Uitspraak
1.De procedure
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 13;
- het verweerschrift tevens houdende zelfstandig nevenverzoek met producties 1 tot en met 10;
- de akte houdende producties van 10Tables met producties 12 tot en met 15.
2.De feiten
dat u in strijd heeft gehandeld met uw verantwoordelijkheid als medebeheerder van de fooienpot, welke verantwoordelijkheid met zich brengt dat u volledig transparant, controleerbaar en zorgvuldig dient om te gaan met ontvangen contante bedragen; en/of
dat u door het onjuist registreren van het ontvangen bedrag een onvolledige en feitelijk onjuiste administratie heeft gevoerd met betrekking tot de fooienpot; en/of
dat u door uw handelswijze afbreuk heeft gedaan aan het systeem van onderlinge controle en vertrouwen waarop het beheer en de periodieke verdeling van de fooien is gebaseerd; en/of
dat uw handelen ertoe heeft geleid dat collega's zijn benadeeld in de gezamenlijke aanspraak op de ontvangen fooien, althans dat dit risico is ontstaan; en/of
dat u zich door uw handelswijze een bedrag heeft toegeëigend dat niet of niet volledig aan u toekwam; en/of
dat door uw handelswijze een ernstige vertrouwensbreuk is ontstaan, in het bijzonder waar het gaat om het omgaan met contante geldstromen binnen l0Tables; en/of
dat er door uw handelen geen vertrouwen (meer) bestaat dat u in de toekomst op zorgvuldige, volledige, waarheidsgetrouwe en/of transparante wijze contante ontvangsten zult registreren en beheren; en/of
dat er door uw handelen geen vertrouwen (meer) bestaat dat u zich in de toekomst strikt zult houden aan interne afspraken en procedures omtrent financiële administratie; en/of
dat uw handelswijze, mede gelet op het feit dat deze heeft plaatsgevonden tijdens werktijd en in aanwezigheid van een collega, de integriteit die van een medewerker mag worden verwacht ernstig heeft geschaad; en/of
dat uw gedrag een onwerkbare situatie binnen het team heeft gecreëerd, nu het beheer van de fooienpot uitsluitend kan functioneren op basis van volledige openheid, discretie, correcte registratie en onderling vertrouwen.
3.Het verzoek, verweer en tegenverzoek
"ik zal de fooi maar alvast gaan verdelen, want anders zie ik er niks meer van terug"), zoals blijkt uit de verklaring van [A] (productie 10 verweerschrift) en het feit dat [verzoeker] slechts een bedrag van € 20,00 aan fooi heeft geregistreerd en geen bonnetje bij de fooienpot heeft gelegd. [verzoeker] heeft bewust een onjuiste registratie gemaakt van de ontvangen fooi. Als hij de boodschappen had willen verrekenen zoals hij stelt is deze gang van zaken onnavolgbaar. In dat geval zou hij € 40,00 aan fooi hebben geregistreerd en het bonnetje bij de fooienpot gelegd. [verzoeker] heeft evenwel geen bonnetje bij de fooienpot neergelegd, zo blijkt uit de camerabeelden. 10Tables heeft het in het geding gebrachte (niet ondertekende) bonnetje (productie 9 verzoekschrift) pas op 12 maart 2026 door de gemachtigde van [verzoeker] toegezonden gekregen. [verzoeker] heeft ook niet met een collega of leidinggevende overleg gehad over het pakken van geld uit de fooienpot.
4.De beoordeling
ofop verzoek van de werknemer aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW Pro. Dit betekent dat op grond van voornoemd wetsartikel een keuze gemaakt dient te worden. De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] in het petitum van het verzoekschrift niet om vernietiging van het ontslag op staande voet heeft verzocht (enkel om het ontslag op staande voet ongeldig te verklaren) en zijn verzoek tot wedertewerkstelling heeft ingetrokken. Dit betekent dat de kantonrechter niet behoeft te beslissen op het primaire verzoek onder I. a). Zodoende zal de kantonrechter beoordelen of het op 27 februari 2026 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en of er aanleiding is om een vergoeding toe te kennen zoals subsidiair verzocht onder I. b) of meest subsidiair onder I. c).
