Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4372

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
82.244370.24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meineed en valsheid in geschrift met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift, valsheid in geschrift en meineed. Verdachte was bestuurder van een bedrijf en werkte samen met een medeverdachte aan het opmaken van valse facturen ter waarde van ruim € 100.000,-, die als echt werden gebruikt in de bedrijfsadministratie.

De rechtbank stelde vast dat de facturen geen reële werkzaamheden weerspiegelden en dat verdachte bewust heeft meegewerkt aan deze constructie. Verdachte legde bovendien onder ede een valse verklaring af bij de rechter-commissaris, waarmee hij het strafvorderlijk systeem aantastte.

Verdachte werd vrijgesproken van de tenlastelegging van actieve niet-ambtelijke omkoping, omdat de betalingen niet als giften of beloften konden worden aangemerkt. De rechtbank hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de minder initiatiefnemende rol van verdachte bij de strafoplegging.

De opgelegde straf bestaat uit een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank achtte deze straf passend gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar wegens meineed en valsheid in geschrift.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [82.244370.24]
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.244370.24
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1956] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 maart 2026. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 4 juni 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 te Waspik, Putten en/of Waalwijk, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,
één of meer valse en/of vervalste geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de/het navolgende document(en) :
A. een factuur met factuurnummer 201801 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] d.d. 14 december 2018 [DOC-001-01], en/of
B. een factuur met factuurnummer 202001 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] d.d. 2 oktober 2020 [DOC-013-01],
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst, met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,
A. bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat op de factuur [DOC-001-01] wordt vermeld dat er € 48.400,00 moet worden betaald door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] . met omschrijving “Fee 2018 voor verrichte werkzaamheden m.b.t. verkoop grondstoffen volgens specificatie”, terwijl deze werkzaamheden in werkelijkheid niet waren verricht en/of deze specificatie niet was opgemaakt;
B. bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat op de factuur [DOC-013-01] wordt vermeld dat er € 69.575,00 moet worden betaald door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] . met omschrijving “Aanvulling op Fee 2018 m.b.t. verkoop grondstoffen”, terwijl deze (aanvullende) werkzaamheden waarop deze fee is gebaseerd in werkelijkheid niet verricht waren en/of een (aanvullende) specificatie niet was opgemaakt;
T.a.v. feit 2:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 te Waspik, Putten en/of Waalwijk, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,
één of meer valse en/of vervalste geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2]
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst, met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,
bestaande die valsheid/vervalsing hierin door in deze bedrijfsadministratie op te nemen,
A. een factuur met factuurnummer 201801 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] d.d. 14 december 2018 [DOC-001-01] waarop wordt vermeld dat er € 48.400,00 moet worden betaald door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] . met omschrijving “Fee 2018 voor verrichte werkzaamheden m.b.t. verkoop grondstoffen volgens specificatie”, terwijl deze werkzaamheden in werkelijkheid niet verricht waren en/of deze specificatie niet was opgemaakt; en/of
B. een factuur met factuurnummer 202001 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] d.d. 2 oktober 2020 [DOC-013-01] waarop wordt vermeld dat er € 69.575,00 moet worden betaald door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] . met omschrijving “Aanvulling op Fee 2018 m.b.t. verkoop grondstoffen”, terwijl de (aanvullende) werkzaamheden waarop deze fee is gebaseerd in werkelijkheid niet verricht waren en/of een (aanvullende) specificatie niet was opgemaakt;
T.a.v. feit 3:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 te Waspik, Putten en/of Waalwijk, in elk geval in Nederland,
- aan iemand, te weten [medeverdachte] , die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking en/of optredend als lasthebber van/bij [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] (in de functie van bestuurder en/of directeur),
naar aanleiding van hetgeen die [medeverdachte] , in zijn dienstbetrekking en/of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zou doen en/of zou nalaten,
(telkens) (een) gift(en) en/of belofte(s) heeft gedaan en/of dienst(en) heeft verleend en/of heeft aangeboden,
te weten
- de betaling van een geldbedrag van € 48.400,00 door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] ., en/of
- de betaling van een geldbedrag van € 69.575,00 door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] .
