ECLI:NL:RBOBR:2026:3985

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
11592569 \ CV EXPL 25-1879
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 22 lid 1 RvArt. 111 lid 2 onder d Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens schending waarheidsplicht en onvoldoende bewijs van cessie in consumentenkoop

In deze civiele bodemzaak vordert Alektum Capital II AG betaling van een consument. De kantonrechter heeft in een tussenvonnis om nadere toelichting gevraagd over wie de handelaar en rechthebbende van de oorspronkelijke vordering is en over de overdracht van de vordering. Eisende partij heeft een voorbeeld bestelproces en algemene voorwaarden overgelegd die niet van toepassing zijn op de overeenkomst met de consument, wat de waarheidsplicht schendt.

De bestelling dateert uit mei 2021 en werd geplaatst bij Autodoc GmbH, terwijl het overgelegde bestelproces en de algemene voorwaarden betrekking hebben op latere rechtspersonen (Autodoc AG). Dit leidt tot onjuistheden in de dagvaarding. Daarnaast heeft eisende partij niet voldaan aan het bevel om de akte van cessie tussen de handelaar en Klarna Bank AB te overleggen, waardoor niet kan worden vastgesteld of zij rechthebbende is.

De kantonrechter oordeelt dat de vordering daarom moet worden afgewezen. De naleving van consumentenbeschermende bepalingen wordt niet inhoudelijk beoordeeld, omdat de vordering op andere gronden faalt. Eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten, die voor gedaagde nihil worden vastgesteld.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens schending van de waarheidsplicht en het ontbreken van bewijs van cessie.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11592569 \ CV EXPL 25-1879
Vonnis van 28 mei 2026
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
ALEKTUM CAPITAL II AG,
gevestigd te Zug, Zwitserland,
eisende partij,
gemachtigde: Deurwaarderskantoor Van Lith,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De verdere procedure

Op 26 februari 2026 heeft de kantonrechter een tussenvonnis (hierna verder: het tussenvonnis) gewezen. Voor het verloop van de procedure wordt naar het tussenvonnis verwezen.
Bij akte van 23 april 2026 heeft eisende partij haar vordering nader toegelicht.

