Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
3.3. [gedaagde 3] ,
4.
ZIJ DIE ZONDER RECHT OF TITEL VERBLIJVEN IN DE GEBOUWDE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN STAANDE EN GELEGEN AAN DE [adres] ( [postcode] ),
1.De procedure
- de conclusie van antwoord van 17 februari 2025 met 4 bijlagen
- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
‘Het pand is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als woonruimte ten behoeve van bruikleennemers alsmede maximaal tien additionele personen die onder verantwoordelijkheid van bruikleennemer het pand gebruiken alsmede voor het exploiteren van een weggeefwinkel zonder commercieel oogmerk. Het gebruiken van het pand ten behoeve van een horeca-activiteit is niet toegestaan. Het gebruik ten behoeve van atelierruimte is toegestaan.’
“Wij adviseren de woonruimte af te sluiten, niet meer te betreden zonder persoonlijke beschermingsmiddelen. Tevens adviseren wij een NEN2991:2015 blootstellings- en inkaderingsonderzoek op de begane grond en verdieping van [adres] .”
3.Het geschil
4.De beoordeling
‘additionele personen die onder verantwoordelijkheid van bruikleennemer het pand gebruiken’zoals is vermeld in artikel 3 van Pro de bruikleenovereenkomst is daarom geen sprake. Ook is de bruikleenovereenkomst niet overgegaan op [gedaagde 3] en [A] (artikel 6:159 BW Pro), voor zover zij daar een beroep op doen. Van stilzwijgende medewerking van [eiser] is namelijk geen sprake. Vast staat dat [eiser] nooit geïnformeerd is over nieuwe bewoners die de overeenkomst zouden overnemen. Gelet op het feit dat [eiser] niet wist van een overneming van de overeenkomst, hetgeen wel een vereiste is, kan geen sprake zijn van stilzwijgende medewerking aan een overneming daarvan. [gedaagde 3] en [A] kunnen dus geen rechten aan de bruikleenovereenkomst ontlenen. Uitgangspunt is daarom dat [gedaagde 3] en [A] zonder recht of titel in het pand verblijven en daarmee een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] maken.