In deze strafzaak heeft de rechtbank Oost-Brabant op 28 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van poging tot doodslag en zware mishandeling. De zaak kwam aan het licht na een incident op 28 november 2023 in Eindhoven, waarbij de aangever letsel opliep aan zijn arm en bovenbeen. De verdachte, de ex-partner van de aangever, werd door de politie aangehouden na het incident. Tijdens de rechtszitting op 14 januari 2026 werd duidelijk dat de rechtbank niet tot een feitenvaststelling kon komen. De rechtbank kon niet vaststellen of de verdachte de aangever met een mes had gestoken of gesneden, wat leidde tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs was voor de tenlastelegging. De officier van justitie had gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, maar de rechtbank oordeelde dat de verklaringen van de aangever niet betrouwbaar waren en dat er onvoldoende bewijs was om de verdachte te veroordelen. Uiteindelijk sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle tenlasteleggingen, omdat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat de verdachte de feiten had gepleegd.