Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.[gedaagde 1] B.V.,
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
2.De beoordeling in het incident
3.De beslissing
15 juli 2026voor conclusie van antwoord,
Rechtbank Oost-Brabant
In deze civiele procedure vordert [gedaagden] toestemming om [A] B.V. (de Boekhandel) in vrijwaring op te roepen, omdat zij stelt dat de Boekhandel onrechtmatig de managementovereenkomst met [gedaagde 1] heeft beëindigd, wat schade veroorzaakt heeft. [eiseres] betwist dit en voert aan dat de Boekhandel geen partij is bij de geldleningsovereenkomst en dat de verplichting tot terugbetaling al bestond vóór de beëindiging van de managementovereenkomst.
De rechtbank overweegt dat voor een vordering tot vrijwaring een rechtsverhouding tussen de gewaarborgde en de derde vereist is, waarbij de derde verplicht is de nadelige gevolgen te dragen. [gedaagden] heeft onvoldoende gesteld dat de Boekhandel deze verplichting heeft. De Boekhandel is geen partij bij de geldleningsovereenkomst en de vordering tot vrijwaring kan niet worden gebaseerd op de onrechtmatige beëindiging van de managementovereenkomst.
De rechtbank wijst de incidentele vordering af en veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling van de hoofdzaak, waarbij verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring af wegens het ontbreken van een rechtsverhouding en veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten.