Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4042

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
C/01/424316 / HA ZA 26-152
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 lid 1 RvArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelwijziging inzagevordering in echtscheidingsprocedure over verdeling huwelijksgemeenschap

In deze incidentprocedure vordert eiser inzage in diverse financiële documenten van gedaagde om de omvang van de te verdelen huwelijksgemeenschap vast te stellen na hun echtscheiding. Eiser vermoedt dat gedaagde de opbrengst van de verkoop van haar aandeel in een vennootschap buiten de verdeling houdt.

De rechtbank stelt vast dat gedaagde reeds een aantal relevante stukken heeft overgelegd, waaronder een waardering door een voormalige vennoot en belastingaangiften over 2024. De vordering tot inzage in belastingaangiften over 2025 wordt afgewezen omdat deze nog niet zijn ingediend. De rechtbank wijst de vordering toe voor een verklaring van de accountant over de waardering van de onderneming en de belastingstukken over 2023.

De overige gevraagde documenten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het risico op een fishing expedition. Er is geen aanwijzing dat gedaagde onwillig is om gegevens te verstrekken, zodat geen dwangsom wordt opgelegd. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten. De zaak wordt op 22 juli 2026 voortgezet.

Uitkomst: De rechtbank wijst de inzagevordering deels toe voor de verklaring van de accountant en belastingaangiften 2023 en wijst de rest af wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/424316 / HA ZA 26-152
Vonnis in incident van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.T.P. Tielemans,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. L. Stam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, tevens houdende de incidentele vordering op grond van artikel 223 Rv Pro en artikel 194 Rv Pro,
de conclusie van antwoord in het incident,
de akte uitlaten producties in het incident van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
[eiser] en [gedaagde] waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van deze rechtbank van 11 februari 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. Het geschil in de hoofdzaak gaat, kort gezegd, over de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
2.2.
[eiser] stelt in het incident dat hij signalen heeft ontvangen dat [gedaagde] haar aandeel in de [bedrijfsnaam 1] heeft verkocht. [eiser] vermoedt dat [gedaagde] de opbrengst buiten de verdeling van de huwelijksgemeenschap probeert te houden. In het incident vordert [eiser] daarom op grond van artikel 223 Rv Pro en artikel 194 Rv Pro inzage in bescheiden met betrekking tot de verkoop van het aandeel van [gedaagde] in de [bedrijfsnaam 1] , dan wel [bedrijfsnaam 2] , dan wel [bedrijfsnaam 3] Het gaat om:
- bankafschriften van al haar bankrekeningen over de periode februari 2023 tot en met 31
december 2025,
  • de aangiften inkomstenbelasting 2023 tot en met 2025,
  • de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2023 tot en met 2025,
  • documenten omtrent de beëindiging of verkoop van het aandeel van [gedaagde] in [bedrijfsnaam 1]
, waaronder maar niet beperkt tot:
  • een taxatierapport/waardering van de onderneming,
  • communicatie omtrent de waarde van de overeenkomst,
  • verklaring van de accountant van de onderneming over de waarde van de onderneming,
  • de overeenkomst of afspraken omtrent de uittreding van [gedaagde] ,
  • notariële documenten,
  • notariële afrekening,
  • alle overige van belang zijnde documenten om te beoordelen wat de waarde van het bedrijf was, dan wel het aandeel van [gedaagde] .
2.3.
[eiser] legt aan de incidentele vordering ten grondslag dat het aandeel van [gedaagde] in [bedrijfsnaam 1] in de huwelijksgemeenschap valt. De opbrengst van de verkoop van haar aandeel moet tussen partijen verdeeld worden. Met de inzagevordering wordt duidelijk wat de omvang van de huwelijksgemeenschap is.
2.4.
[eiser] noemt in de dagvaarding [bedrijfsnaam 1] , dan wel [bedrijfsnaam 2] dan wel [bedrijfsnaam 3] Hij heeft bij dagvaarding ook stukken overgelegd van de kamer van koophandel met betrekking tot [bedrijfsnaam 3] [gedaagde] bevestigt dat zij geen vennoot meer is van de vennootschap onder firma. Zij heeft stukken overgelegd met betrekking tot [bedrijfsnaam 3] [eiser] heeft bij zijn laatste akte niets meer opgemerkt over de identiteit van de VOF. De rechtbank stelt daarom vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [bedrijfsnaam 3] de vennootschap onder firma is waarover het geschil gaat.
2.5.
Op grond van artikel 195 lid 1 Rv Pro kan de rechter een partij bevelen om inzage, afschrift of een uittreksel van bepaalde gegevens te verstrekken als deze partij daartoe niet zelf overgaat en voldaan is aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 194 lid 1 Rv Pro. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet een partij (iii) een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet degene van wie inzage wordt verlangd (iv) over de gevraagde informatie beschikken (artikel 194 lid 1 Rv Pro).