van die aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, redelijkerwijs moest aannemen dat die [medeverdachte] handelt in strijd met zijn plicht en dit in strijd met de goede trouw verzwijgt tegen zijn werkgever en/of lastgever;
T.a.v. feit 4:
hij op of omstreeks 10 november 2025 te ‘s-Hertogenbosch, althans in Nederland, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten als (beëdigde) getuige in het verhoor bij de rechter-commissaris van de rechtbank Oost-Brabant in de strafzaak van [medeverdachte] op 10 november 2025, mondeling en/of schriftelijk persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten:
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “Met meneer [medeverdachte] ?”: “Geen idee. Ik spreek hem niet heel veel. […]” (p. 4 getuigenverklaring bij de RC); en/of
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “Heeft u besproken met meneer [medeverdachte] […] dat u vandaag een andere verklaring gaat afleggen dan bij de FIOD?”: “[…] Ik wist dat ik fout zat. Ik had zelf na het verhoor bij de FIOD moeten zeggen dat ik een onjuiste verklaring heb afgelegd, omdat ik mevrouw [naam] iets op de mouw probeerde te spelden” (p. 4 getuigenverklaring bij de RC); en/of
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “U zegt: Bij de FIOD […] Was er dan wel een specificatie?”: “Het was een vooruitbetaling waarbij [medeverdachte] zei dat hij werkzaamheden wilde doen, maar geen uurtje factuurtje wilde doen. […]” (p. 5 getuigenverklaring bij de RC); en/of
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “Waar heeft u dan precies over gelogen?”: “Over het bedrag van de factuur. Ik zei dat ik dat berekende via een factuur aan hem en aan zijn holding uitbetaalde. […]” (p. 5 getuigenverklaring bij de RC); en/of
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “U had een goede band met meneer [medeverdachte] en dan gaat u iets verklaren wat in strijd is met de waarheid ten koste van hem?”: “Klopt, […]” (p. 6 getuigenverklaring bij de RC); en/of
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “Maar waarom? Ik vraag mij af of u nu naar waarheid verklaart”: “Ik verklaar de waarheid. […] Het is stom en ik heb iemand, onterecht, in een kwaad daglicht gesteld.” (p. 6 getuigenverklaring bij de RC); en/of
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “Waar zag de fee factuur op”: “Voor de werkzaamheden die hij zou gaan verrichten.” (p. 6 getuigenverklaring bij de RC); en/of
- In antwoord op de vraag van de officier van justitie “In het dossier zie ik […] Hoe moet ik dat appje nou dan zien?”: “[…] Het is in ieder geval niet op die 6500 extra berekend, dat kan niet vanwege de marge. Dat is niet aan de orde.” (p. 9 getuigenverklaring bij de RC); en/of
- In antwoord op de opmerking van de officier van justitie “ [medeverdachte] zegt dat u er de 15 bij heeft geteld en u geeft aan dat dat klopt.”: “Ik weet niet waar dat op slaat, niet op het contract, dat is onmogelijk.” (p. 9 getuigenverklaring bij de RC); en/of
- In antwoord op de aanvullende vragen van de rechter-commissaris “U houdt mij voor dat u niks van onenigheid ziet in deze mails”: “[…] Ik blijf erbij dat het ging om een groot conflict en dat ik om die reden heb gelogen tegen de FIOD en tegen mevrouw [naam] .” (p. 11 getuigenverklaring bij de RC); en/of
- In antwoord op de aanvullende vragen van de rechter-commissaris “Op pagina 286 […] aan vergoeding zou krijgen”: “Dat klopt dus niet.” (p. 11 getuigenverklaring bij de RC); en/of
- In antwoord op de aanvullende vragen van de rechter-commissaris “U zegt mij dat […] en dat ik vandaag, onder ede, de waarheid heb verklaard?”: “Ja.” (p. 11 getuigenverklaring bij de RC);

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvullingen ter terechtzitting van 4 juni 2026, heeft de verdediging vrijspraak bepleit van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank.
Vaststelling van de feiten.
Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank het volgende. Verdachte, in zijn hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), heeft 6500 metroton (mt) bio mais verkocht aan [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). Medeverdachte [medeverdachte] was mede-eigenaar van [bedrijf 4] en heeft over deze koop onderhandeld met verdachte. [bedrijf 2] heeft [bedrijf 4] op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] een hoger bedrag berekend dan de eerder geoffreerde prijs, te weten € 15 per mt extra. Deze opslag, van in totaal € 97.500,-, is vervolgens in opdracht van verdachte en op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] door [bedrijf 2] overgeboekt naar diens persoonlijke holding, [bedrijf 1] . Door medeverdachte [medeverdachte] zijn facturen aan [bedrijf 2] verstuurd ter onderbouwing van deze overboekingen.
