ECLI:NL:RBOBR:2026:391

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
01.317350.23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van verdachte in zaak van poging tot doodslag en zware mishandeling

In deze strafzaak heeft de rechtbank Oost-Brabant op 28 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van poging tot doodslag en zware mishandeling. De zaak kwam aan het licht na een incident op 28 november 2023 in Eindhoven, waarbij de aangever letsel opliep aan zijn arm en bovenbeen. De verdachte, de ex-partner van de aangever, werd door de politie aangehouden na het incident. Tijdens de rechtszitting op 14 januari 2026 werd duidelijk dat de rechtbank niet tot een feitenvaststelling kon komen. De rechtbank kon niet vaststellen of de verdachte de aangever met een mes had gestoken of gesneden, wat leidde tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs was voor de tenlastelegging. De officier van justitie had gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, maar de rechtbank oordeelde dat de verklaringen van de aangever niet betrouwbaar waren en dat er onvoldoende bewijs was om de verdachte te veroordelen. Uiteindelijk sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle tenlasteleggingen, omdat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat de verdachte de feiten had gepleegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 01.317350.23
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [1995] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 december 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort en zakelijk weergegeven:
  • primair een poging tot doodslag, op of omstreeks 28 november 2023 in Eindhoven;
  • subsidiair zware mishandeling, op hetzelfde tijdstip en in dezelfde plaats;
  • meer subsidiair een poging tot zware mishandeling, op hetzelfde tijdstip en in dezelfde plaats.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I bij dit vonnis.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.
In de avond van 28 november 2023 vond een incident plaats in de keuken van een woning gelegen aan de [adres] te Eindhoven. De heer [aangever] (hierna: aangever, tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven) liep daarbij letsel op aan zijn arm en bovenbeen. Hierop werd verdachte, zijnde de ex- partner van aangever, door de politie aangehouden.
Diezelfde avond – vlak voor middernacht – werd aangever door de politie verhoord in het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven. In wezen heeft aangever verklaard dat verdachte hem – toen hij in de keuken een sigaret stond te roken – zonder enige aanleiding tot twee keren toe met een mes heeft gestoken: eenmaal in zijn pols en eenmaal in zijn bovenbeen.
Verdachte heeft bij de politie en ten overstaan van de rechtbank verklaard dat zij – kort gezegd – terwijl zij stond te koken, in de keuken door verdachte fysiek werd mishandeld, waarna zij op de grond viel. Nadat zij opstond, heeft zij ter zelfverdediging een mes van het aanrecht gepakt. Het mes hield zij met haar beide handen vast en dicht tegen haar lichaam. De punt van het lemmet wees op dat moment naar boven. Desondanks viel aangever verdachte wederom aan, waarna een worsteling ontstond. Tijdens de worsteling zag verdachte op enig moment dat de arm van aangever bloedde. Aangever is toen op een stoel in de eetkamer gaan zitten. Verdachte wilde het bij aangever ontstane letsel verzorgen, maar aangever stemde hier niet mee in. Vervolgens verliet aangever de woning.
Verdachte heeft (telkens) ontkend dat zij met het mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van aangever: ‘Ik had niet de bedoeling om iemand te steken. Ik heb ook geen stekende beweging gemaakt.’, zei verdachte ter terechtzitting van 14 januari 2026.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet kan worden bewezen verklaard, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – opzet heeft gehad op de dood van aangever. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, omdat het dossier onvoldoende medische informatie bevat over het letsel van aangever. Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste poging tot zware mishandeling heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring. Daartoe is – kernachtig weergegeven – aangevoerd dat verdachte, gelet op de wijze waarop en de conflictueuze omstandigheden waaronder zij het mes heeft gehanteerd (meer specifiek: tijdens een worsteling met aangever), onvoldoende controle had over dat mes. Tegen die achtergrond heeft verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarbij betrekt de officier van justitie ook de door verdachte verstuurde Whatsapp-berichten, waarin verdachte volgens de officier van justitie aangeeft dat ze aangever heeft gestoken.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft – op de gronden zoals verwoord in de schriftelijke pleitnotities – een integrale vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsregel
In algemene zin geldt dat voor een bewezenverklaring is vereist dat de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan – het een en ander zoals neergelegd in artikel 338 van het Wetboek van Strafvordering. Met andere woorden: er moet sprake zijn van wettig én overtuigend bewijs.
Goedbeschouwd dient de rechtbank op basis van de wettige bewijsmiddelen zonder redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte door hantering van een mes verantwoordelijk is voor het bij aangever ontstane letsel. Met andere woorden: heeft verdachte aangever met een mes in zijn arm en/of been gestoken en/of gesneden? Als die vraag bevestigend kan worden beantwoord, komt de rechtbank toe aan de vraag hoe dat handelen van verdachte is te kwalificeren.
Beoordeling bewijs
De rechtbank stelt vast dat de inhoud van de door aangever gedane aangifte niet wordt ondersteund door de overige bevindingen in het dossier. Sterker nog: de geloofwaardigheid van de door aangever afgelegde verklaring is naar het oordeel van de rechtbank (sterk) aan twijfel onderhevig. De redenen daarvoor zijn gelegen in de inhoud van de in deze zaak afgelegde getuigenverklaringen, alsook uit de door de politie geverbaliseerde bevindingen. Daaruit volgt onder meer dat aangever in de dagen voorafgaand aan en óp 28 november 2023 jegens verdachte (telkens) de agressor leek te zijn en (relationeel) geweld tegen niet leek te schuwen. De buurvrouw maakte zich zorgen om haar buurvrouw (verdachte) omdat ze al 10 minuten ruzie hoorde en de buurvrouw hoorde huilen. Ze hoorde ook een man hard schreeuwen. Hierop heeft zij verdachte gebeld en gevraagd of zij de politie moest bellen. Verdachte bevestigde dat, waarna de buurvrouw de politie heeft ingeseind. De politie nam vlak na het bewuste incident ook bij verdachte letsel waar, in het bijzonder een zwelling nabij, dan wel om haar linkeroog. In dat licht acht de rechtbank de verklaring van aangever, luidende dat verdachte hem zonder enige aanleiding met een mes heeft gestoken én hij verdachte niet heeft geslagen – hooguit een duw of klap ter zelfverdediging – ongeloofwaardig. Aannemelijker is dat aangever – gelet op de inhoud van het dossier – (ook) in de keuken fysiek geweld tegen verdachte heeft gebruikt. Het voorgaande brengt met zich dat de verklaring van aangever – voor zover deze inhoudt dat verdachte aangever met een mes in zijn pols en been heeft gestoken – naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer als bewijs(middel) kan worden gebezigd.
Voor wat betreft de door verdachte afgelegde verklaringen overweegt de rechtbank dat deze op sommige punten weliswaar met vraagtekens zijn omgeven. Niettemin biedt de verklaring van verdachte – bezien vanuit de genoemde bevindingen in het dossier – naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond te veronderstellen dat aangever haar op 28 november 2023 meermaals – mogelijk zelfs in de dagen daaraan voorafgaand – heeft mishandeld. Ook toen zij die avond in de keuken stonden. Echter: voor zover kan worden vastgesteld dat tussen beiden – nádat verdachte een mes van het aanrecht pakte – een worsteling ontstond, biedt de verklaring van verdachte geen grijpbare aanknopingspunten waaruit kan worden opgemaakt dat verdachte aangever met het genoemde mes heeft gestoken, of bewegingen met dat mes heeft gemaakt waarmee ze een aanmerkelijke kans aanvaarde dat zij aangever zou steken. Voor dat scenario bestaat alleen de verklaring van aangever, die de rechtbank niet betrouwbaar acht.
Ten aanzien van de door verdachte naar de heer [betrokkene] verstuurde WhatsApp-berichten (in het bijzonder de aard daarvan), is de rechtbank van oordeel dat deze het risico tot misinterpretatie herbergen. Daarbij kan op grond van de inhoud van het dossier niet eenduidig worden vastgesteld of de genoemde berichten vóór of ná haar aanhouding zijn verstuurd.
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank niet onomstotelijk worden vastgesteld hóé het letsel bij aangever is ontstaan, noch of verdachte daarvoor verantwoordelijk was. Oftewel: de rechtbank kan geen door verdachte verrichte handelingen vaststellen, laat staan handelingen juridisch duiden in de zin dat zij tot een bewezenverklaring van de in de tenlastelegging beschreven feitelijke gedragingen leiden.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat voor zover uit de feitenvaststelling volgt dat verdachte een mes ter hand heeft genomen, daaraan niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Conclusie
Alle bevindingen bij elkaar opgeteld maken dat de rechtbank op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting – indachtig het aan verdachte gemaakte verwijt – niet tot een feitenvaststelling kan komen. Daardoor is het voor de rechtbank eenvoudigweg niet mogelijk om vast te stellen of verdachte aangever met een mes in zijn arm en/of been heeft gestoken en/of gesneden.
Dat betekent dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de gehele tenlastelegging.

DE UITSPRAAK

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Zuithoff, voorzitter,
mrs. C.A. Mandemakers en C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 28 januari 2026.