Art. 7b AKWArt. 33 NTVArt. 94 GrondwetVerdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheidECLI:NL:CRVB:2019:510
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Recht op kinderbijslag voor kinderen in Turkije bij dubbele nationaliteit zonder Nederlandse nationaliteit
Eiser, met de Turkse en Bulgaarse nationaliteit, diende een aanvraag in voor kinderbijslag voor zijn drie minderjarige kinderen die in Turkije wonen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees deze aanvraag af op grond van artikel 7b lid 1 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), stellende dat export van kinderbijslag naar Turkije niet mogelijk is voor personen met de Nederlandse nationaliteit of dubbele nationaliteit.
Eiser betoogde dat het Verdrag tussen Nederland en Turkije (NTV) geen uitsluiting kent voor personen met dubbele nationaliteit zonder Nederlandse nationaliteit en dat de Svb onterecht onderscheid maakt. De rechtbank volgde eiser en stelde vast dat de CRvB-uitspraak van 14 februari 2019 alleen ziet op personen met de Nederlandse nationaliteit naast de Turkse, en dat eiser niet onder die categorie valt.
De rechtbank concludeerde dat artikel 7b lid 1 AKW in het geval van eiser in strijd is met artikel 33 lid 1 vanPro het NTV en daarom buiten toepassing moet worden gelaten. De Svb heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen en moet een nieuwe beslissing nemen. Tevens gaf de rechtbank een terugkoppeling aan de wetgever over het ongelijke onderscheid tussen personen met en zonder Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank wees het beroep toe, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de Svb het betaalde griffierecht aan eiser vergoedt.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de Svb en draagt op tot hernieuwde beoordeling van de kinderbijslagaanvraag.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3518
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (de Svb)
(gemachtigde: mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor kinderbijslag voor zijn drie minderjarige kinderen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van die aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb de aanvraag voor kinderbijslag ten onrechte heeft afgewezen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2024 voor zijn drie in Turkije verblijvende kinderen. De Svb heeft deze aanvraag met het besluit van 22 augustus 2025 (primaire besluit) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
De Svb is met het besluit van 8 december 2025 (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Beide partijen zijn niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is geboren in Bulgarije en heeft de Bulgaarse en de Turkse nationaliteit. Hij woont of werkt vanaf 1 april 2024 in Nederland en heeft hier een verblijfsvergunning. Zijn drie minderjarige kinderen, [naam] , [naam] en [naam] , wonen in Turkije. Op 18 augustus 2025 heeft eiser bij de Svb een aanvraag ingediend voor kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanaf het derde kwartaal van 2024 voor zijn drie in Turkije verblijvende kinderen.
Het bestreden besluit
3.1.
De Svb heeft met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, deze aanvraag afgewezen. De Svb legt hieraan ten grondslag dat de export van kinderbijslag naar Turkije beperkt is. Eiser heeft een dubbele nationaliteit. Volgens de Svb voldoet eiser daarmee niet aan de voorwaarden voor de kinderbijslag. Export van kinderbijslag naar Turkije is namelijk niet mogelijk voor personen met de Nederlandse nationaliteit of met een dubbele nationaliteit. Daarom heeft de Svb bepaald dat eiser geen recht op kinderbijslag heeft over de periode vanaf het derde kwartaal van 2024 tot en met het derde kwartaal van 2025 voor zijn drie in Turkije verblijvende kinderen. De Svb verwijst naar de uitspraak van Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 februari 2019. De beroepsgronden
3.2.
Eiser betoogt dat in het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (NTV) nergens staat dat personen met een dubbele nationaliteit zijn uitgesloten. Volgens eiser past de Svb een beperking toe die niet in het verdrag staat. Eiser geeft aan dat hij sinds 1 april 2024 in [woonplaats] woont en in loondienst werkt, waardoor hij naar zijn mening is verzekerd onder de AKW. Daarnaast stelt eiser structureel bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Hij stuurt regelmatig geld naar hun moeders en de eigenaar van de crèche. Volgens eiser zijn deze transacties volledig traceerbaar. De Svb maakt een ongerechtvaardigd onderscheid, aldus eiser. Een werknemer met alleen de Turkse nationaliteit krijgt wel kinderbijslag, terwijl iemand met een dubbele nationaliteit dat niet krijgt. De Svb verwijst naar de uitspraak van CRvB van 14 februari 2019. Volgens eiser is de situatie in die uitspraak niet vergelijkbaar met zijn situatie, nu het in die uitspraak niet gaat over een persoon met een Turkse en niet-Nederlandse dubbele nationaliteit.
Het verweerschrift
3.3.
De Svb verwijst in het verweerschrift naar het bestreden besluit. De in het bestreden besluit genoemde uitspraak van de CRvB van 14 februari 2019 is de uitspraak met vindplaats ECLI:NL:CRVB:2019:510.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of de Svb terecht geen kinderbijslag heeft toegekend over de periode vanaf het derde kwartaal van 2024. De rechtbank verwijst voor de relevante bepalingen naar de bijlage bij deze uitspraak.
Toepasselijkheid artikel 7b, eerste lid, van de AKW
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de Svb ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen op grond van artikel 7b, eerste lid, van de AKW. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
4.1.1.
De CRvB heeft in de uitspraak van 14 februari 2019 overwogen dat de voorwaarde van artikel 7b, eerste lid, van de AKW, inhoudende dat een kind van de verzekerde in Nederland dient te wonen, ten aanzien van Turkse werknemers die niet tevens de Nederlandse nationaliteit bezitten en die in Nederland werkzaam zijn, in strijd is met artikel 33, eerste lid, van het NTV. [1] De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser in Nederland werkzaam is en dat zijn kinderen in Turkije wonen.
