ECLI:NL:RBOBR:2026:393

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
01-220897-24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Meermalen ontuchtige handelingen met minderjarige

Op 28 januari 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meermalen ontuchtige handelingen met een minderjarige. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 maart 2022, in Oirschot, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een jongen die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. De verdachte, geboren in 1974 en momenteel gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught, heeft tijdens het proces een bekennende verklaring afgelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat er geen gronden waren voor schorsing van de vervolging. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, terwijl de verdediging pleitte voor een schuldigverklaring zonder strafoplegging op basis van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft uiteindelijk besloten om geen gevangenisstraf op te leggen, maar heeft wel een schadevergoeding van € 2.000,00 aan de benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft de verdachte ook veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken en is openbaar gemaakt op 28 januari 2026.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 01.220897.24
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,
momenteel gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (P.I.) Vught, Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC).
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 december 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort en zakelijk weergegeven – meermalen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 maart 2022 te Oirschot.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I bij dit vonnis.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.
Op 27 september 2023 is verdachte door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld, omdat hij zich in de periode van bijna tien jaren meermalen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij vijf minderjarige jongens. Op 22 mei 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd.
De moeder van het in déze zaak aangewezen slachtoffer sprak reeds eerder, te weten in maart 2022, met de zedenpolitie. De voornaamste aanleiding hiervoor was de vriendschappelijke relatie tussen verdachte en haar gezin (bestaande uit haarzelf, haar echtgenoot en haar twee minderjarige zoons). Er waren toen (nog) geen aanwijzingen te veronderstellen dat verdachte zich ook jegens (één van) haar minderjarige zoons schuldig had gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen.
Op 1 februari 2024 is verdachte, in aanloop naar de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep, door de politie aanvullend verhoord. Tijdens dat verhoor heeft verdachte verklaard dat hij tijdens de COVID-19 periode verschillende keren het geslachtsdeel van één van de hiervoor genoemde minderjarige zoons heeft betast. Het betreffende jongetje was destijds twaalf jaren oud. Tot dan toe hulde verdachte zich hierover nog in stilzwijgen.
Op 15 maart 2024 deed de moeder van het slachtoffer, nadat zij door de politie van deze verklaring van verdachte op de hoogte was gebracht, (namens haar zoon) aangifte.
Op 4 maart 2024 is het slachtoffer, op dat moment een jongen van veertien jaar, in deze zaak bij de politie gehoord. Zijn verklaring komt er op neer dat hij in de tenlastegelegde periode regelmatig contact met verdachte had, dat ze – onder meer – samen gingen gamen, maar dat hij zich van ontuchtige handelingen niets kan herinneren.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Naast de bekennende verklaring van verdachte, heeft de officier van justitie zich – voor wat betreft het steunbewijs – gebaseerd op hetgeen de rechtbank Oost-Brabant in het door haar op 27 september 2023 gewezen vonnis heeft overwogen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dat kan worden gebruikt als schakelbewijs, nu de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidende feiten destijds door verdachte zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen met de inhoud van de bekennende verklaring van verdachte aangaande de onderhavige verdenking.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich – op de gronden als verwoord in de schriftelijke pleitnota – op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank. [1]
Gezien de bekennende verklaring van verdachte en het standpunt van zijn raadsman volstaat de rechtbank – behoudens een bijzondere overweging met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door verdachte afgelegde verklaring – met een opgave van de bewijsmiddelen conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt:
  • de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2026;
  • een proces-verbaal van aangifte van 15 maart 2024, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , pag. 10-11, 14-15;
  • een proces-verbaal van verhoor slachtoffer van 4 maart 2024, opgemaakt en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pag. 16-19.
De betrouwbaarheid van door verdachte afgelegde verklaring
Verdachte heeft op 1 februari 2024 bij de politie én ter terechtzitting van 14 januari 2026 een bekennende verklaring afgelegd.