Verdachte heeft in eerste instantie, bij de FIOD, erkend dat deze facturen betrekking hadden op de meerprijs van de verkoop van de bio mais. Later, bij het verhoor bij de rechter-commissaris en ter zitting, is hij op deze verklaring teruggekomen en heeft hij net als medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat [medeverdachte] advieswerkzaamheden zou hebben verricht voor het bedrijf van verdachte en dat de facturen daar betrekking op hadden. Die gewijzigde verklaring volgt de rechtbank niet. De stelling van verdachte dat hij tegen zijn eerste accountant zou hebben gelogen omdat hij vond dat zij vervelende vragen stelde, en die leugen vervolgens heeft volgehouden bij de FIOD, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De eerste verklaring van verdachte bij de FIOD sluit naadloos aan bij de berichten die hij aan zijn eerste én tweede accountant heeft gestuurd over de aard van deze facturen, en bij de berichten die verdachte en medeverdachte [medeverdachte] elkaar over en weer hebben gestuurd over de facturen, zoals deze zijn opgenomen in de bewijsmiddelen.
T.a.v. het ten laste gelegde onder feit 3.
Voor een bewezenverklaring van actieve niet-ambtelijke omkoping zoals onder feit 3 ten laste gelegd is vereist dat een gift of belofte is gedaan of aangeboden naar aanleiding van enig handelen of nalaten in strijd met de plicht die de ontvanger in die hoedanigheid had. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest.
Niet in geschil is dat de bedrijven van verdachte en zijn medeverdachte al jarenlang een zakelijke relatie onderhielden. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet is gebleken dat die relatie beïnvloed is door de hiervoor beschreven constructie, noch dat zij zonder die constructie zou zijn beëindigd of gewijzigd. De betalingen kunnen dan ook niet worden aangemerkt als gedaan naar aanleiding van enig handelen of nalaten van de medeverdachte in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf 4] .
Daar komt bij dat de gelden ook niet afkomstig waren van [bedrijf 2] , het bedrijf van verdachte, maar van [bedrijf 4] , het bedrijf waarvan medeverdachte [medeverdachte] , de uiteindelijke ontvanger van de gelden, zelf mede-eigenaar was. De betalingen waren geen door verdachte aangeboden vergoeding ter beïnvloeding van het handelen van de medeverdachte in zijn hoedanigheid als directeur, maar kwamen neer op zelfverrijking van de medeverdachte ten koste van de onderneming waar hij zelf mede-eigenaar van was.
De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande betekent dat de in de tenlastelegging opgenomen betalingen niet aan te merken zijn als giften of beloften in de zin van artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van hetgeen hem onder feit 3 ten laste is gelegd.
T.a.v. de overige feiten.
De bewijsmiddelen.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Nadere overweging t.a.v. het ten laste gelegde onder feit 1.
Vanuit [bedrijf 1] . zijn twee facturen gestuurd aan [bedrijf 2] . Op de factuur ter hoogte van € 48.400,- staat vermeld "Fee 2018 voor verrichte werkzaamheden m.b.t. verkoop grondstoffen volgens specificatie". Op de factuur ter hoogte van € 69.575,- staat vermeld "Aanvulling op Fee 2018 m.b.t. verkoop grondstoffen".
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de facturen geen betrekking hadden op door medeverdachte verrichte werkzaamheden en dat de medeverdachte heeft aangestuurd op het sturen van een fee factuur in ruil voor het berekenen van een hogere inkoopprijs. Uit het in de bewijsmiddelen opgenomen e-mailbericht van verdachte aan zijn eerste accountant blijkt bovendien dat er geen specificatie is met betrekking tot deze facturen.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de factuur ter hoogte van € 48.400,- valselijk is opgemaakt nu daarvoor geen werkzaamheden zijn verricht en er geen specificatie van is opgemaakt. Nu de factuur ter hoogte van € 69.575,- met de woorden "Aanvulling op Fee 2018" verwijst naar de eerdere factuur is de rechtbank van oordeel dat ook deze factuur valselijk is opgemaakt. Ook hiervoor zijn geen werkzaamheden verricht en is evenmin een specificatie opgemaakt.
