courant vordering van [gedaagde sub 1] (deels) te voldoen, is de schade van [eiser] ten minste € 34.650,-. Hiervoor is geoordeeld dat [gedaagden] ook een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het niet doen van een tijdige melding aan de verzekeraar. Het is aannemelijk dat de verzekeraar bij tijdige melding het volledige bedrag zou hebben voldaan tot betaling waarvan Monkeysee is veroordeeld bij verstekvonnis op 22 juni 2022 (€ 41.657,36) of bij verzetvonnis op19 april 2023 (€ 44.128,360). Doordat [gedaagden] hebben bewerkstelligd dat Monkeysee in hoger beroep is gegaan en Monkeysee ook daar heeft verloren, is [eiser] geconfronteerd met nog meer kosten die niet verhaald konden worden. [gedaagden] betogen dat er geen causaal verband is tussen de schade van [eiser] en het niet tijdig melden van de aansprakelijkstelling, omdat de verzekeraar ook bij tijdige melding de schade van [eiser] niet volledig zou hebben vergoed. Zij verwijzen in dat verband naar de e-mail van de verzekeraar van 10 augustus 2022, waarin de verzekeraar schrijft dat in dat geval een afweging gemaakt zou zijn om tot een minnelijke regeling te komen met [eiser] waarbij niet het volledige bedrag zou hoeven worden vergoed. De rechtbank verwerpt dit betoog. Nog afgezien van het feit dat niet zeker is dat een minnelijke schikking (voor een lager bedrag) tot stand zou zijn gekomen, zou [eiser] in dat geval in ieder geval geen proceskosten hebben hoeven maken. Het gevorderde bedrag van € 49.734,24, zoals gespecificeerd in het overzicht van productie 23 van [eiser] waarvan de juistheid niet is betwist, is dan ook toewijsbaar.
Wettelijke rente
4.12.
De over het bedrag van € 49.734,24 gevorderde wettelijke rente (tot en met dagvaarding € 8.872,55), waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd, wordt toegewezen.
4.13.
De gevorderde rente is gelet op het bepaalde in art. 6:119 lid 2 BW Pro niet toewijsbaar over de reeds berekende rente (van € 8.872,55) voor zover deze niet over een geheel jaar verschuldigd is.
Buitengerechtelijke kosten
4.14.
[eiser] vordert vergoeding van € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 925,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
Beslagkosten
4.15.
[eiser] vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 1.273,90 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 1.290,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 1.290,00), totaal € 2.894,90.
4.16.
De gevorderde rente over de beslagkosten zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.17.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
1.043,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.960,04
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Hoofdelijkheid
4.19.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [eiser] en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 58.606,79, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat geen rente verschuldigd is over het in voormeld bedrag begrepen bedrag aan reeds verschenen rente (van € 8.872,55) voor zover die rente niet reeds over een heel jaar is verschuldigd,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.894,90, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.960,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Xanthopoulos en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.