Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3976

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
25/1169
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1.6 Invoeringsbesluit OmgevingswetArt. 5.30 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 2.5 Activiteitenbesluit milieubeheerArt. 2.6 Activiteitenbesluit milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij handhavingsverzoek emissiegrenswaarden

Eisers hebben het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant verzocht handhavend op te treden tegen [naam] vanwege vermeende overschrijding van emissiegrenswaarden voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Het college wees dit verzoek af, waarna eisers bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden tegen het bestreden besluit.

De rechtbank oordeelt dat sinds 1 januari 2024 de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing zijn, waarbij de systematiek van emissiegrenswaarden per puntbron is gewijzigd ten opzichte van het oude Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). De overgangsregeling houdt in dat de oude regels tot 1 januari 2026 nog van toepassing waren, maar daarna niet meer.

De kern van het geschil is of eisers nog procesbelang hebben bij hun beroep. De rechtbank stelt dat de systematiek van het nieuwe recht ingrijpend is gewijzigd, waardoor een overtreding onder het oude recht niet gelijkstaat aan een overtreding onder het nieuwe recht. Hierdoor kan het beroep niet meer leiden tot het beoogde handhavend optreden. Eisers hebben geen ander doel gesteld dan handhaving en hebben inmiddels een nieuw handhavingsverzoek ingediend dat onder het nieuwe recht zal worden beoordeeld.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang en zal het beroep niet inhoudelijk behandelen. Eisers hebben geen recht op proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant op 8 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep van eisers wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door de ingrijpende wijziging van de wettelijke systematiek.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, bestuursrecht,
zaaknummer SHE 25/1169

Uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[eisers]
,
uit [vestigingsplaats] , eisers
(gemachtigde: [naam] ),
en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant(gemachtigde: mr. R. Meijs).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , [naam]
(gemachtigde: mr. T.N. Sanders).
Samenvatting
Eisers willen dat het college handhavend optreedt tegen [naam] vanwege de overschrijding van emissiegrenswaarden voor zeer zorgwekkende stoffen. Het college heeft dat geweigerd. De rechtbank verklaart het beroep van eisers niet-ontvankelijk. Eisers hebben geen procesbelang meer omdat de systematiek van de toepasselijke wettelijke bepalingen ingrijpend is gewijzigd. Overtreding van de oude wettelijke bepaling is niet mede een overtreding van de nieuwe wettelijke bepaling.

Inleiding

1. Op 28 januari 2024 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden tegen [naam] , omdat [naam] volgens eisers de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) heeft overschreden. Eisers hebben aangegeven dat het verzoek ziet op alle fabrieken en alle ZZS. Zij hebben op het vermijdings- en reductieprogramma 2023 van [naam] gewezen. Daarin staat volgens hen een groot aantal ZZS waarvoor de emissiegrenswaarden worden overschreden. Het gaat om stoffen in de stofklassen MVP1 en MVP2. [1]
1.1.
Het college heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 17 oktober 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en vastgehouden aan de afwijzing van het handhavingsverzoek. Volgens het college is geen sprake van overtreding van een norm. Het college heeft de emissiegegevens van de emissierapporten [naam] uit 2023 doorgerekend. Daarbij heeft het college de rekenregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer toegepast. Daarnaast hebben medewerkers van het Team Metingen en Onderzoek op 30 mei 2024 bij de twee emissiepunten van de Soudalfabriek emissiemetingen voor de stoffen MVP1 en MVP2 uitgevoerd. Na het toepassen van alle beoordelingsparameters bleek dat de grensmassastroom van de emissies bij deze emissiepunten niet werd overschreden. Volgens het college hoeft daarom geen toetsing meer plaats te vinden aan de emissiegrenswaarden van tabel 2.5 van artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
1.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
[naam] heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroepschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- de gemachtigde van eisers,
- de gemachtigde van het college en [naam]
- de gemachtigde van [naam] en [naam]

Toepasselijk recht

2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) in werking getreden. Deze wetgeving is bepalend voor de beoordeling van het beroep. [2]
2.1.
De activiteit is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Op grond van artikel 5.30, eerste lid, van het Bal gelden emissiegrenswaarden voor de emissie in de lucht vanuit alle puntbronnen.
2.2.
Op grond van artikel 8.1.6 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet geldt overgangsrecht voor activiteiten waarvoor op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer een uitzondering of voorwaarde is opgenomen voor de toepassing van een bepaling. Dat is voor deze activiteit het geval. Tot 1 januari 2024 gold het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). Die bepaling kende ook emissiegrenswaarden per bron. Op grond van artikel 2.5, eerste lid en vierde lid, van het Abm golden de emissiegrenswaarden per puntbron echter alleen als de totale emissie van de hele inrichting boven de grensmassastroom voor de betreffende stofklasse uit kwam. Er golden een grensmassastroomdrempel en een sommatiebepaling. Daarmee golden onder het oude recht een voorwaarde en een uitzondering voor de toepassing van de emissiegrenswaarden per puntbron.
2.3.
Op grond van artikel 8.1.6, tweede en derde lid, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet blijven voorwaarden en uitzonderingen, zoals die luidden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, nog twee kalenderjaren na de inwerkingtreding van die wet op die activiteit van toepassing. [3] Ten tijde van het bestreden besluit golden de emissiegrenswaarden per puntbron dus niet als de totale emissie van alle puntbronnen binnen de hele inrichting beneden de grensmassastroom voor de betreffende stofklasse bleef. De voorwaarden en uitzonderingen uit artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit zijn tot 1 januari 2026 van toepassing gebleven.

