ECLI:NL:RBOBR:2026:4206

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/01/416225 / HA ZA 25-374
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot zekerheidstelling en voorschotbetaling in kredietovereenkomst

In deze civiele bodemzaak vordert eiser nakoming van een kredietovereenkomst door gedaagde 1 zekerheid te laten stellen in de vorm van een eerste recht van pand op vrije vermogensbestanddelen ter waarde van minimaal €220.000, en betaling van een voorschot op de hoofdsom. Eiser stelt dat de dekkingsgraad onder de 100% is gedaald, waardoor zekerheidstelling verplicht is, en vreest dat het vermogen van gedaagde 1 en 2 kan worden uitgehold.

Gedaagde 1 voert verweer dat zij al voldoende zekerheid heeft geboden, onder meer door borgstelling van een holding en hoofdelijkheid van gedaagde 2, en betwist het verzuim en de opeisbaarheid van de hoofdsom. Gedaagde 2 wordt afgewezen omdat zij geen partij is bij de kredietovereenkomst.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde 1 gehouden is zekerheid te stellen conform de kredietovereenkomst, dat de vorm van zekerheid door eiser wordt bepaald, en dat gedaagde 1 geen onroerende goederen heeft voor hypotheek. De gevorderde zekerheidstelling wordt toegewezen, evenals een dwangsom bij niet-nakoming. De vordering tot inzage in effectenportefeuille wordt afgewezen wegens eerdere afwijzing. Het voorschot wordt beperkt tot de rente vanaf meerderjarigheid van eiser, €12.282,51, te storten op een geblokkeerde rekening.

Proceskosten worden toegewezen aan eiser, met compensatie tussen eiser en gedaagde 2 vanwege familierelatie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde 1 wordt veroordeeld tot zekerheidstelling en betaling van een voorschot met dwangsommen bij niet-nakoming; vorderingen tegen gedaagde 2 worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/416225 / HA ZA 25-374
Vonnis in incident van 17 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats] ,
eisende partij in het incident,
2.
[eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
hierna (samen) te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. G.C. Vergouwen,
tegen

1.[gedaagde 1 ] B.V.,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna (samen) te noemen: [gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. G.A.M. Sieben.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in incident van 17 december 2025
  • de akte uitlaten na inzagevordering tevens houdende incidentele conclusie tot het treffen van een voorlopige voorziening tevens houdende eiswijziging in de hoofdzaak van [eiser 1] en [eiser 2]
  • de conclusie van antwoord in het incident en eiswijziging van [gedaagde 1 ] en [gedaagde 2]
  • de akte uitlaten producties in incident van [eiser 1] ,
  • de mondelinge behandeling van 19 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

Het geschil in het incident
2.1.
[eiser 1] vordert dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. [eiser 1] vordert [gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot:
nakoming van de kredietovereenkomst door binnen 10 werkdagen na het vonnis zekerheid te stellen in de door [eiser 1] als crediteur van [gedaagde 1 ] gewenste vorm, zijnde een eerste recht van pand of hypotheek op vrije vermogensbestanddelen van [gedaagde 1 ] , naar vrije keuze van [eiser 1] , waarvan aan de hand van door de accountant van [gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] te verstrekken adequate onderliggers kan worden vastgesteld dat de te bezwaren vermogensbestanddelen minimaal een waarde hebben van € 220.000,00 per de datum van zekerheidstelling, althans van enig ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag, een en ander onder aftrek van het sub 5 eventueel aan [eiser 1] bij wijze van voorschot door de rechtbank toegekende bedrag;
betaling van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] niet voldoen aan het gevorderde onder sub 1, tot een maximum van € 220.000,00;
het verstrekken van een gespecificeerd afschrift van, althans gespecificeerde inzage in, [eiser 1] aandeel in de effectenportefeuille die door [gedaagde 1 ] wordt aangehouden op een effectenrekening onder haar bankrekening, welke inzage dient te worden gegeven aan de hand van een door de accountant van [gedaagde 1 ] op basis van eigen onderzoek op te stellen overzicht, inclusief de waarde van deze effecten, althans [eiser 1] aandeel daarin;
betaling van een (aanvullende) dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] , na ommekomst van 10 werkdagen na de datum van het vonnis, niet voldoen aan het onder sub 3 gevorderde, tot een maximum van € 25.000,00, onder bepaling dat deze dwangsom pas ingaat als het maximum is bereikt van de dwangsom als opgenomen in het vonnis dat op 17 december 2025 is gewezen in deze zaak;
betaling van een voorschot op de vordering in de hoofdzaak, ter grootte van een bedrag van € 195.978,84, althans € 58.809,04, althans een ander in goede justitie te bepalen bedrag aan voorschot, al dan niet onder oplegging van de voorwaarde om dit bedrag binnen een door de rechtbank vast te stellen redelijke termijn op een depositorekening of een vermogensbeheerrekening onder te brengen, met een defensief of neutraal beleggingsprofiel, en dit bedrag op die rekening aan te blijven houden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.