4.1.2.
Het betoog van de Svb komt er in de kern op neer dat uit deze uitspraak van de CRvB volgt dat de export van kinderbijslag naar Turkije niet is toegestaan indien de verzekerde naast de Turkse ook een andere nationaliteit heeft, ongeacht welke nationaliteit dat is. Omdat daarvan in eisers geval ook sprake is, stelt de Svb zich op het standpunt dat uit deze uitspraak volgt dat de Svb in het bestreden besluit de exportbeperking en het woonlandbeginsel terecht heeft toegepast.
4.1.3.
De rechtbank volgt de Svb hierin niet. In deze uitspraak is namelijk voor de CRvB van doorslaggevend belang dat de betrokkenen in die uitspraak naast de Turkse nationaliteit ook de Nederlandse nationaliteit hadden of afstand hadden gedaan van de Turkse nationaliteit en alleen nog de Nederlandse nationaliteit hadden. Met het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit vervalt immers de aanleiding voor het verlenen van aanspraken in het kader van gelijkstelling naar nationaliteit als bedoeld in het NTV, omdat personen met de dubbele nationaliteit waaronder de Nederlandse per definitie hetzelfde worden behandeld als personen met uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. [2] De rechtbank leidt hieruit af dat alleen personen met een dubbele nationaliteit, waarvan één van deze nationaliteiten de Nederlandse is, niet onder de werkingssfeer van artikel 33, eerste lid, van het NTV vallen. Dat is niet het geval bij eiser, nu hij naast de Turkse niet ook de Nederlandse nationaliteit bezit. Anders dan de Svb stelt is dus van belang welke andere nationaliteit de verzekerde naast de Turkse nationaliteit heeft. Dit betekent dat de conclusie van de CRvB in de uitspraak van 14 februari 2019 over de artikelen 7b, eerste lid, van de AKW en 33, eerste lid, van het NTV voor eiser geldt.
4.2.
Wat hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat artikel 7b, eerste lid, van de AKW in het geval van eiser in strijd is met artikel 33, eerste lid, van het NTV. Ingevolge artikel 94 vanPro de Grondwet mag daarom artikel 7b, eerste lid, van de AKW in het geval van eiser niet worden toegepast. Dit betekent dat de Svb ten onrechte de aanvraag van eiser heeft afgewezen met toepassing van artikel 7b, eerste lid, van de AKW. De beroepsgrond van eiser slaagt. Nu deze beroepsgrond slaagt, behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking meer.
Conclusie
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat de Svb de aanvraag van eiser voor kinderbijslag voor zijn drie in Turkije wonende kinderen ten onrechte heeft afgewezen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank heeft immers door de afwezigheid van de Svb tijdens de zitting niet kunnen vaststellen of in eisers geval aan de overige voorwaarden voor kinderbijslagverlening is voldaan. Dit zal de Svb alsnog moeten beoordelen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de Svb een nieuwe beslissing op het bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Terugkoppeling aan de wetgever
4.4.
De toepasselijkheid van artikel 33, eerste lid, van het NTV heeft tot het gevolg dat personen met de Turkse nationaliteit en personen met de Turkse nationaliteit en een andere nationaliteit dan de Nederlandse, aanspraak kunnen maken op kinderbijslag ondanks dat hun kinderen in Turkije wonen. Personen met de Nederlandse nationaliteit waarvan de kinderen in Turkije wonen maken ingevolge artikel 7b, eerste lid, van de AKW geen aanspraak op kinderbijslag. Kortom, de eerste groep personen die niet de Nederlandse nationaliteit bezit verkeert dus in een gunstigere positie dan de groep personen die de Nederlandse nationaliteit wel bezit. Bij de rechtbank rijst de vraag of dit gevolg beoogd en wenselijk is. Het is echter aan de wetgever om dit nader te bezien evenals te bezien op welke wijze dit gevolg zou kunnen worden beperkt of voorkomen.
Proceskosten
5. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 december 2025;
draagt de Svb op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de Svb aan eiser het betaalde griffierecht van € 53,00 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, voorzitter, en mr. S.A.J. de Jong-Nibourg en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
de griffier is verhinderd deze
uitspraak mede te ondertekenen
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Grondwet
Artikel 94
Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Algemene Kinderbijslagwet
Artikel 7b
1. Geen recht op kinderbijslag heeft de verzekerde ten behoeve van het kind, indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land waarin ten behoeve van hem op grond van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU L 166) recht op kinderbijslag bestaat.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien het kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont doch langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ten behoeve van het kind dat op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont, recht bestaat op kinderbijslag voor:
a. de verzekerde, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;
b. de verzekerde, die in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde verzekerde.
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid, Ankara, 05-04-1966
Artikel 33
1. Turkse werknemers die werkzaam zijn in Nederland en waarvan de kinderen in Turkije verblijven of worden opgevoed, hebben recht op kinderbijslag op dezelfde voorwaarden als Nederlandse werknemers.
2. Indien de persoon aan wie de kinderbijslagen moeten worden verleend, deze niet voor het onderhoud van de gezinsleden besteedt, betaalt het Nederlandse orgaan, op verzoek en door tussenkomst van het te dien einde door de Turkse bevoegde autoriteit aangewezen orgaan deze kinderbijslagen uit aan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon ten laste waarvan de gezinsleden in feite komen, hetgeen volledige kwijting inhoudt.