De rechtbank is – anders dan de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat ten aanzien van de door verdachte afgelegde verklaring geen schakelbewijsconstructie hoeft te worden gehanteerd, nu de rechtbank de verklaring van verdachte op zichzelf bezien betrouwbaar acht. Zo wordt uit het dossier duidelijk dat verdachte bij zijn verhoor bij de politie op 1 februari 2024 wroeging heeft getoond voor de door hem begane daden jegens meerdere minderjarige jongens; hetgeen weerklank vond in de door hem ter terechtzitting bij de rechtbank afgelegde verklaring. Daarbij komt dat verdachte – naast de feiten die hij reeds eerder heeft bekend en waarvoor hij intussen (in hoger beroep) onherroepelijk is veroordeeld – uit zichzelf heeft bekend meerdere keren ontucht te hebben gepleegd bij het in deze zaak aangewezen slachtoffer. De verklaring van verdachte wordt bovendien ondersteund door wettige bewijsmiddelen. In dat verband wijst de rechtbank op de inhoud van de door moeder (namens haar zoon) gedane aangifte en de verklaring van het slachtoffer, voor zover daaruit volgt dat verdachte in de ten laste gelegde periode regelmatig – in de periode dat zij samen gameden – contact had met het slachtoffer op de door verdachte genoemde locatie (betreffende het ‘kantoortje´ in de woning van de ouders van het slachtoffer te Oirschot). Daarnaast komt de wijze waarop en de omstandigheden waaronder verdachte bij het genoemde slachtoffer ontucht heeft gepleegd, overeen met de door hem bij andere minderjarige jongens gepleegde ontuchtige handelingen – waarover verdachte ook op 1 februari 2024 bij de politie een verklaring heeft afgelegd.
De rechtbank is zodoende van oordeel dat ook zónder gebruikmaking van schakelbewijs is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgegeven bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
in de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 maart 2022 te Oirschot, meermalen met [slachtoffer] (geboren op [2009] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het stoppen/steken van de hand in de broek van [slachtoffer] en het betasten/aanraken van de penis van [slachtoffer] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit en van verdachte.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit en van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden op te leggen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft – op de gronden als verwoord in de schriftelijke pleitnota – bepleit dat kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 maart 2022 meermaals schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij een destijds twaalfjarige jongen.
Verdachte heeft door zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer en is – zo verklaarde hij ter terechtzitting – gezwicht voor zijn eigen lusten, zonder zich te bekommeren om de schadelijke gevolgen van zijn handelen. Verdachte was een goede vriend van het gezin van het slachtoffer en kwam regelmatig bij hen over de vloer. Het slachtoffer logeerde ook weleens bij hem en zijn (toenmalige) echtgenote. Verdachte was bovendien de peetoom van het broertje van het slachtoffer. In die context heeft verdachte ernstig misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen en van de toegang die hij tot het gezin en het slachtoffer had.
Verdachte heeft het vertrouwen dat de ouders van het slachtoffer in hun sociale omgeving moeten kunnen stellen en hebben gesteld ernstig ondermijnd. Bovendien heeft hij bij hen de angst aangewakkerd niet op anderen te kunnen vertrouwen. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en de namens de ouders van het slachtoffer voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat de (psychische) gevolgen voor het gezin veelomvattend en (zeer) ingrijpend zijn. Bovenal zijn deze gevolgen – met het oog op de toekomst – nog onzeker. In het bijzonder waar het de (verdere) ontwikkeling van het slachtoffer betreft. Het is immers – in algemene zin – niet uit te sluiten dat (verdere) gevolgen zich pas op een later moment manifesteren, bijvoorbeeld in de vorm van vertrouwensproblemen, relationele moeilijkheden of psychische klachten. Het is verdachte die door zijn handelen een situatie heeft gecreëerd waarin het gezin moet leven met de vraag welke invloed het misbruik al dan niet op de (verdere) ontwikkeling van het slachtoffer zal hebben.
Persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte volgt dat verdachte in 2005 is veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren. In 2009 werd hij veroordeeld voor het bezit van kinderpornografisch materiaal. Op 27 september 2023 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege, omdat hij zich – als gezegd – in de periode van bijna tien jaren meermalen schuldig had gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij vijf minderjarige jongens. Op 22 mei 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dit vonnis bevestigd. De rechtbank merkt hierbij op dat het laatste gedeelte van de toen bewezen verklaarde pleegperiode (dus: 1 januari 2021 tot en met 29 januari 2022) zo goed als de gehele periode omspant waarin verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij het in deze zaak aangewezen slachtoffer.