2.2.
[gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] voeren verweer.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De vordering onder 1 en 2
2.4.
[eiser 1] legt aan de vordering onder 1 – kort gezegd – het volgende ten grondslag.
In de kredietovereenkomst tussen [gedaagde 1 ] en [eiser 1] staat in artikel 4 dat Pro vanaf het moment dat de dekkingsgraad onder de 100% komt, [gedaagde 1 ] gehouden is, tot zekerheid van nakoming van de verplichtingen in de overeenkomst, aan [eiser 1] op haar eerste verzoek, aanvullende zekerheid te verschaffen. De dekkingsgraad is onder de 100%. In artikel 5 staat Pro vervolgens dat [gedaagde 1 ] is gehouden om op eerste aanvraag van [eiser 1] in de door de crediteur gewenste vorm en omvang zekerheid te stellen of gestelde zekerheid aan te vullen. [gedaagde 1 ] is echter al geruime tijd in verzuim om de door [eiser 1] gevraagde gewenste zekerheid te stellen. [eiser 1] heeft gegronde vrees voor de gegoedheid van [gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] . De beleggingen van [gedaagde 1 ] hebben een hoog risicoprofiel en er is sprake van nevenactiviteiten van [gedaagde 1 ] . Dit zorgt ervoor dat de dekkingspercentage die is genoemd in de kredietovereenkomst is afgenomen. Een beslissing in de hoofdzaak laat nog lang op zich wachten. Het vermogen van [gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] kan dan zodanig worden uitgehold, dat betaling van wat [eiser 1] vordert in de hoofdzaak niet of maar gedeeltelijk mogelijk is. [eiser 1] wil daarom een zekerheid van een eerste recht van pand of hypotheek, zodat zij kan optreden als separatist.
2.5.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.6.
[eiser 1] heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering onder 1. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en kan voor de duur van de aanhangige bodemprocedure worden gegeven.
2.7.
De vordering ten aanzien van [gedaagde 2] zal worden afgewezen. [gedaagde 2] is geen partij bij de kredietovereenkomst. Dat zijn alleen [gedaagde 1 ] en [eiser 1] . [eiser 1] kan daarom van [gedaagde 2] geen nakoming vorderen van die overeenkomst. Er is verder geen andere grondslag aangevoerd op grond waarvan [gedaagde 2] zekerheid zou moeten stellen.
2.8.
Dan moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde voorziening ten aanzien van [gedaagde 1 ] rechtvaardigt. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is. Er is door [gedaagde 1 ] niet gesteld of gebleken dat zij een belang heeft bij het afwijzen van de gevorderde zekerheidstelling. Wat zij wel aanvoert is dat [gedaagde 1 ] een gezonde pensioenvennootschap zou zijn, dat de dekkingswaarde is aangepast door een wetswijziging en dat dat niets zou zeggen over de financiële situatie van [gedaagde 1 ] , dat [gedaagde 1 ] geen beleggingen met een hoog risicoprofiel zou hebben en dat de van [eiser 1] ontvangen gelden niet zouden zijn belegd en relatief eenvoudig door [gedaagde 1 ] zouden zijn vrij te maken en aan [eiser 1] over te dragen. Deze omstandigheden zijn echter niet relevant. Tussen [eiser 1] en [gedaagde 1 ] staat namelijk vast dat [gedaagde 1 ] op grond van de kredietovereenkomst verplicht is om zekerheid te stellen als de dekkingsgraad onder de 100% is. Tussen partijen staat ook vast dat de dekkingsgraad onder de 100% is. Dat is namelijk allemaal niet door [gedaagde 1 ] betwist. [gedaagde 1 ] dient dus zekerheid te stellen.
2.9.
[gedaagde 1 ] voert ook als verweer aan dat zij al voldoende zekerheid heeft geboden. Zij heeft onder andere aangeboden dat [A] B . V . (een holdingvennootschap van [gedaagde 2] en eigenaar van alle aandelen van [gedaagde 1 ] ) zich borg stelt en dat [gedaagde 2] zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de terugbetaling van de door [eiser 1] aan [gedaagde 1 ] verstrekte geldlening. Volgens [gedaagde 1 ] is er ook geen onzekerheid over de mogelijkheid tot betaling. [gedaagde 2] zou over meer dan voldoende financiële middelen beschikken. [eiser 1] heeft volgens [gedaagde 1 ] geen redelijk recht om van [gedaagde 1 ] enig ander zekerheidsrecht te eisen.