Dat verdachte het oogmerk had de facturen als echt en onvervalst te doen gebruiken blijkt uit het gegeven dat de facturen in het betalingsverkeer zijn gebruikt en door [bedrijf 2] zijn voldaan.
Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de constructie en de facturen bewust en in nauwe samenwerking hebben opgezet, zodat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van medeplegen.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.
Nadere overweging t.a.v. het ten laste gelegde onder feit 2.
Zoals hiervoor onder feit 1 is vastgesteld, zijn de twee fee-facturen valselijk opgemaakt. Verdachte heeft deze facturen opgenomen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] . Door de valse facturen op te nemen in de bedrijfsadministratie heeft verdachte ook die administratie valselijk opgemaakt. De bedrijfsadministratie is bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Zij dient als grondslag voor de financiële verantwoording van de onderneming jegens de Belastingdienst en andere derden. Dat verdachte het oogmerk had de bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te doen gebruiken volgt uit het gegeven dat de administratie als zodanig is bijgehouden.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.
Nadere overweging t.a.v. het ten laste gelegde onder feit 4.
Verdachte is op 10 november 2025 als getuige beëdigd bij de rechter-commissaris van de rechtbank Oost-Brabant in de strafzaak van zijn medeverdachte [medeverdachte] en heeft ter gelegenheid van dat verhoor de in de bewezenverklaring opgenomen verklaringen afgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen vals zijn. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris in essentie, onder ede, verklaard dat hij bij de FIOD een onjuiste verklaring had afgelegd, dat de fee facturen zagen op werkzaamheden die de medeverdachte wilde verrichten en dat hij bij de rechter-commissaris de waarheid sprak. Deze verklaringen staan haaks op de feiten die in dit vonnis ten aanzien van feiten 1 en 2 zijn vastgesteld. Daaruit volgt immers dat de twee facturen betrekking hadden op werkzaamheden die in werkelijkheid niet zijn verricht. Verdachte heeft dit zelf eerder ook verklaard bij de FIOD. De verklaringen die verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd zijn derhalve opzettelijk vals.
Het opzet van verdachte op het afleggen van een valse verklaring volgt uit het gegeven dat hij als directe deelnemer aan de constructie op de hoogte was van de werkelijke gang van zaken. Verdachte wist dat de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen in strijd waren met de waarheid.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, behoudens de onder het eerste gedachtestreepje opgenomen passage “ik spreek hem niet heel veel”. Die passage, betrekking hebbend op medeverdachte [medeverdachte] , roept weliswaar vraagtekens op nu later is gebleken dat zij elkaar wekelijks spraken, maar is niet concreet genoeg om te stellen dat deze daarmee ook vals is.
Het voorwaardelijk verzoek.
Ter terechtzitting heeft de verdediging voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht de getuigen te horen die eerder bij de rechter-commissaris zijn verzocht. Aan het verzoek ligt ten grondslag dat deze getuigen zouden kunnen verklaren over de advieswerkzaamheden die de medeverdachte zou hebben verricht voor [bedrijf 2] . De verzoeken zijn eerder gedaan en bij beslissing van 30 juli 2025 door de rechter-commissaris afgewezen.
De maatstaf voor de beoordeling is het noodzakelijkheidscriterium van artikel 315 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De noodzakelijkheid van het horen van de verzochte getuigen is de rechtbank niet gebleken. De tenlastelegging ziet op de valsheid van twee specifieke facturen en de daarop gebaseerde bedrijfsadministratie. De rechtbank heeft gezien het voorgaande vastgesteld dat de betreffende facturen geen betrekking hebben op door de medeverdachte uitgevoerde werkzaamheden. Of de medeverdachte in algemene zin al dan niet advieswerkzaamheden voor [bedrijf 2] heeft verricht is voor de vaststelling van het voorgaande, en daarmee voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering, niet relevant. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.
