ECLI:NL:RBOBR:2026:3986

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
11610610 \ CV EXPL 25-1604
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 22 lid 1 RvArt. 111 lid 2 onder d Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onduidelijkheid over handelaar en rechthebbende in consumentenkoop

In deze civiele bodemzaak heeft de kantonrechter de vordering van Alektum Capital II AG afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de identiteit van de handelaar en rechthebbende van de oorspronkelijke vordering.

De procedure kende een tussenvonnis waarin de kantonrechter om nadere toelichting vroeg over de relatie tussen de betrokken rechtspersonen en de overdracht van de vordering. Eisende partij stelde dat de consument een bestelling plaatste via de website Shein, geëxploiteerd door Infinite Stykes Services Co Ltd, en dat Shein een handelsnaam is van ZOETOP BUSINESS CO LIMITED. Echter, uit de algemene voorwaarden bleek dat de exploitant geen verkoper is en dat de verkoper een andere partij is.

Eisende partij kon niet aantonen wie de handelaar was waarmee de consument de overeenkomst sloot, noch dat zij rechthebbende van de vordering was. Ook werd niet voldaan aan de eis om de cessieakte tussen de handelaar en Klarna Bank AB te overleggen. Hierdoor werd de waarheidsplicht geschonden en de vordering afgewezen. De kantonrechter veroordeelde eisende partij tot betaling van de proceskosten, die voor gedaagde nihil werden vastgesteld.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de identiteit van de handelaar en rechthebbende.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11610610 \ CV EXPL 25-1604
Vonnis van 4 juni 2026
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
ALEKTUM CAPITAL II AG,
gevestigd te Zug, Zwitserland,
eisende partij,
gemachtigde: Deurwaarderskantoor Van Lith,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De verdere procedure

Op 12 maart 2026 heeft de kantonrechter een tussenvonnis (hierna verder: het tussenvonnis) gewezen. Voor het verloop van de procedure wordt naar het tussenvonnis verwezen.
Bij akte van 7 mei 2026 heeft eisende partij haar vordering nader toegelicht.

2.De verdere beoordeling

In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat hij vanwege tegenstrijdigheden en discrepanties in de dagvaarding behoefte heeft aan een nadere toelichting wie handelaar en daarmee rechthebbende van de oorspronkelijke vordering is én tussen welke partijen overdracht van de gestelde vordering heeft plaatsgevonden. Ook heeft de kantonrechter eisende partij bevolen de onderliggende aktes van cessie voorzien van een toelichting in het geding te brengen, om de kantonrechter in staat te stellen te beoordelen of eisende partij rechthebbende van de vordering is.
Eisende partij heeft in de akte gesteld dat gedaagde partij een bestelling heeft geplaatst op de website van Shein en dat deze website wordt geëxploiteerd door de vennootschap Infinite Stykes Services Co Ltd. Verder stelt eisende partij dat Shein een handelsnaam is van de vennootschap ZOETOP BUSINESS CO LIMITED. Ook stelt eisende partij dat de website van Shein werkt als een soort ‘marktplaats’ voor verkopers. Een partij, in de algemene voorwaarden als exploitant benoemd, verkoopt goederen aan Shein.com, waarna Shein.com deze weer doorverkoopt aan de koper, aldus eisende partij.
Uit de nadere toelichting van eisende partij blijkt niet wie de handelaar is, waarmee gedaagde partij een overeenkomst heeft gesloten. Eisende partij neemt daarover ook geen standpunt in en zij laat ook in het midden hoe Infinite Stykes Services Co Ltd en ZOETOP BUSINESS CO LIMITED zich tot elkaar verhouden. In de artikelen 1.1 tot en met 1.3 van de algemene voorwaarden waarnaar eisende partij verwijst, is uitdrukkelijk een onderscheid gemaakt tussen de verkoper, met wie de consument een overeenkomst aangaat, en de exploitant van de website, Infinite Stykes Services Co Ltd. Anders dan eisende partij stelt, blijkt uit artikel 1.1 van de algemene voorwaarden expliciet dat de exploitant geen eigenaar is van de producten op de marktplaats en dat deze producten rechtstreeks worden verkocht door de verkoper. In artikel 1.2 en 1.3 van de algemene voorwaarden is verder bepaald dat de exploitant geen partij is bij de te sluiten koop(overeenkomst) en dat de exploitant geen veilingmeester, verkoper, wederverkoper of vervoerder van de producten is. Daarmee lijkt dus uitgesloten dat de consument van Shein.com koopt, nog daargelaten dat onduidelijk is welke rechtspersoon nu Shein.com exploiteert of als Shein.com handelt. De nadere toelichting van eisende partij is niet alleen onbegrijpelijk, maar bovenal niet te rijmen met de bepalingen uit de algemene voorwaarden die eisende partij daarbij aanhaalt. Kennelijk is het voor eisende partij zelf ook niet duidelijk met wie gedaagde partij een overeenkomst is aangegaan. Gesteld noch gebleken is tot slot dat ZOETOP BUSINESS CO LIMITED de verkoper is. Dat blijkt ook niet uit het bestelproces. Daarin wordt Infinite Stykes Services Co Ltd als handelaar genoemd, terwijl die rechtspersoon volgens de algemene voorwaarden niet de verkoper (daarmee de handelaar) is.
Eisende partij dient grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d in de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in iedere individuele procedure in de dagvaarding voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en ter onderbouwing daarvan relevante producties bij de dagvaarding te voegen, om de kantonrechter in staat te stellen te beoordelen of de toepasselijke consumentenbeschermende bepalingen zijn nageleefd en of de vordering toewijsbaar is. Als een eisende partij dat niet doet, moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. Dat volgt ook uit artikel 21 Rv Pro en uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van de Hoge Raad in consumentenzaken.
Uit het bovenstaande blijkt dat dat eisende partij in strijd met artikel 21 Rv Pro niet alle van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoert en dat zij, al dan niet (on)bewust, relevante informatie achterwege laat of anders presenteert. Eisende partij heeft niet onderbouwd wie handelaar is, zodat evenmin kan worden vastgesteld wie de rechthebbende van de vordering was, laat staan nu is.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis op de voet van artikel 22 lid 1 Rv Pro bevolen om de akte van cessie tussen de handelaar en Klarna Bank AB in het geding te brengen. Eisende partij heeft daaraan niet voldaan. Eisende partij heeft slechts stukken in het geding gebracht met betrekking tot de gestelde cessie tussen Klarna Bank AB en eisende partij. Uit de toelichting van eisende partij blijkt niet van het bestaan van een akte van cessie tussen de handelaar en Klarna Bank AB. Volgens eisende partij wordt de vordering van de handelaar direct na het ‘voltooien’ van de koopovereenkomst aan Klarna Bank AB gecedeerd en is Klarna Bank AB dit zo met alle handelaren overeengekomen die haar als betaalmogelijkheid aanbieden op hun website. Daarmee is echter niet gezegd dat sprake is van een akte van cessie en ook niet dat is voldaan aan de eisen van cessie. Wat daar verder ook van zij, de kantonrechter verbindt aan het schenden van artikel 21 Rv Pro de consequentie dat de vordering wordt afgewezen. Of eisende partij rechthebbende van de vordering is, kan in deze zaak in het midden blijven.
Omdat de vordering hoe dan ook wordt afgewezen, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de naleving van de toepasselijke consumentenbeschermende bepalingen. De kantonrechter wijst erop dat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat aan die bepalingen is voldaan.
Eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten omdat zij ongelijk krijgt. Deze kosten aan de kant van gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.