2.10.
In de kredietovereenkomst is echter opgenomen dat [eiser 1] zelf de gewenste vorm en omvang van de zekerheid kan bepalen. Dat [gedaagde 1 ] een andere vorm van zekerheid heeft aangeboden, is dus niet relevant. De rechtbank zal daarom [gedaagde 1 ] veroordelen tot nakoming van de kredietovereenkomst door zekerheid te stellen in de vorm van een eerste recht van pand. [gedaagde 1 ] heeft aangegeven dat zij geen onroerende of registergoederen heeft waar een hypotheek op kan worden gevestigd en dat heeft [eiser 1] niet weersproken. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
2.11.
De vordering van [eiser 1] dat het pand dient te worden gevestigd op vrije vermogensbestanddelen van [gedaagde 1 ] , naar vrije keuze van [eiser 1] , waarvan aan de hand van door de accountant van [gedaagde 1 ] te verstrekken adequate onderliggers kan worden vastgesteld dat de te bezwaren vermogensbestanddelen minimaal een waarde hebben van € 220.000,00 per de datum van zekerheidstelling, een en ander onder aftrek van het sub 5 eventueel aan [eiser 1] bij wijze van voorschot door de rechtbank toegekende bedrag, zal ook worden toegewezen. [gedaagde 1 ] heeft daar geen verweer tegen gevoerd.
2.12.
De gevorderde dwangsom ten aanzien van [gedaagde 1 ] zal eveneens worden toegewezen. Het verweer van [gedaagde 1 ] dat zij telkens heeft meegewerkt of uitvoering heeft gegeven aan door de rechtbank opgelegde verplichtingen, slaagt niet. [gedaagde 1 ] heeft tot op heden niet meegewerkt aan de op haar rustende verplichting uit de kredietovereenkomst om de door [eiser 1] gewenste zekerheid te verstrekken. Dat [gedaagde 1 ] naar aanleiding van een eerder vonnis van deze rechtbank stukken heeft verstrekt waartoe zij was veroordeeld, is onvoldoende, en bovendien heeft [eiser 1] betwist dat de overgelegde stukken juist zijn. De dwangsom zal wel worden beperkt zoals volgt hieronder in de beslissing.
2.13.
De rechtbank zal op verzoek van [gedaagde 1 ] bepalen dat [eiser 1] in afwachting van een onherroepelijke uitspraak in deze zaak of een vonnis in de hoofdzaak de te ontvangen zekerheid niet mag uitwinnen c.q. executeren. [eiser 1] heeft tijdens de zitting ook aangegeven dat zij daarmee akkoord is.
De vordering onder 3 en 4
2.14.
[gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] voeren terecht als verweer aan dat deze vordering overeenkomt met een eerder door [eiser 1] ingestelde vordering, die al door de rechtbank bij vonnis in incident van 17 december 2025 is afgewezen. [eiser 1] kan niet nogmaals inzage in dezelfde bescheiden vorderen.
2.15.
De vordering onder 3 en de daarmee samenhangende vordering onder 4 zullen daarom worden afgewezen.
De vordering onder 5
2.16.
[eiser 1] legt aan de vordering onder 5 – kort gezegd – het volgende ten grondslag.
[gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] hebben verklaard dat zij het spaargeld van [eiser 1] alleen maar willen beschermen en laten groeien. Zij hebben geen eigen, door [eiser 1] , te respecteren commercieel belang dat [gedaagde 1 ] de gelden en/of effecten zelf aanhoudt. Er is bovendien geen verweer gevoerd tegen het feit dat er sprake is van verzuim aan de zijde van [gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] en de schuldig gebleven hoofdsom (€ 137.169,80) en de daarop verschenen rente (€ 58.809,04) is daarom direct opeisbaar. Ook is het aannemelijk dat [gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] er uiterst risicovolle nevenactiviteiten op nahouden of risicovol beleggen met [eiser 1] spaargeld. [eiser 1] heeft er daarom belang bij dat (een deel van) haar geld veilig op een spaar- en/of beleggingsregeling wordt gezet.
2.17.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.18.
[eiser 1] heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering onder 5. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en kan voor de duur van de aanhangige bodemprocedure worden gegeven.
2.19.
De vordering ten aanzien van [gedaagde 2] zal ook in dit geval worden afgewezen. [gedaagde 2] is zoals gezegd geen partij bij de kredietovereenkomst. Dat zijn alleen [gedaagde 1 ] en [eiser 1] . [eiser 1] kan daarom van [gedaagde 2] geen nakoming vorderen van die overeenkomst. Er is verder geen andere grondslag aangevoerd op grond waarvan [gedaagde 2] een voorschot zou moeten betalen.
