Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.[gedaagde 1] [plaats] ,
[gedaagde 2]te [plaats] ,
1.Inleiding
2.De procedure
3.De feiten
er vanaf 1 mei 2013 een mondelinge huurovereenkomst bestaat die thans schriftelijk wordt vastgelegd.” De overeenkomst vermeldt onder meer dat facturatie en betaling van de huurpenningen loopt via [L] , dat de overeenkomst is aangegaan voor vijf jaar en loopt tot en met 30 april 2018, waarna de overeenkomst wordt voortgezet voor een aansluitende periode van vijf jaar, dus tot en met 30 april 2023.
welke hierbij schriftelijk wordt vastgelegd”. Artikel 1 van Pro de serviceovereenkomst luidt als volgt
1. Opdrachtnemer zal per 1 september 2013 materieel ter beschikking stellen voor het wegen en verplaatsen van materialen alsmede het leveren van diesel t.b.v. eigen materieel van opdrachtgever voor een bedrag van € 7.000 per maand.
1. Sinds 2021 zijn de activiteiten van [A] (zwaar) verliesgevend omdat er geen omzet zou worden gegenereerd, terwijl de kosten doorlopen.
4.Het geschil
- begroot op een bedrag van € 1.000.000; dan wel
- begroot op een door de rechtbank in goede justitie de bepalen bedrag; dan wel
- nader op te maken bij staat
5.De beoordeling
5.3 Ingevolge art. 2:9 BW Pro is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Deze bepaling wordt naar vaste rechtspraak aldus uitgelegd, dat voor aansprakelijkheid op de voet daarvan noodzakelijk is dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling of de bestuurder inderdaad een ernstig verwijt treft als zojuist bedoeld, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken (HR 29 november 2002, nr. C 01/096, NJ 2003, 455).
waaromde omzet is stil gevallen en de shredder geen materiaal meer heeft verwerkt. [eiseres] stelt dat uit onderzoek niet duidelijk is geworden waarom de shredder is gestopt; of dat was omdat [M] stopte met leveringen, of omdat [L] is opgehouden verwerkt materiaal van [M] af te nemen, of omdat de shredder is stop gezet. Zij heeft op dit punt voorts nog gesteld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten onrechte niets hebben ondernomen om de leveringen weer op peil te krijgen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wijzen erop dat [B] het stopzetten van de shredder heeft veroorzaakt, omdat hij zelf het verwerkingsmateriaal van [M] is gaan afnemen, waardoor [M] het materiaal niet meer aan [A] aanbood. Dit punt wordt pas relevant op het moment dat, anders dan [eiseres] stelt, de shredder eerder dan 1 september 2021 is stop gezet. Dan wordt pas relevant wat de reden is geweest voor het stopzetten van de shredder en of iemand hiervan een verwijt kan worden gemaakt en zo ja wie en of dit leidt tot een aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] . Omdat de Ondernemingskamer tot het oordeel is gekomen dat de shredder tot en met augustus 2021 is blijven produceren, heeft zij zich hierover niet uitgelaten. De rechtbank zal dan ook pas nadat de bewijsopdracht is uitgevoerd, hierover oordelen.
6.De beslissing
24 juni 2026voor uitlating door [eiseres] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;
24 juni 2026in het geding moet brengen;
24 juni 2026waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;