Procesbelang eisers3.Tussen partijen is in geschil of eisers nog procesbelang hebben bij een uitspraak op het beroep.

3.1.
Procesbelang is het belang dat eisers hebben bij de uitkomst van de procedure. Dit betekent dat het doel dat eisers voor ogen staat met het instellen van beroep kan worden bereikt en voor hen van feitelijke betekenis is. Als er geen procesbelang meer bestaat, is het beroep niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
3.2.
[naam] voert aan dat eisers geen procesbelang meer hebben. Eisers beogen handhavend optreden wegens strijd met artikel 2.5 van het Abm. Dat kunnen zij niet meer bereiken met deze beroepsprocedure. Sinds 1 januari 2026 geldt de nieuwe systematiek van artikel 5.30 van het Bal. De grensmassastroomdrempel is vervallen. Een overtreding onder het oude recht is geen overtreding onder het nieuwe recht omdat de systematiek ingrijpend is gewijzigd. Bovendien wordt de overtreding volgens het nieuwe recht niet door [naam] begaan. Het gaat dan immers niet meer om degene die de inrichting drijft. Handhaving wegens overtreding van het nieuwe recht is volgens [naam] dan ook niet mogelijk.
3.2.
Eisers stellen zich op het standpunt dat zij nog steeds procesbelang hebben. Zij stellen om handhaving te hebben gezocht wegens overtreding van het Bal. Zij vinden dat de emissiegrenswaarden voor een groot aantal ZZS zijn overschreden en willen dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Bij het na vernietiging te nemen besluit moet het college opnieuw bezien of het tot handhaving moet overgaan. Daarbij moet het college volgens eisers op basis van het dan geldende recht tot handhaving overgaan.
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat het gaat om de vraag of eisers met hun beroep kunnen bereiken dat het college tot handhaving overgaat. Als hun beroep gegrond zou zijn, zou de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en zou het college opnieuw op het bezwaar van eisers moeten beslissen. Daarbij zou het college het primaire besluit van 17 oktober 2024 moeten heroverwegen. De heroverweging van besluiten over een handhaving omvat twee stappen. In de eerste plaats moet het college de vraag beantwoorden of op basis van de feiten en omstandigheden en het recht ten tijde van het primaire besluit terecht is geweigerd om tot handhaving over te gaan. Hierbij is onder meer van belang of ten tijde van het primaire besluit sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift. Als het college een handhavingsverzoek bij nader inzien onterecht heeft afgewezen, komt de tweede vraag aan de orde. Dan moet het bekijken of de bevoegdheid om een herstelsanctie op te leggen nog steeds bestaat. Valt de overtreding nog steeds te beëindigen, ongedaan te maken of te voorkomen? Bij de beantwoording van deze vraag dient het college de feiten, omstandigheden en het recht ten tijde van de heroverweging te betrekken. Bij een wijziging van recht is van belang of de aard van de overtreding hetzelfde is gebleven. De bevoegdheid om een herstelsanctie op te leggen bestaat alleen als het gaat om hetzelfde voorschrift met dezelfde strekking. In dit kader kan ook de systematiek van het voorschrift een rol spelen. [4]
3.4.
Het verzoek om handhaving dat ten grondslag ligt aan de besluitvorming, is op 28 januari 2024 ingediend. Eisers hebben in het verzoek gesteld dat sprake is van overschrijdingen van de normen van het Bal. Dat maakt echter niet dat het Bal toen al onverkort van toepassing was. Tot 1 januari 2026 golden de normen in artikel 5.30 van het Bal immers pas als aan de voorwaarden uit artikel 2.5, eerste en vierde lid, van het Abm was voldaan.
3.5.
Als de rechtbank eisers gelijk zou geven en het bestreden besluit zou vernietigen, zou het college een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Hierbij moet het college eerst met toepassing van artikel 2.5, eerste en vierde lid, van het Abm beoordelen of ten tijde van het primaire besluit van 17 oktober 2024 sprake was van een overtreding (eerste stap van de tweeslag). Pas als die vraag bevestigend zou worden beantwoord, komt de vraag aan de orde of de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen voor die overtreding nog altijd bestaat onder de werking van artikel 5.30 van het Bal. Gaat het om hetzelfde voorschrift met dezelfde strekking?
3.6.
