ECLI:NL:RBOBR:2026:4339

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
25/3290
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 6 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025Aanwijzingsbesluit Betaald en Vergunningparkeren Oss 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting in Oss

Eiser parkeerde op 27 september 2025 zijn auto in de Smalstraat te Oss, een locatie waar betaald parkeren geldt volgens het Aanwijzingsbesluit Betaald en Vergunningparkeren Oss 2025. De heffingsambtenaar constateerde dat de parkeerbelasting niet was voldaan en legde een naheffingsaanslag op van € 80,30. Eiser voerde aan dat hij uit het verkeersbord E04 met onderaanduiding voor een tijdelijk parkeerverbod niet kon afleiden dat hij parkeerbelasting moest betalen.

De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aan zijn informatieplicht heeft voldaan. De toepasselijke regelgeving was op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en er waren voldoende borden en parkeerapparatuur aanwezig die duidelijk maakten dat betaald parkeren van toepassing was. De onderaanduiding op het bord betrof slechts een tijdelijk parkeerverbod en impliceerde niet dat buiten die periode geen parkeerbelasting verschuldigd was.

Eiser had een onderzoeksplicht en mocht redelijkerwijs verwachten dat hij zich moest informeren over de betaalplicht. Zijn beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Hij krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding. De naheffingsaanslag is terecht gehandhaafd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3290

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: C.M.L. Poen).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting die aan hem is opgelegd.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 31 oktober 2025 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer [nummer] ) opgelegd ter hoogte van € 80,30. Dit bedrag omvat € 1,50 aan kosten parkeerbelasting en € 78,80 aan kosten naheffing.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 19 november 2025 (de bestreden uitspraak) de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Eiser en de heffingsambtenaar hebben nadere stukken ingebracht.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Feiten

2. Op 27 september 2025 stond de auto van eiser met het kentekennummer [nummer] geparkeerd op een parkeerlocatie aan de Smalstraat in Oss. Deze parkeerplaats is aangewezen [1] als plaats waar tegen betaling mag worden geparkeerd. Tijdens drie controles met een scanauto op die dag is om 11:29 uur, 11:34 uur en 11:39 uur geconstateerd dat de parkeerbelasting niet was betaald. Vervolgens is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd vanaf het eerste controlemoment en is die aanslag op 31 oktober 2025 kenbaar gemaakt aan eiser.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het beroep van eiser is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat staat er in de wet?
4. Op grond van de Gemeentewet en de gemeentelijke regelgeving [2] wordt onder parkeren verstaan: “het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.”
5. In de Verordening [3] staat dat parkeerbelasting is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.
Wat voert eiser aan?
6. Eiser erkent dat hij op 27 september 2025 omstreeks 11:29 uur in de Smalstraat heeft geparkeerd. Hij voert echter aan dat hij gebruik heeft gemaakt van een reguliere parkeerplaats, en daarvoor, volgens hem, geen parkeerbelasting was verschuldigd. Hij heeft correct in het parkeervak geparkeerd en dit parkeervak was aangeduid met het verkeersbord E04. Op dit bord staat geen verwijzing naar het betalen van parkeerbelasting. Wel is met een onderaanduiding vermeld dat gedurende de periode van 29 september tot en met 3 oktober een parkeerverbod geldt. Eiser stelt dat hij aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Hij heeft de borden bekeken en ook gefotografeerd. Hij vindt dat als de heffingsambtenaar de parkeerplaatsen in de Smalstraat had willen aanwijzen als betaald parkeren, hij dan andere verkeersborden had moeten gebruiken. Eiser stelt dat de onduidelijkheid over het betalen van parkeerbelasting hem niet te verwijten valt.

Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?

