Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3918

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
C/01/424232 / FT RK 26/81
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens onvoldoende steunvordering en pluraliteit schuldeisers

De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 2 juni 2026 het verzoek van een bedrijf tot faillietverklaring van een natuurlijke persoon die onder diverse handelsnamen actief was. De verzoekster stelde een vordering van €1.839,20 te hebben en voerde aan dat de schuldenaar meerdere schulden onbetaald liet, onderbouwd met e-mailcorrespondentie en mondelinge verklaringen.

De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was op grond van de Europese insolventieverordening, maar dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd. De e-mails toonden slechts aan dat de schuldenaar zijn financiële situatie wilde stabiliseren en liquiditeitsproblemen had, maar bewezen niet dat er meerdere schulden onbetaald waren. Mondelinge verklaringen waren onvoldoende verifieerbaar en er ontbraken concrete stukken zoals facturen of aanmaningen die een steunvordering konden bevestigen.

Gezien de ernstige gevolgen van een faillietverklaring eiste de rechtbank concrete en verifieerbare aanknopingspunten. Het ontbreken daarvan leidde tot de conclusie dat niet summierlijk was gebleken dat de schuldenaar was opgehouden met betalen. Daarom werd het verzoek tot faillietverklaring afgewezen.

De beschikking werd gegeven door rechter S.C.E.F. Moulen Janssen en uitgesproken in raadkamer. De verzoekster heeft het recht om binnen acht dagen hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van meerdere onbetaalde schulden en steunvordering.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Toezicht
Rekestnummer: C/01/424232 / FT RK 26/81
Uitspraakdatum: 2 juni 2026
Afwijzing verzoek faillietverklaring
in de zaak van:
[bedrijf] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: S.L. Smits-Emons,
tegen
[verweerder]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
voorheen handelende onder de namen [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en [naam] ,
voorheen zaakdoende te [adres] , [plaats] ,
voorheen ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
hierna te noemen: [verweerder] .

1.Het procesverloop

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 5 ingediend, ingekomen op de griffie op 13 maart 2026, strekkende tot faillietverklaring van [verweerder] . Bij brieven van 1 mei 2026 en 1 juni 2026 is het verzoekschrift met bijlage 6 respectievelijk bijlagen 7 tot en met 10 aangevuld.
1.2.
Bij brieven van deze rechtbank van 13 maart 2026 zijn [verzoekster] en [verweerder] opgeroepen om op de zitting te verschijnen.
1.3.
Het verzoekschrift is behandeld op de zitting van 2 juni 2026. Daarbij is [verzoekster] vertegenwoordigd door mr. S.L. Smits-Emons gehoord. [verweerder] is, alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.2. Het verzoek

2.1.
[verzoekster] heeft verzocht [verweerder] failliet te verklaren en heeft daartoe zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd. [verzoekster] heeft een vordering ter hoogte van in hoofdsom € 1.839,20. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie met [verweerder] blijkt dat [verweerder] meerdere schulden onvoldaan laat. Zo schrijft [verweerder] op 8 april 2026 dat hij enige tijd nodig heeft om zijn financiële situatie te stabiliseren. Verder schrijft [verweerder] op 31 maart 2026 dat hij in afwachting is van betalingen van opdrachtgevers, reden waarom hij genoodzaakt is kosten uit eigen middelen te voldoen hetgeen drukt op zijn liquiditeit. Ook heeft [verweerder] mondeling aangegeven dat [verzoekster] niet de enige partij is aan wie hij schulden onvoldaan laat.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventie procedures (herschikking) (hierna: IVO) bevoegd om, indien daartoe gronden aanwezig zijn, deze insolventieprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verweerder] in Nederland ligt.
3.2. Naar het oordeel van de rechtbank is summierlijk gebleken van het bestaan van een vordering van [verzoekster] op [verweerder] . Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende gebleken dat [verweerder] meerdere schulden onvoldaan laat. [verzoekster] stelt dat uit de e-mailcorrespondentie en mondelinge contacten met [verweerder] kan worden afgeleid dat sprake is van meerdere schulden. De rechtbank leidt uit de letterlijke tekst uit de overgelegde e-mailcorrespondentie echter niet af dat [verweerder] heeft erkend dat sprake is van meerdere schulden. Een verwijzing naar de stabilisatie van een financiële situatie en liquiditeitskrapte hoeft niet per definitie het bestaan van meerdere schulden te betekenen. Een eventuele mondelinge mededeling van [verweerder] aan de raadsvrouw van [verzoekster] is voor de rechtbank bovendien onvoldoende verifieerbaar. Er zijn daarnaast ook geen verifieerbare stukken, zoals facturen of aanmaningen, overgelegd waar het bestaan van een steunvordering uit blijkt. Gezien de vergaande gevolgen van een faillietverklaring moet worden verwacht dat het verzoek daartoe – ook voor wat betreft de steunvordering – voldoende concrete aanknopingspunten bevat om tot een dergelijke uitspraak te komen. De verwijzing naar e-mailcorrespondentie waar slechts in algemene zin wordt gesproken van stabilisatie van de financiële situatie en liquiditeitskrapte en niet te verifiëren mondelinge uitspraken van [verweerder] is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van het summierlijk blijken van een steunvordering. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat [verweerder] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, en uitgesproken in raadkamer van 2 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]