Overige verweren.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank niet op die verweren heeft gerespondeerd, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1:
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander,
valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de navolgende documenten:
een factuur met factuurnummer 201801 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] d.d. 14 december 2018 [DOC-001-01], en
een factuur met factuurnummer 202001 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] d.d. 2 oktober 2020 [DOC-013-01],
valselijk hebben opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken,
bestaande die valsheid hierin dat op de factuur [DOC-001-01] wordt vermeld dat er
€ 48.400,00 moet worden betaald door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] . met omschrijving “Fee 2018 voor verrichte werkzaamheden m.b.t. verkoop grondstoffen volgens specificatie”, terwijl deze werkzaamheden in werkelijkheid niet waren verricht en deze specificatie niet was opgemaakt; en
bestaande die valsheid hierin dat op de factuur [DOC-013-01] wordt vermeld dat er
€ 69.575,00 moet worden betaald door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] . met omschrijving “Aanvulling op Fee 2018 m.b.t. verkoop grondstoffen”, terwijl deze (aanvullende) werkzaamheden waarop deze fee is gebaseerd in werkelijkheid niet verricht waren en een (aanvullende) specificatie niet was opgemaakt;
T.a.v. feit 2:
hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 in Nederland,
één geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2]
valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken,
bestaande die valsheid hierin door in deze bedrijfsadministratie op te nemen,
een factuur met factuurnummer 201801 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] d.d. 14 december 2018 [DOC-001-01] waarop wordt vermeld dat er € 48.400,00 moet worden betaald door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] . met omschrijving “Fee 2018 voor verrichte werkzaamheden m.b.t. verkoop grondstoffen volgens specificatie”, terwijl deze werkzaamheden in werkelijkheid niet verricht waren en deze specificatie niet was opgemaakt; en
een factuur met factuurnummer 202001 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] d.d. 2 oktober 2020 [DOC-013-01] waarop wordt vermeld dat er € 69.575,00 moet worden betaald door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] . met omschrijving “Aanvulling op Fee 2018 m.b.t. verkoop grondstoffen”, terwijl de (aanvullende) werkzaamheden waarop deze fee is gebaseerd in werkelijkheid niet verricht waren en een (aanvullende) specificatie niet was opgemaakt;
T.a.v. feit 4:
op 10 november 2025 te ’s-Hertogenbosch, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde, te weten als beëdigde getuige in het verhoor bij de rechter-commissaris van de rechtbank Oost-Brabant in de strafzaak van [medeverdachte] op 10 november 2025, mondeling persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten:
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “Heeft u besproken met meneer [medeverdachte] […] dat u vandaag een andere verklaring gaat afleggen dan bij de FIOD?”: “[…] Ik wist dat ik fout zat. Ik had zelf na het verhoor bij de FIOD moeten zeggen dat ik een onjuiste verklaring heb afgelegd, omdat ik mevrouw [naam] iets op de mouw probeerde te spelden” (p. 4 getuigenverklaring bij de RC); en
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “U zegt: Bij de FIOD […] Was er dan wel een specificatie?”: “Het was een vooruitbetaling waarbij [medeverdachte] zei dat hij werkzaamheden wilde doen, maar geen uurtje factuurtje wilde doen. […]” (p. 5 getuigenverklaring bij de RC); en
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “Waar heeft u dan precies over gelogen?”: “Over het bedrag van de factuur. Ik zei dat ik dat berekende via een factuur aan hem en aan zijn holding uitbetaalde. […]” (p. 5 getuigenverklaring bij de RC); en
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “U had een goede band met meneer [medeverdachte] en dan gaat u iets verklaren wat in strijd is met de waarheid ten koste van hem?”: “Klopt, […]” (p. 6 getuigenverklaring bij de RC); en
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “Maar waarom? Ik vraag mij af of u nu naar waarheid verklaart”: “Ik verklaar de waarheid. […] Het is stom en ik heb iemand, onterecht, in een kwaad daglicht gesteld.” (p. 6 getuigenverklaring bij de RC); en
- In antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “Waar zag de fee factuur op”: “Voor de werkzaamheden die hij zou gaan verrichten.” (p. 6 getuigenverklaring bij de RC); en
- In antwoord op de vraag van de officier van justitie “In het dossier zie ik […] Hoe moet ik dat appje nou dan zien?”: “[…] Het is in ieder geval niet op die 6500 extra berekend, dat kan niet vanwege de marge. Dat is niet aan de orde.” (p. 9 getuigenverklaring bij de RC); en
- In antwoord op de opmerking van de officier van justitie “ [medeverdachte] zegt dat u er de 15 bij heeft geteld en u geeft aan dat dat klopt.”: “Ik weet niet waar dat op slaat, niet op het contract, dat is onmogelijk.” (p. 9 getuigenverklaring bij de RC); en