Er zijn ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van onderhavige zaak geen rapportages uitgebracht. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte sinds april 2024 is overgeplaatst naar het PPC. Sinds juni 2025 is verdachte tbs-passant; dat wil zeggen dat hij momenteel in afwachting is van plaatsing in een tbs-kliniek. Op 31 oktober 2025 is door het PPC een behandelovereenkomst gerealiseerd waarin de ontwikkeling van verdachte staat beschreven alsook waarin behandeldoelen zijn geformuleerd. Daarmee wordt beoogd dat verdachte (meer) inzicht krijgt in zijn problematiek en daar (op adequate wijze) mee kan leren omgaan. Uit die overeenkomst leidt de rechtbank af dat bij verdachte een pedofiele stoornis: niet-exclusieve type (seksueel aangetrokken tot jongens) is vastgesteld.
De op te leggen straf
De raadsman heeft zich, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn proceshouding, op het standpunt gesteld dat door de rechtbank kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
In algemene zin overweegt de rechtbank dat indien de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan, in het vonnis kan worden bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
De rechtbank ziet nu, mede refererend aan wat de raadsman hierover ter terechtzitting heeft aangevoerd, geen redelijk doel bij het opleggen van een (gevangenis)straf – hoezeer de rechtbank het verdriet van de familie van het slachtoffer ook erkend en zich zeer goed realiseert welk leed verdachte hen heeft aangedaan. De rechtbank overweegt daartoe onder meer dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Hoewel dat in formele zin geen beletsel voor het nu opleggen van een straf met zich brengt, overweegt de rechtbank in dat licht dat door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch geen zwaardere straf zou zijn opgelegd in het geval dat dit feit gelijktijdig zou zijn behandeld met de destijds door het hof bewezen verklaarde feiten in de zaak met parketnummer 20.002673.23 (rechtsmiddel van 01.034434.22). Daar komt bij dat verdachte op dit moment al enige tijd in afwachting is van een plaatsing in een tbs-kliniek. De landelijke ‘passantenproblematiek’ bestaat al jaren en de wachttijden zijn mettertijd alleen maar langer geworden. Oplegging van een gevangenisstraf zal het vooruitzicht op een voortvarende plaatsing in een tbs-kliniek nog verder belemmeren. Naar het oordeel van de rechtbank is dat onverenigbaar met de door diverse partijen onderstreepte noodzaak dat verdachte zo snel mogelijk voor zijn problematiek wordt behandeld. De rechtbank betrekt hierbij ook dat verdachte zich ter terechtzitting schuldbewust heeft getoond, openheid van zaken heeft gegeven en daarmee – in zijn woorden – schoon schip heeft willen maken. Ook is hij bereidwillig en gemotiveerd om een behandeltraject in een tbs-kliniek aan te gaan.
Gelet hierop zal de rechtbank toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en – anders dan de officier van justitie heeft gevorderd – aan verdachte geen (gevangenis)straf opleggen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot een bedrag van € 2.000,00 bestaande uit vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij heeft gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de civiele vordering tot schadevergoeding geheel toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de civiele vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen, in zoverre dat een bedrag tussen de € 1.000,00 en € 2.000,00 – gelet op de aard en ernst van onderhavig feit én de frequentie van de door verdachte gepleegde handelingen – passend zou zijn. Voor de exacte hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de door verdachte gepleegde normschending van dien aard zijn dat de rechtbank daarom – gelet op vaste rechtspraak – aanneemt dat de benadeelde partij in de persoon is aangetast.
De rechtbank acht de vordering genoegzaam onderbouwd en zodoende in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2022, zijnde de einddatum van de bewezen verklaarde pleegperiode, tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer betaalt, vermeerderd met de wettelijke rente.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 247 (oud) Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
  • verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
De rechtbank bepaalt dat ten aanzien van het bewezen verklaarde geen straf wordt opgelegd.
De rechtbank legt op de volgende maatregel:
- een maatregel van schadevergoeding:
De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij] , van een bedrag van 2.000,00 euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2022, zijnde de einddatum van de bewezen verklaarde pleegperiode, tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] :
De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van een bedrag van 2.000,00 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2022, zijnde de einddatum van de bewezen verklaarde pleegperiode, tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mrs. C.W.H. Houg en S. Zuithoff, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 28 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, DRR, Team zeden & TBKK, BVH nummer: PL2100-2022048343, afgesloten op 13 juni 2024, met in totaal 74 doorgenummerde bladzijden.