2.20.
Dan moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde voorziening ten aanzien van [gedaagde 1 ] rechtvaardigt. Bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom is dat in verband met het restitutierisico meestal alleen het geval, als de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot al voldoende vaststaat of op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Dat is met betrekking tot het gevorderde voorschot alleen het geval ten aanzien van de door [gedaagde 1 ] te betalen rente vanaf de meerderjarigheid van [eiser 1] . [gedaagde 1 ] heeft namelijk erkend dat zij deze rente aan [eiser 1] is verschuldigd.
2.21.
[eiser 1] is op [geboortedag] 2025 18 jaar geworden. Volgens de kredietovereenkomst wordt de rente jaarlijks berekend en uitbetaald. Uit de door [eiser 1] in productie 26 overgelegde berekening, die afkomstig is van [gedaagde 1 ] , blijkt dat de rente op 31 december 2025 € 12.282,51 bedraagt. [gedaagde 1 ] dient daarom als voorschot op de vordering in de hoofdzaak een bedrag van € 12.282,51 te betalen. Dit onder oplegging van de door [eiser 1] genoemde voorwaarde om dit bedrag binnen een door de rechtbank vast te stellen redelijke termijn op een depositorekening of een vermogensbeheerrekening onder te brengen, met een defensief of neutraal beleggingsprofiel, en dit bedrag op die rekening aan te blijven houden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak. De rechtbank acht een termijn van 10 werkdagen na de datum van dit vonnis redelijk.
2.22.
Het overige deel van het gevorderde voorschot zal worden afgewezen. Tussen partijen is in geschil of de rente tot de meerderjarigheid van [eiser 1] en de hoofdsom van € 135.169,80 al opeisbaar zijn. [gedaagde 1 ] heeft namelijk tijdens de zitting aangevoerd dat [gedaagde 2] ten behoeve van [eiser 1] de rente tot meerderjarigheid bij de hoofdsom heeft opgeteld en niet uitbetaald. Daarnaast heeft [gedaagde 1 ] in de stukken betwist dat zij in verzuim is ten aanzien van haar verplichtingen in de kredietovereenkomst en dat de hoofdsom daarom opeisbaar is. Tussen [eiser 1] en [gedaagde 1 ] is dus nog in geschil of [gedaagde 1 ] gehouden is een bedrag van € 183.696,33 (€ 195.978,84 -/- € 12.282,51) aan [eiser 1] te betalen. Het is aan de rechter in de hoofdzaak om daarover te oordelen.
De proceskosten
2.23.
[gedaagde 1 ] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser 1] betalen. [eiser 1] heeft een veroordeling gevraagd in de daadwerkelijke kosten, maar zij heeft geen overzicht van haar kosten overgelegd. De proceskosten van [eiser 1] worden daarom begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
2.24.
Gelet op de familierelatie tussen [eiser 1] en [gedaagde 2] , zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1 ] tot nakoming van de kredietovereenkomst door binnen 10 werkdagen na de datum van dit vonnis zekerheid te stellen in de vorm van een eerste recht van pand op vrije vermogensbestanddelen van [gedaagde 1 ] , naar vrije keuze van [eiser 1] , waarvan aan de hand van door de accountant van [gedaagde 1 ] en [gedaagde 2] te verstrekken adequate onderliggers kan worden vastgesteld dat de te bezwaren vermogensbestanddelen minimaal een waarde hebben van € 220.000,00 per de datum van zekerheidstelling, een en ander onder aftrek van het in 3.4 aan [eiser 1] bij wijze van voorschot door de rechtbank toegekende bedrag;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1 ] om aan [eiser 1] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling in 3.1 voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
3.3.
bepaalt dat [eiser 1] in afwachting van een onherroepelijke uitspraak in deze zaak of een vonnis in de hoofdzaak de te ontvangen zekerheid niet mag uitwinnen c.q. executeren;
3.4.
veroordeelt [gedaagde 1 ] tot betaling van een voorschot op de vordering in de hoofdzaak, ter grootte van een bedrag van € 12.282,51, onder oplegging van de voorwaarde om dit bedrag binnen 10 werkdagen na de datum van dit vonnis op een depositorekening of een vermogensbeheerrekening onder te brengen, met een defensief of neutraal beleggingsprofiel, en dit bedrag op die rekening aan te blijven houden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak,
3.5.
veroordeelt [gedaagde 1 ] in de proceskosten van [eiser 1] van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1 ] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen [eiser 1] en [gedaagde 2] , in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.