ECLI:NL:RBOBR:2026:4354

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
25/1744
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgevingsvergunning voor buitenplanse opslagruimte met kantoor in woonwijk

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om een opslagruimte op een achterterrein in een woonwijk te verbouwen tot opslagruimte met kantoorruimte. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven heeft de concept-aanvraag positief beoordeeld, maar de definitieve aanvraag afgewezen omdat deze niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het woonkarakter van de wijk zou aantasten.

De rechtbank oordeelt dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het college mocht het algemeen belang van het behoud van de woonfunctie en het woonkarakter zwaarder laten wegen dan het individuele belang van eiser. De positieve beoordeling van de concept-aanvraag weegt niet zwaarder dan het belang van de woonomgeving.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet omdat andere belangen, zoals het woonkarakter en de leefbaarheid van de omgeving, zwaarder wegen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van de omgevingsvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de omgevingsvergunning vanwege het belang van het behoud van het woonkarakter.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1744 OWBOUW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.I.P. Jeltema),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven

(gemachtigde: mr. J. van den Boom).

Samenvatting

1. Eiser wil een in een woonwijk gelegen opslagruimte verbouwen naar een opslagruimte met kantoorruimte. Het college heeft de daartoe ingediende concept-aanvraag positief beoordeeld, maar heeft de definitieve aanvraag toch afgewezen omdat deze niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag mocht afwijzen. Het college mocht het algemeen belang zwaarder laten wegen dan het individuele belang van eiser. Dat verandert niet door het feit dat het college de concept-aanvraag positief heeft beoordeeld. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een opslagruimte naar een opslagruimte met kantoorruimte. De aanvraag ziet op de technische bouwactiviteit, de ruimtelijke bouwactiviteit en het gebruik van de projectlocatie in strijd met het omgevingsplan. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 18 december 2024 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 12 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. In deze zaak gaat het om een opslagruimte die is gelegen op een achterterrein. Dit achterterrein hoorde voorheen bij de naastgelegen woning, maar het achterterrein en de woning zijn op enig moment door een splitsing van elkaar gescheiden. Het achterterrein heeft sindsdien een eigen huisnummer en is een zelfstandig perceel.
3.1.
Op het achterterrein is het bestemmingsplan “[naam]" van toepassing. Dit bestemmingsplan maakt op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet onderdeel uit van het omgevingsplan. Op het achterterrein rust de bestemming ‘Wonen’.
3.2.
De aanvraag van eiser ziet op het bedrijfsmatige medegebruik van de opslagruimte als kantoorruimte met een toilet. De aanvraag is niet toegespitst op een specifieke soort bedrijfsvoering.
3.3.
Partijen zijn het erover eens dat het door eiser voorgenomen gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Op de bestemming ‘Wonen’ is het weliswaar mogelijk om aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten te ontplooien, maar uitsluitend voor zover deze in of bij een (gedeelte) van een woning plaatsvinden. Op het achterterrein ontbreekt echter een woning. Omdat daarom sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, heeft het college bezien of de aangevraagde vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het college heeft de aanvraag vervolgens geweigerd omdat deze niet voldoet aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
4. Volgens eiser is de aanvraag niet in strijd met het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ruimtelijke invloed van laden en lossen op de openbare weg ten behoeve van de kantoorruimte – zo dit al plaats zou vinden – is slechts beperkt en maatschappelijk geaccepteerd. Het is niet goed in te zien waarom kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in of aan huis, die het bestemmingsplan toelaat, wel een aanvaardbare ruimtelijke uitstraling hebben en de beoogde activiteiten niet. Het college had bovendien meer waarde moeten hechten aan het feit dat het met het goedkeuren van de concept-aanvraag de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat de aanvraag zou worden gehonoreerd.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het in woonwijken vasthoudt aan het uitgangspunt dat deze primair bestemd zijn voor wonen. Wanneer dit uitgangspunt in dit geval zou worden losgelaten, dan ontstaat er een zelfstandige bedrijfsfunctie die niet is afgestemd op de korte afstand van de projectlocatie tot de omliggende woningen. Beroepen of bedrijven aan huis zijn toegestaan omdat het bedrijf in die gevallen ondergeschikt is aan de woonfunctie. Hierdoor blijft het woonkarakter van de buurt intact en is verzekerd dat de bedrijfsvoerder binding heeft met de directe leefomgeving. Het college wenst de woonfunctie te behouden. Het college vreest verder dat het voorgenomen gebruik zal leiden tot overlast van laad- en losactiviteiten voor het bedrijf. Het achterterrein is door groter verkeer namelijk niet via de eveneens smalle toegangsweg bereikbaar. Het college erkent dat eiser erop mocht vertrouwen dat de definitieve aanvraag zou worden toegewezen, maar stelt zich op het standpunt dat de belangen van derden die zijn gemoeid met de afwijzing zwaarder wegen dan het belang van eiser om de vergunning verleend te krijgen.
4.2.
Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank legt hierna uit waarom.
4.3.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, wordt een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit omvat niet alleen de ruimtelijke gevolgen van de activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, maar ook de wijze waarop het gemeentebestuur invulling wenst te geven aan schaarse ruimte ten behoeve van specifieke functies.
4.4.
Het college heeft beoordelingsruimte bij het beantwoorden van de vraag of is voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de afwijzing van de aanvraag gemotiveerd door te verwijzen naar het voor hem zwaarwegende uitgangspunt dat woonwijken primair bestemd blijven voor wonen en dat het college functiemenging ongewenst vindt. Specifiek ten aanzien van deze aanvraag heeft het college afgewogen dat de aanvraag niet passend is in de directe leefomgeving en ruimtelijk ongewenste gevolgen heeft. Het college is met de gegeven motivering de beoordelingsruimte die het heeft, niet te buiten gegaan. Daarbij is van belang dat de aanvraag ruim is geformuleerd en geen betrekking heeft op concrete en afgebakende activiteiten. De potentiële ruimtelijke uitstraling van de aanvraag zoals deze er ligt, is voor het college daardoor redelijkerwijs niet in te kaderen tot een ruimtelijk aanvaardbare vorm zonder dat er in wezen iets anders wordt vergund dan er is aangevraagd. Het college kon zich dus in redelijkheid op het standpunt stellen dat de aanvraag niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.5.
Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel maakt het voorgaande niet anders. Wanneer sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen, betekent dit niet altijd dat deze verwachtingen moeten worden gehonoreerd. Het kan namelijk zijn dat er andere belangen in het spel zijn die zwaarder wegen dan het belang van de partij bij wie de verwachtingen zijn ontstaan om deze verwachtingen gehonoreerd te zien. Deze belangen kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in het algemeen belang en de belangen van derden. [1] In dit geval heeft het college de integriteit van de woonfunctie van de woonwijk en de leefbaarheidsbelangen van de direct omwonenden zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser om de gewekte verwachtingen gestand te zien.
Hoor en wederhoor na bezwaarhoorzitting
5. Eiser heeft in zijn beroepschrift opmerkingen gemaakt over het moment waarop het college beschikte over de aanvullende interne advisering waar het college het bestreden besluit mede op heeft gebaseerd. Tijdens de zitting heeft eiser benadrukt dat deze opmerkingen niet moeten worden beschouwd als een beroepsgrond. De rechtbank laat deze punten daarom verder onbesproken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie voor deze rechtsregel de standaarduitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, overweging 11.4.