- In antwoord op de aanvullende vragen van de rechter-commissaris “U houdt mij voor dat u niks van onenigheid ziet in deze mails”: “[…] Ik blijf erbij dat het ging om een groot conflict en dat ik om die reden heb gelogen tegen de FIOD en tegen mevrouw [naam] .” (p. 11 getuigenverklaring bij de RC); en
- In antwoord op de aanvullende vragen van de rechter-commissaris “Op pagina 286 […] aan vergoeding zou krijgen”: “Dat klopt dus niet.” (p. 11 getuigenverklaring bij de RC); en
- In antwoord op de aanvullende vragen van de rechter-commissaris “U zegt mij dat […] en dat ik vandaag, onder ede, de waarheid heb verklaard?”: “Ja.” (p. 11 getuigenverklaring bij de RC);
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan meineed. Verdachte heeft als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris een beëdigde en op meerdere punten leugenachtige verklaring afgelegd. Meineed raakt de kern van het strafvorderlijk systeem. De waarheidsvinding in strafzaken is in belangrijke mate afhankelijk van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. Getuigen worden beëdigd juist om het belang van de waarheid te onderstrepen en de verklaring rechtskracht te geven. Door desondanks een valse verklaring af te leggen heeft verdachte het fundament van die waarheidsvinding aangetast.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij op verzoek van zijn medeverdachte heeft meegewerkt aan het opmaken van twee valse facturen, wetende dat deze facturen geen grondslag hadden in een werkelijk geleverde prestatie en waarmee hij zijn medeverdachte heeft geholpen wederrechtelijk ruim € 100.000,- aan gelden te ontvangen van het bedrijf waar medeverdachte samen met zijn broer eigenaar van was en wat hij kort nadien met terugwerkende kracht heeft verkocht.
Valsheid in geschrift ondermijnt het vertrouwen dat in het economisch verkeer wordt gesteld in de juistheid van schriftelijke bescheiden. Ook wie aan de totstandkoming van valse bescheiden meewerkt op verzoek van een ander draagt bij aan die ondermijning.
Hoewel verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan ernstige feiten, neemt de rechtbank bij de bepaling van de straf in aanmerking dat verdachte niet de initiatiefnemer was in het opstellen van de constructie met de valse facturen. Het was de medeverdachte die verdachte heeft verzocht mee te werken aan het opmaken en voldoen van de valse facturen. Verdachte heeft zich daartoe bereid getoond, maar zijn rol was een andere dan die van de medeverdachte die de constructie heeft bedacht, in gang heeft gezet en daar financieel voordeel van heeft gehad. De rechtbank weegt het voorgaande in strafmatigende zin mee.
Schending redelijke termijn.
Iedere verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In de onderhavige zaak oordeelt de rechtbank dat deze termijn op 6 november 2023 bij de doorzoeking van de woning van verdachte is aangevangen. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren stelt de rechtbank vast dat deze termijn met ruim zeven maanden is geschonden. De rechtbank zal met deze schending rekening houden bij de bepaling van de op te leggen straf.
De strafmodaliteit.
De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank ziet aanleiding om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gezien het lange tijdsverloop, de partiële vrijspraak, de beperktere rol van verdachte en de oudheid van de feiten. De rechtbank acht oplegging van een taakstraf wel passend en geboden. Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal de rechtbank bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.
De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het oogpunt van juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met alleen oplegging van een taakstraf. Daarom zal de rechtbank ook een gevangenisstraf aan verdachte opleggen, maar geheel voorwaardelijk. Deze voorwaardelijke straf zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte, opdat hij niet opnieuw een strafbaar feit begaat.
Conclusie.
Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank legt aldus een lagere straf op dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder feit 3 ten laste gelegde, rekening houdt met de overschrijding van de redelijke termijn en de rechtbank van oordeel is dat deze straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 207, 225 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van hetgeen hem onder feit 3 ten laste is gelegd.

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaartniet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
medeplegen van valsheid in geschrift
t.a.v. feit 2:
valsheid in geschrift
t.a.v. feit 4:
in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen.

- Een
taakstrafvoor de duur van
180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis
- Een
gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Langstraat, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. A.A. Bloemberg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 18 juni 2026.