ECLI:NL:RBOBR:2026:3984

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
11882882
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:345 BWArt. 1:386 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging renteloze lening uit vermogen betrokkene aan moeder

Verzoekster, handelend als curator van betrokkene, verzocht achteraf om machtiging voor het verstrekken van een renteloze geldlening van €3.500 aan de moeder van betrokkene. De kantonrechter stelt vast dat de curator vooraf toestemming had moeten vragen conform de artikelen 1:345 jo 1:386 BW, wat niet is gebeurd.

De curator motiveert het verzoek met het familiair belang, maar de kantonrechter benadrukt dat de curator de belangen van betrokkene moet behartigen, niet het familiair belang. Het verstrekken van een renteloze lening leidt tot nadeel voor betrokkene, omdat er geen rente wordt ontvangen en het uitgeleende bedrag door inflatie in waarde daalt.

Daarom wordt het verzoek afgewezen. Tevens wordt bepaald dat het uitgeleende bedrag, minus eventueel reeds terugbetaalde termijnen, per direct moet worden teruggestort op een bankrekening van betrokkene. Verzoekster moet uiterlijk 1 juni 2026 een bankafschrift overleggen waaruit de terugbetaling blijkt.

Uitkomst: Verzoek tot machtiging renteloze lening afgewezen en terugbetaling van het uitgeleende bedrag bevolen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
zaaknummer : 11882882 UD VERZ 25-2531
dossiernummer : [beschikkingsnummer]
[initialen griffier]

beschikking van de kantonrechter van 23 maart 2026

op verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: verzoekster,
met betrekking tot:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
  • het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 17 september 2025;
  • de naderen informatie, ontvangen op 18 november 2025;
  • de brief van de griffier, verzonden op 29 januari 2026.

beoordeling

Verzoekster vraagt achteraf, in haar hoedanigheid van curator, machtiging voor het verstrekken van een renteloze geldlening van € 3.500,00 ten laste van het vermogen van betrokkene aan de moeder van betrokkene, mevrouw [naam moeder] . Verzoekster is van mening dat betrokkene voldoende vermogen had om de tijdelijke financiële problemen van zijn moeder op te lossen en dat uit het uitlenen van het vermogen in het familiaire belang is.
Conform hetgeen bepaald is in de artikelen 1:345 jo 1:386 BW dient een curator vooraf toestemming te verzoeken aan de kantonrechter voor het uitvoeren van beschikkingshandelingen, zoals het uitlenen van vermogen van betrokkene. De kantonrechter stelt vast dat de curator aan deze verplichting niet heeft voldaan.
Verzoekster stelt in haar verzoek dat het uitlenen van het vermogen van betrokkene aan zijn moeder in het familiair belang is. Daarmee gaat verzoekster eraan voorbij dat zij, in haar hoedanigheid van curator, niet het familiair belang dient maar de belangen van betrokkene behoort te behartigen.
Het verstrekken van een renteloze lening acht de kantonrechter niet in het belang van betrokkene. Integendeel; betrokkene is door de betreffende transactie benadeeld doordat er geen rente overeen is gekomen over het geleende bedrag terwijl betrokkene zelf over het uitgeleende geld geen spaarrente of ander rendement kan realiseren én het uitgeleende bedrag gedurende de looptijd van de lening in reële termen waarde verliest door inflatie.
Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek dient te worden afgewezen. Tevens zal de kantonrechter bepalen dat het uitgeleende en nog niet terugbetaalde geld van betrokkene per ommegaande dient te worden teruggestort op een ten name van betrokkene staande bankrekening.

beslissing

De kantonrechter:
- wijst het verzoek tot het mogen uitlenen van een bedrag van € 3.500,00 van het vermogen van betrokkene aan de moeder van betrokkene, mevrouw [naam moeder] af;
- bepaalt dat het uitgeleende vermogen, eventueel onder aftrek van de reeds terugbetaalde termijnen, dient te worden teruggestort op een ten name van betrokkene gestelde bankrekening;
- bepaalt dat verzoekster voor 1 juni 2026 ter griffie dient in te zenden een bankafschrift waaruit de terugstorting van het uitgeleende bedrag blijkt.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.T.C. Wijsman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.