In het Bal zijn regels gesteld per activiteit. In het Abm zijn regels gesteld per inrichting. Dit zijn verschillende benaderingen. Dit verschil komt tot uitdrukking in de regelgeving. Als gevolg van het stellen van regels per activiteit zijn in het Bal nu grenswaarden gesteld per puntbron. De drempel van de grensmassastroom voor alle puntbronnen binnen de inrichting als geheel is komen te vervallen. Ook de sommatiebepaling voor de inrichting als geheel is komen te vervallen. Sinds 1 januari 2026 wordt per puntbron beoordeeld of emissies boven de drempelwaarde uitkomen en, zo ja, of deze aan de emissie-eisen voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee de aard van de overtreding gewijzigd. De toetsingsmethodiek waarbij eerst de inrichting als geheel wordt beoordeeld, is onder het nieuwe recht irrelevant geworden. Onder het nieuwe recht wordt immers niet meer gekeken naar de totale emissies van alle puntbronnen per stofklasse en stofcategorie van de inrichting. Dat heeft onder meer tot gevolg dat de lagere emissies van de ene puntbron binnen de inrichting de hogere emissies van een andere puntbron binnen de inrichting niet meer kunnen compenseren.
3.7.
Onder het oude recht hoeft het ook niet om dezelfde overtreder te gaan als onder het nieuwe recht. De juridische entiteit die verantwoordelijk is voor de inrichting als geheel, hoeft niet dezelfde te zijn als de juridische entiteit die verantwoordelijk is voor de emissies van een puntbron. De wetgever heeft bedrijven op grond van artikel 8.1.6 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet twee jaar de tijd heeft gegeven om maatregelen te treffen om aan de nieuwe regels te gaan voldoen. De rechtbank beschouwt dit als een zodanige ingrijpende wijziging dat de voorschriften onder het Abm niet meer dezelfde strekking hebben als de voorschriften onder het Bal. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de gestelde overtreding van de oude bepalingen niet mede een overtreding is van de nieuwe bepalingen. Het college is dan ook niet bevoegd om vanwege de gestelde overtreding van de oude bepalingen onder dwangsom naleving van de nieuwe bepalingen te gelasten. Het college is evenmin bevoegd om onder dwangsom naleving van de oude bepalingen te gelasten, omdat die bepalingen niet meer gelden. Dat leidt tot de conclusie dat het beroep niet meer tot handhaving kan leiden.
3.8.
Eisers hebben niet gesteld een ander doel te hebben met het beroep dan handhaving. Dat betekent dat het beroep niet meer kan leiden tot het doel dat eisers daarmee beogen. De rechtbank voegt hieraan toe dat eisers in februari van dit jaar een nieuw handhavingsverzoek hebben ingediend. Dat handhavingsverzoek zal op grond van het huidige recht moeten worden beoordeeld. Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang meer bij de behandeling van het beroep tegen de afdoening van hun oude handhavingsverzoek. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Eisers kunnen met hun beroep niet meer bereiken dat het college tot handhaving overgaat. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eisers niet inhoudelijk beoordeelt. Deze zaak is daarmee afgelopen.
4.1.
Eisers hebben geen recht op een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzitter, en mr. M.J.H.M Verhoeven en mr. J.J.H. van Kempen, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Invoeringsbesluit OmgevingswetArtikel 8.1.6 (uitzondering of voorwaarde van toepassing op activiteit)
1. Dit artikel is van toepassing op activiteiten waarvoor uitzonderingen zijn opgenomen of voorwaarden zijn gesteld voor de toepassing van een bepaling:
a. op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
b. op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen;
c. in het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden; of
d. in het Besluit lozen buiten inrichtingen.
2. Als op een activiteit voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een bepaling niet van toepassing is, omdat die activiteit valt onder een uitzondering op die bepaling, blijft die uitzondering, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, nog twee kalenderjaren na de inwerkingtreding van die wet op die activiteit van toepassing, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
3. Als op een activiteit voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een bepaling niet van toepassing is, omdat de aan die activiteit gestelde voorwaarde niet van toepassing is, blijft die voorwaarde, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, nog twee kalenderjaren na de inwerkingtreding van die wet van toepassing als een aan die activiteit gestelde voorwaarde.
4. Het tweede en derde lid zijn alleen van toepassing op die activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn aangewezen.
Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 2.3a
Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C drijft.
In afwijking van het eerste lid is deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 2.4, tweede lid, niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies. Indien de BBT-conclusie van toepassing is op een groep van stoffen, geldt de eerste volzin voor alle stoffen die tot die groep van stoffen behoren.
(…)
Artikel 2.5
1. Indien de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen in de stofcategorieën ZZS, sA en gO naar de lucht binnen eenzelfde stofklasse vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in tabel 2.5 opgenomen grensmassastroom van die stofklasse overschrijdt, is de emissieconcentratie van die stofklasse per puntbron niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij die stofklasse.
2. (…)
3. (…)
4. Onverminderd het eerste lid is voor de stofcategorieën ZZS, sA en gO in tabel 2.5 een emissiegrenswaarde voor alle bronnen afzonderlijk van toepassing indien:
a. de gedurende één uur optredende massastromen van stoffen uit een stofklasse genoemd in tabel 2.5 samen met de gedurende hetzelfde uur optredende massastromen van stoffen uit de eerstvolgende hogere stofklasse genoemd in die tabel, vanuit alle puntbronnen in de
inrichting de in die tabel genoemde grensmassastroom van de laatstbedoelde stofklasse overschrijdt. De emissieconcentratie van deze stofklassen per puntbron is in dit geval niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij de hogere stofklasse;
b. de gedurende één uur optredende massastromen van afzonderlijke stofklassen binnen één stofcategorie samen vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in tabel 2.5 genoemde grensmassastroom van de hoogste stofklasse genoemd in die tabel van die stofcategorie overschrijdt. De emissieconcentratie van deze stofcategorie per puntbron is in dit geval niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij de hoogste stofklasse.
5. (…);
6. (…);
7. (…).
Tabel 2.5
Stofcategorie Stofklasse Grensmassastroom Emissiegrenswaarde
------------------------------------------------------------------------------------------------_______________
ZZS ERS 20 mg TEQ/jaar 0.1 ng TEQ/Nm³
MVP1 0,15 g/uur 0.05 mg/ Nm³
MVP2 2,5 g/uur 1 mg/ Nm³
gO gO.1 100 g/uur 20 mg/ Nm³
gO.2 500 g/uur 50 mg/ Nm³
gO.3 500 g/uur 100 mg/ Nm³
Artikel 2.6
Indien de massastroom van een bron op jaarbasis kleiner is dan de in tabel 2. 6
genoemde vrijstellingsgrens gelden in afwijking van artikel 2. 5 en de
emissiegrenswaarden voor stoffen waarvoor in hoofdstuk 4 eisen aan emissies naar de
lucht zijn gesteld, de daarin genoemde emissiegrenswaarden niet voor de emissie van
die bron.
Tabel 2.5
Stofcategorie Stofklasse Vrijstellingsgrens
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------
ZZS ERS 20 mg TEQ/jaar
MVP1 0.075 kg/uur
MVP2 1,25 kg/jaar
gO gO.1 50 kg/jaar
gO.2 250 kg/jaar
gO.3 250 kg/jaar
Besluit activiteiten leefomgeving
Artikel 5.30 (emissiegrenswaarden)
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden vanuit alle puntbronnen per stof of stofklasse de waarden, bedoeld in tabel 5.30, gemeten in een eenmalige, periodieke of continue meting.
Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 5.30, niet overschrijdt.
Tabel 5.30 Emissiegrenswaarden
Stof of stofklasse
Emissiegrenswaarde in ng/Nm3 of mg/Nm3 of ng TEQ/Nm3
Ondergrens per puntbron in kg/jaar of mg TEQ/jaar
Zwaveldioxide
50 mg/Nm3
1.000 kg/jaar
Stikstofoxide
100 mg/Nm3
1.000 kg/jaar
Waterstofchloride
2 mg/Nm3
7,5 kg/jaar
Waterstoffluoride
1 mg/Nm3
7,5 kg/jaar
Ammoniak
5 mg/Nm3
75 kg/jaar
ERS
0,05 ng TEQ/Nm3
20 mg TEQ/jaar
MVP1
0,05 mg/Nm3
0,075 kg/jaar
MVP2
1 mg/Nm3
1,25 kg/jaar
S
3 mg/Nm3
100 kg/jaar
sA.1
0,05 mg/Nm3
0,125 kg/jaar
sA.2
0,5 mg/Nm3
1,25 kg/jaar
sA.3
0,5 mg/Nm3
5 kg/jaar
gA.1
0,5 mg/Nm3
1,25 kg/jaar
gA.2
3 mg/Nm3
7,5 kg/jaar
gA.3
30 mg/Nm3
75 kg/jaar
gO.1
20 mg/Nm3
50 kg/jaar
gO.2
50 mg/Nm3
250 kg/jaar

Voetnoten

1.MVP1 betekent minimalisatieverplichte vaste stoffen.
2.De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
3.Bij uitzonderingen geldt dit op grond van artikel 8.1.6, tweede lid, alleen als de activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
4.Zie o.m. de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571 en 16 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7777. Zie ook de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 27 oktober 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BK1424.