Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4269

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
26/609
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.33 WaboBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorst last onder dwangsom voor deels gebouwde bedrijfswoning

Verzoekers hebben een last onder dwangsom opgelegd gekregen om hun onafgebouwde bedrijfswoning te verwijderen, nadat het college de bouwvergunning had ingetrokken. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter constateerde dat er twee procedures parallel lopen: de last onder dwangsom en de aanvraag om een omgevingsvergunning. Omdat deze procedures inhoudelijk nauw verweven zijn, drong de voorzieningenrechter er bij het college op aan om voor 1 september 2026 in beide zaken inhoudelijke besluiten te nemen.

Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen, schorst de voorzieningenrechter de last onder dwangsom tot die datum. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekers. De uitspraak is mondeling gedaan en bindt niet in een bodemprocedure.

Uitkomst: De last onder dwangsom wordt geschorst tot 1 september 2026 en het college moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/609 OWHAND
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] , uit [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, het college
(gemachtigde: mr. F.W. Bello).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam], uit [woonplaats] (de derde-partij)
(gemachtigde: mr. G.T. van de Weerdt).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen een last onder dwangsom (de last) waaruit volgt dat verzoekers hun onvoltooide bedrijfswoning moeten afbreken.
1.1.
Met het bestreden besluit van 22 januari 2026 heeft het college de last opgelegd. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college en namens de derde-partij [naam] .
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
1.5.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beslissing

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst de last tot 1 september 2026.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter heeft het volgende vastgesteld:
- Het college op 11 februari 2003 aan verzoekers een bouwvergunning voor - onder andere - de herbouw van de bedrijfswoning aan de [adres] in [woonplaats] . In 2005 is begonnen met de bouw, maar die is nog steeds niet afgebouwd. In de tussentijd hebben het college en verzoekers veel contact gehad over de voortgang van de bouw van de woning, maar dat heeft er niet toe geleid dat de bouw is afgerond.
- In zijn besluit van 8 augustus 2023 (het intrekkingsbesluit) heeft het college de bouwvergunning voor de bedrijfswoning op grond van artikel 2.33, tweede lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de omgevingsvergunning ingetrokken. Het intrekkingsbesluit in onherroepelijk geworden, nadat de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [1] ongegrond heeft verklaard, die uitspraak heeft bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
-Nadat het college op 7 november 2025 aan verzoekers een voornemen last onder dwangsom toegezonden, heeft het college aan verzoekers de last opgelegd. De last strekt ertoe dat verzoekers binnen een termijn van zes maanden na de dag van verzending van de last de overtreding, te weten het in stand houden en laten van een niet afgebouwde bedrijfswoning aan [adres] te [woonplaats] , sectie [nummer] , moeten hebben beëindigd en beëindigd gehouden. Als verzoekers niet voldoet aan de last verbeuren zij een dwangsom van € 2.000,- per week dat het college constateert of heeft geconstateerd dat verzoekers de afgebouwde bedrijfswoning niet volledig hebben afgebroken en de vrijkomende materialen niet op een verantwoorde wijze hebt afgevoerd, met een maximum van € 20.000,-.
- Verzoekers hebben op 28 mei 2026 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag betreft een omgevingsplanactiviteit (OPA) voor de bouw van een woning.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat in deze zaak op dit moment twee procedures langs elkaar heen lopen, namelijk die van de last, en die van de aanvraag om een omgevingsvergunning waarop het college nog moet beslissen. Omdat deze zaken inhoudelijk sterk met elkaar zijn verweven, acht de voorzieningenrechter het geraden en dringt hij er bij het college op aan dat het college in beide zaken voor 1 september 2026 inhoudelijke besluiten (dat wil zeggen: een besluit op het bezwaar tegen de last, en een primair besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning) neemt. Hierdoor gaan de zaken procedureel gelijk oplopen en is in beide zaken een gemotiveerd standpunt van het college bekend. De (voorzieningenrechter van deze) rechtbank kan te zijner tijd wellicht beide procedures gezamenlijk behandelen en tegelijkertijd uitspraak doen.
4.1.
Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter, om onomkeerbare gevolgen te voorkomen, aanleiding om bij wijze van ordemaatregel de last te schorsen tot 1 september 2026. De voorzieningenrechter beseft dat omwonenden en de derde-partij deze zomer nog steeds worden geconfronteerd met een onafgebouwde en onbewoonbare woning, maar aan dat belang komt op dit moment minder gewicht toe dan aan het belang van het voorkomen van een onomkeerbare situatie, voordat de vereiste duidelijkheid is verkregen. De voorzieningenrechter wijst erop dat het alternatief - sloopwerkzaamheden gedurende de zomerperiode - voor de omwonenden ook niet prettig is.
4.2.
De voorzieningenrechter laat zich in deze uitspraak niet inhoudelijk niet uit over de last en zal daarover aan partijen geen aanwijzingen geven, maar ziet wel aanleiding om de volgende opmerkingen te maken:
- verzoekers moeten wel duidelijkheid erover verschaffen of de ingediende aanvraag betrekking heeft op een woonhuis of op een bedrijfswoning, omdat het begrip “woonhuis” of “woning” in juridische of planologische zin (dus volgens het bestemmingsplan) wat anders is dan het begrip “bedrijfswoning” ;
- de voorzieningenrechter kan op voorhand niet nagaan of hier de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen van toepassing is;
- omdat de gehele bouwvergunning is ingetrokken, hebben verzoekers een omgevingsvergunning nodig voor de bouw van de gehele woning, en niet alleen voor het gedeelte ervan dat nog niet is afgebouwd.
5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekers ook een vergoeding krijgen van hun proceskosten, omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,00,-.
6. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026 door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Uitspraak van 2 mei 2025, reg.nr. SHE 24/1486, ECLI:NL:RBOBR:2025:2566