7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij geen parkeerbelasting verschuldigd was voor het parkeren van zijn auto op 27 september 2025 in de Smalstraat. De Smalstraat is namelijk in artikel 2, onderdeel e, van het Aanwijzingsbesluit Betaald en Vergunningparkeren Oss 2025 aangewezen als onderdeel van de Schilzone West, waar slechts tegen betaling mag worden geparkeerd. Eiser heeft niet betwist dat hij de parkeerbelasting niet heeft betaald. Dat betekent dat de naheffingsaanslag (in beginsel) terecht is opgelegd.
8. De rechtbank overweegt dat aan de ene kant op de gemeente een informatieplicht rust, maar aan de andere kant heeft iemand die zijn auto parkeert, ook de plicht om te onderzoeken of er parkeerbelasting moet worden betaald. [4] Of er ergens een parkeerbelastingplicht geldt, kan blijken uit het feit dat er parkeerapparatuur aanwezig is bij de parkeerplaats of in de directe omgeving ervan. Het kan ook blijken uit verkeersborden of andere aanwijzingen bij de parkeerplaats of in de directe omgeving ervan. Zulke borden of aanwijzingen moeten dan wel op zo’n manier geplaatst zijn dat redelijkerwijs er geen misverstand over kan bestaan dat parkeerbelasting verschuldigd is (de kenbaarheid). De bewijslast daarvan ligt bij de heffingsambtenaar. Van een weggebruiker mag worden verwacht, alvorens te parkeren, dat hij nagaat of voor de plaats waar hij wil parkeren een belastingplicht geldt; hij heeft met andere woorden een onderzoeksplicht. [5] Daaronder valt dus ook dat hij oplet of hij bebording ‘betaald parkeren’, dan wel een parkeerautomaat, passeert, en dat hij nagaat in welke parkeerzone hij geparkeerd staat en welk tarief daar geldt.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar voldaan aan zijn informatieplicht. De toepasselijke regelgeving, zoals hierboven is genoemd met vermelding van de vindplaats, is op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, is ook gepubliceerd, en was daarmee verbindend. Daarmee was de toepasselijke regelgeving voor iedere burger, dus ook voor eiser, kenbaar. Uit de foto’s die de heffingsambtenaar bij zijn verweerschrift heeft gevoegd, blijkt verder onomstotelijk dat in en rondom de Smalstraat diverse borden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een parkeerzone en dat ter plaatse betaald parkeren geldt. Op de borden staat dat sprake is van een parkeerzone of pijlen die aanwijzen waar de parkeerautomaten zich bevinden. Daarnaast blijkt dat er parkeerapparatuur aanwezig is in de Smalstraat. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar daarom in zijn standpunt dat eiser redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de betaalplicht voor de parkeerbelasting ter plaatse.
10. De rechtbank begrijpt dat eiser uit het verkeersbord dat hij waarnam, te weten verkeersbord E04 met een onderaanduiding voor een (parkeer)verbod gedurende de periode van 29 september tot en met 3 oktober (rechtbank: 2025), afleidde dat hij ter plaatse geen parkeerbelasting hoefde te voldoen. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De onderaanduiding houdt slechts een tijdelijk parkeerverbod in. Het is een verkeersbord dat aangeeft dat parkeren is toegestaan, maar in de genoemde periode in zijn geheel niet geparkeerd mag worden. Dat verkeersbord regelt niets over het betalen van parkeerbelasting en dus ook niet dat eiser geen parkeerbelasting verschuldigd is. Het betekent dus ook niet, zoals eiser kennelijk meent, dat buiten de periode van het parkeerverbod geen betaalplicht geldt. Dat een parkeerder parkeerbelasting verschuldigd is aan de Smalstraat staat vermeld in het Aanwijzingsbesluit. Eiser kon op basis van uitsluitend dat verkeersbord dus niet aannemen dat hij geen parkeerbelasting hoefde te betalen. Daarnaast mag van eiser verwacht worden dat hij zich enige inspanning getroost om zich op de hoogte te stellen of sprake was van zoneborden dan wel parkeerapparatuur. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat de heffingsambtenaar heeft aangegeven dat op korte afstand van de plaats waar eiser zijn auto heeft geparkeerd een bord is geplaatst voor betaald parkeren. De heffingsambtenaar heeft daarvan ook een foto toegevoegd in het dossier. Op zitting heeft eiser ook niet ontkend dat in het gebied mogelijk betaald parkeren gold, maar dat hij het niet heeft waargenomen
.Dat eiser zich niet of niet voldoende op de hoogte heeft gesteld, blijft voor zijn eigen rekening en risico.
11. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 31 oktober 2025 bij de uitspraak op bezwaar terecht heeft gehandhaafd. De uitspraak op bezwaar was dus inhoudelijk juist.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van
drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Aanwijzingsbesluit Betaald en Vergunningparkeren Oss 2025.
2.Artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Oss (de Verordening).
3.Artikel 6, eerste lid, van de Verordening.
4.Gerechtshof Amsterdam, 12 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3863.
5.Zie bijvoorbeeld gerechtshof Amsterdam, 28 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:669 en gerechtshof Amsterdam, 25 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1479.