2.De verdere beoordeling

In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat hij vanwege tegenstrijdigheden en discrepanties in de dagvaarding behoefte heeft aan een nadere toelichting wie handelaar en daarmee rechthebbende van de oorspronkelijke vordering is én tussen welke partijen overdracht van de gestelde vordering heeft plaatsgevonden. Ook heeft de kantonrechter eisende partij bevolen de onderliggende aktes van cessie voorzien van een toelichting in het geding te brengen, om de kantonrechter in staat te stellen te beoordelen of eisende partij rechthebbende van de vordering is.
Eisende partij heeft in de akte gesteld dat Autodoc een Europese online retailer voor auto-onderdelen is, die zeer actief is op de Nederlandse markt via haar website (webshop) autodoc.nl. Autodoc is in 2008 opgericht als Gesellschaft mit beschränkter Haftung (GmbH), daarna in september 2021 omgezet naar een Aktiengesellschaft (AG) en vervolgens in november 2022 omgezet naar een Societas Europaea (SE). Volgens eisende partij zijn het handelsregisternummer en de contactgegevens ongewijzigd gebleven. Verder heeft eisende partij gesteld dat het bestelproces dat bij de dagvaarding is gevoegd, is gemaakt aan de hand van een voorbeeldbestelling in de periode dat Autodoc een AG was. Onderhavige bestelling dateert van mei 2021 en de orderbevestiging vermeldt om die reden nog Autodoc GmbH. Eisende partij stelt dat het niet mogelijk is om met terugwerkende kracht een bestelproces te vervaardigen dat voldoet aan de huidige vereisten en dat het niet mogelijk is om een bestelproces te tonen dat ouder is dan het bestelproces dat bij de dagvaarding is overgelegd.
In de dagvaarding heeft eisende partij uitdrukkelijk gesteld dat het voorbeeld bestelproces van productie 1 hét bestelproces is dat gedaagde partij bij het plaatsen van de bestelling op 8 mei 2021 heeft doorlopen. Uit de nadere toelichting van eisende partij bij akte blijkt dus dat die stelling onjuist is. De bestelling werd geplaatst bij Autodoc GmbH, terwijl het bestelproces ziet op Autodoc AG. De website is dus tussentijds gewijzigd. Dat het bestelproces van Autodoc GmbH niet meer kan worden getoond, vormt geen rechtvaardiging voor het overleggen van een bestelproces dat niet is doorlopen en de indruk te wekken dat de toepasselijke consumentenbeschermende bepalingen zijn nageleefd. Eveneens onjuist is de stelling van eisende partij dat de als productie 2 overgelegde algemene voorwaarden dé algemene voorwaarden zijn die op de onderhavige overeenkomst van toepassing zijn. In de algemene voorwaarden is namelijk Autodoc AG als handelaar opgenomen, terwijl die rechtspersoon ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met gedaagde partij nog niet bestond. Met andere woorden, de algemene voorwaarden van productie 2 zijn van een latere datum dan de overeenkomst en zijn niet van toepassing.
Eisende partij dient grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d in de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in iedere individuele procedure in de dagvaarding voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en ter onderbouwing daarvan relevante producties bij de dagvaarding te voegen, om de kantonrechter in staat te stellen te beoordelen of de toepasselijke consumentenbeschermende bepalingen zijn nageleefd en of de vordering toewijsbaar is. Als een eisende partij dat niet doet, moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. Dat volgt ook uit artikel 21 Rv Pro en uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van de Hoge Raad in consumentenzaken.
De kantonrechter benadrukt dat hij bij de beoordeling of de toepasselijke consumentenbeschermende bepalingen in een bepaalde zaak door de handelaar zijn nageleefd, uit moet kunnen gaan van de juistheid van de stellingen in de dagvaarding over het bestelproces en de algemene voorwaarden. Uit het bovenstaande blijkt echter dat eisende partij in strijd met artikel 21 Rv Pro niet alle van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoert en dat zij, al dan niet bewust, relevante informatie achterwege laat. Eisende partij presenteert immers een bestelproces en een set algemene voorwaarden, waarvan zij weet dat deze niet van toepassing zijn op de onderhavige overeenkomst met gedaagde partij. Eisende partij heeft daarmee de kantonrechter op het verkeerde been gezet.
Daarnaast heeft de kantonrechter in het tussenvonnis op de voet van artikel 22 lid 1 Rv Pro bevolen om de akte van cessie tussen de handelaar en Klarna Bank AB in het geding te brengen. Eisende partij heeft daaraan niet voldaan. Eisende partij heeft slechts stukken in het geding gebracht met betrekking tot de gestelde cessie tussen Klarna Bank AB en eisende partij. Uit de toelichting van eisende partij blijkt niet van het bestaan van een akte van cessie tussen de handelaar en Klarna Bank AB. Volgens eisende partij wordt de vordering van de handelaar direct na het ‘voltooien’ van de koopovereenkomst aan Klarna Bank AB gecedeerd en is Klarna Bank AB dit zo met alle handelaren overeengekomen die haar als betaalmogelijkheid aanbieden op hun website. Daarmee is echter niet gezegd dat sprake is van een akte van cessie en ook niet dat is voldaan aan de eisen van cessie. Wat daar verder ook van zij, de kantonrechter verbindt aan het schenden van artikel 21 Rv Pro de consequentie dat de vordering wordt afgewezen. Of eisende partij rechthebbende van de vordering is, kan in deze zaak in het midden blijven.
Omdat de vordering hoe dan ook wordt afgewezen, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de naleving van de toepasselijke consumentenbeschermende bepalingen. De kantonrechter wijst erop dat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat aan die bepalingen is voldaan.
Eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten omdat zij ongelijk krijgt. Deze kosten aan de kant van gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.