2.6.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat aan het eerste vereiste is voldaan. Op de overige vereisten zal de rechtbank, voor zover vereist, hierna ingaan.
2.7.
[gedaagde] betwist in dit incident niet dat haar aandeel in [bedrijfsnaam 3] deel uit maakt van de te verdelen huwelijksgemeenschap. In zoverre heeft [eiser] dus in beginsel belang bij het verkrijgen van inzage in gegevens om de omvang van dat aandeel vast te kunnen stellen.
2.8.
[gedaagde] heeft bij antwoord in het incident de volgende stukken overgelegd:
  • waardering van de onderneming door de accountant
  • uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel van [bedrijfsnaam 3] ,
  • de jaarrekening over 2023 van [bedrijfsnaam 3] ,
  • betalingsbewijs met betrekking tot de betaling van de waarde van het aandeel van [gedaagde] in [bedrijfsnaam 3] op haar bankrekening,
  • de aangifte inkomstenbelasting 2024,
  • de aanslag inkomstenbelasting 2024.
2.9.
Voor zover de inzagevordering van [eiser] betrekking heeft op de jaarrekening over 2023, de aangifte IB 2024 en de definitieve aanslag IB 2024 zal deze worden afgewezen. Deze stukken zijn overgelegd. [eiser] vordert ook inzage in de aangifte IB 2025 en de definitieve aanslag IB 2025. [gedaagde] voert als verweer daartegen aan dat zij die aangifte nog niet heeft gedaan. Dit deel van het gevorderde kan alleen al daarom niet worden toegewezen (zie voorwaarde iv onder 2.7.).
2.10.
[gedaagde] heeft een document overgelegd dat is opgesteld door een van haar voormalige medevennoten, waarin de waarde van de onderneming voor de uitkoop van [gedaagde] is berekend. De waarde van de onderneming bedroeg € 5.358,14. De uitkoopwaarde voor [gedaagde] was een derde daarvan, € 1.786,05. Dat bedrag is ook uitgekeerd, blijkt uit het overgelegde bankafschrift.
[eiser] stelt dat dit geen deugdelijke, onafhankelijke waardering is. [gedaagde] geeft aan er geen bezwaar tegen te hebben als [eiser] de aan de verdeling ten grondslag liggende waardering van de betrokken accountant wenst te ontvangen. De rechtbank maakt daaruit op dat die waardering door de accountant wel beschikbaar is, met de onderliggende informatie en stukken, of in ieder geval kan worden opgesteld. Omdat [eiser] er belang bij heeft dat de juiste waarde van het aandeel van [gedaagde] in [bedrijfsnaam 3] in de verdeling wordt betrokken, zal de rechtbank de vordering van [eiser] op dit onderdeel toewijzen als na te melden. De rechtbank zal ook de vordering toewijzen voor wat betreft de aangifte en aanslag inkomstenbelasting over 2023, omdat [gedaagde] hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt en omdat deze stukken voorshands relevant zijn voor een goede beoordeling van de waarde van het aandeel in de VOF.
2.11.
Met betrekking tot de overige bescheiden waarvan [eiser] inzage vordert, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] niet heeft onderbouwd wat de meerwaarde daarvan is, en daarmee welk belang hij daarbij nog heeft, naast de al gevorderde verklaring door de accountant over de waarde van de onderneming. De omvang van de gevraagde gegevens is zo ruim dat het de rechtbank voorkomt dat hier sprake is van een fishing expedition. [eiser] heeft niet meer dan een ongefundeerd en niet onderbouwd vermoeden dat [gedaagde] de opbrengst van haar aandeel in de vennootschap buiten de verdeling probeert te houden. Uit de stukken die [gedaagde] nu heeft overgelegd, blijkt in ieder geval niet dat dat het geval zou zijn. De rechtbank wijst daarom de vordering van [eiser] ook voor het overige af. De rechtbank merkt wat betreft de overeenkomst of afspraken omtrent de uittreding op dat partijen geen informatie hebben gepresenteerd waaruit volgt dat een dergelijk document bestaat. Daarom is de vordering op dit punt niet toewijsbaar.
2.12.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan [gedaagde] een dwangsom op te leggen. [gedaagde] heeft voor een deel aan de vordering van [eiser] voldaan en is bereid een verklaring van de accountant over de waardering van de onderneming aan [eiser] te verstrekken. Van onwil om gegevens te verstrekken, zoals [eiser] stelt, is niet gebleken. De rechtbank zal de termijn waarop [gedaagde] de gegevens moet verstrekken bepalen op zes weken.
2.13.
Gelet op de omstandigheid dat partijen met elkaar gehuwd zijn geweest en de vorderingen in deze procedure zien op de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten in het incident te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk zes weken na de datum van dit vonnis inzage te geven in een verklaring van de accountant van [bedrijfsnaam 3] omtrent de waardering van de onderneming ten tijde van het uittreden van [gedaagde] , met (i) de onderliggende informatie en stukken en (ii) de aangifte en aanslag inkomstenbelasting over 2023,
3.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
22 juli 2026voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.