100% zeker weetdat hij de versie zoals overgelegd als productie 1 bij het verweerschrift nooit gezien en ondertekend heeft en b) dat deze versie
hoogstwaarschijnlijkniet het exemplaar is dat hij heeft ondertekend, heeft [verzoeker] de toepasselijkheid van het door 10Tables overgelegde Huisreglement onvoldoende gemotiveerd betwist. Dit gelet op de door 10Tables als productie 12 tot en met 14 overgelegde verklaringen van haar medewerkers en mede-eigenaar de heer N. Verwold, waarin consequent wordt verklaard over het gebruik van een Hanos pas, betaalpas en eventueel – bij het zelf voorschieten van boodschappen – het invullen van een declaratieformulier. Hieruit blijkt dat het door 10Tables gevoerde Huisreglement kennelijk voldoende onder de werknemers is gecommuniceerd, althans bij meerdere collega’s bekend is. Uit het Huisreglement blijkt dat werknemers eventuele boodschappen ten behoeve van 10Tables kunnen doen met de daarvoor beschikbare Hanos pas en een bedrijfsbetaalpas. Daarnaast bevat het Huisreglement ook een werkwijze voor het geval deze twee opties niet beschikbaar zijn en de werknemer de boodschappen voorschiet. In dat geval wordt het betreffende bonnetje bij de werkgever ingeleverd en wordt een declaratieformulier ingevuld waarna 10Tables het voorgeschoten bedrag naar de betreffende werknemer overgemaakt. Dat deze werkwijze in de praktijk ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd wordt ondersteund door de declaratieformulieren die 10Tables in het geding heeft gebracht (productie 4 verweerschrift). Het Huisreglement vermeldt niets over verrekening met de fooienpot, integendeel, in het Huisreglement staat opgenomen dat de fooienpot onder de medewerkers wordt verdeeld en dat deze nergens anders voor mag worden gebruikt.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 39).
.Dit kan met name aan de orde zijn in rechtsverhoudingen waarin partijen in een ongelijke (machts)positie verkeren. Het beginsel van een effectieve rechtsbescherming brengt in zo’n geval mee dat de rechter ambtshalve toepassing moet geven aan de termijn. Indien het geldende uitgangspunt onverkort zou worden gevolgd betekent dit dat de rechter de werknemer niet zou hoeven of zelfs mogen beschermen tegen ‘te laat’ door de werkgever ingediende verzoeken. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter onwenselijk. In het geval de vervaltermijn niet ambtshalve wordt getoetst bij een werkgeversverzoek, dan kan een werkgever ook als de vervaltermijn is verstreken, maar de werknemer daarop (uit onwetendheid) geen beroep doet, alsnog aanspraak maken op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Dit sluit niet aan bij de aan het arbeidsrecht ten grondslag liggende gedachte dat de werknemer wegens de ongelijke (machts)verhouding bescherming behoeft. Vanuit die beschermingsgedachte zou de rechter de vervaltermijnen bij werkgeversverzoeken juist wel ambtshalve moeten toepassen. Daarom toetst de kantonrechter in deze zaak wel ambtshalve en vervult daarmee een actieve(re) rol om een effectieve rechtsbescherming te bieden. De kantonrechter stelt vast dat de vervaltermijn van twee maanden op 27 april 2026 is verstreken en het tegenverzoek op 29 april 2026 is ingediend. Met het verstrijken van de vervaltermijn is het recht op een vergoeding vervallen. 10Tables kan dus ook niet meer met een beroep op verrekening aanspraak maken op een in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vergoeding. Het tegenverzoek zal dan ook worden afgewezen.