Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4374

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
82.271941.23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen valsheid in geschrift met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift. Verdachte had samen met een medeverdachte twee valse facturen opgesteld ter waarde van ruim € 100.000,-, die als echt en onvervalst werden gebruikt om geld aan zijn eigen onderneming te onttrekken.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastelegging van passieve niet-ambtelijke omkoping, omdat de betalingen niet als giften of beloften konden worden aangemerkt. De valsheid in geschrift was wettig en overtuigend bewezen, mede door e-mailcorrespondentie en verklaringen van de medeverdachte.

De rechtbank wees een verzoek tot het horen van getuigen af, omdat dit niet noodzakelijk was voor de bewezenverklaring. Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de schending van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uiteindelijk legde de rechtbank een taakstraf van 180 uur op, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een proeftijd van twee jaar. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie vanwege vrijspraak van het eerste feit en de termijnoverschrijding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar voor medeplegen van valsheid in geschrift.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [82.271941.23]
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.271941.23
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1959] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 maart 2026. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 4 juni 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 te Waspik, Putten en/of Waalwijk, in elk geval in Nederland,
anders dan als ambtenaar, te weten werkzaam zijnde in dienstbetrekking en/of optredend als lasthebber bij/ [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] (in de functie van bestuurder en/of directeur),
naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn dienstbetrekking en/of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zou doen en/of zou nalaten,
(telkens) (een) gift(en) en/of belofte(s) en/of dienst(en),
te weten
- de betaling van een geldbedrag van € 48.400,00 door [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] , en/of
- de betaling van een geldbedrag van € 69.575,00 door [bedrijf 3] aan [bedrijf 4]
heeft aangenomen en/of gevraagd en dit aannemen en/of vragen in strijd met de
goeder trouw (telkens) heeft verzwegen tegenover zijn werkgever en/of lastgever;
T.a.v. feit 2:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december2020 te Waspik, Putten en/of Waalwijk, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,
één of meer valse en/of vervalste geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de/het navolgende document(en) :
C. een factuur met factuurnummer 201801 van [bedrijf 4] aan [bedrijf 3] d.d. 14 december 2018 [DOC-001-01], en/of
D. een factuur met factuurnummer 202001 van [bedrijf 4] aan [bedrijf 3] d.d. 2 oktober 2020 [DOC-013-01],
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst, met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,
C. bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat op de factuur [DOC-001-01] wordt vermeld dat er € 48.400,00 moet worden betaald door [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] met omschrijving “Fee 2018 voor verrichte werkzaamheden m.b.t. verkoop grondstoffen volgens specificatie”, terwijl deze werkzaamheden in werkelijkheid niet waren verricht en/of deze specificatie niet was opgemaakt;
D. bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat op de factuur [DOC-013-01] wordt vermeld dat er € 69.575,00 moet worden betaald door [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] met omschrijving “Aanvulling op Fee 2018 m.b.t. verkoop grondstoffen”, terwijl deze (aanvullende) werkzaamheden waarop deze fee is gebaseerd in werkelijkheid niet verricht waren en/of een (aanvullende) specificatie niet was opgemaakt;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvullingen ter terechtzitting van 4 juni 2026 heeft de verdediging vrijspraak bepleit van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank.
Vaststelling van de feiten.
Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank het volgende. Medeverdachte [medeverdachte] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ), heeft 6500 metroton (mt) bio mais verkocht aan [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). Verdachte was mede-eigenaar van [bedrijf 2] en heeft over deze koop onderhandeld met de medeverdachte. [bedrijf 3] heeft [bedrijf 2] op verzoek van verdachte een hoger bedrag berekend dan de eerder geoffreerde prijs, te weten € 15 per mt extra. Deze opslag, van in totaal € 97.500,-, is vervolgens in opdracht van medeverdachte en op verzoek van verdachte door [bedrijf 3] overgeboekt naar diens persoonlijke holding, [bedrijf 4] Door verdachte zijn facturen aan [bedrijf 3] verstuurd ter onderbouwing van deze overboekingen.
Medeverdachte heeft in eerste instantie, bij de FIOD, erkend dat deze facturen betrekking hadden op de meerprijs van de verkoop van de bio mais. Later, bij het verhoor bij de rechter-commissaris en ter zitting, is hij op deze verklaring teruggekomen en heeft hij net als verdachte verklaard dat verdachte advieswerkzaamheden zou hebben verricht voor het bedrijf van medeverdachte en dat de facturen daar betrekking op hadden. Die gewijzigde verklaring volgt de rechtbank niet. De stelling van medeverdachte dat hij tegen zijn eerste accountant zou hebben gelogen omdat hij vond dat zij vervelende vragen stelde, en die leugen vervolgens heeft volgehouden bij de FIOD, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De eerste verklaring van medeverdachte bij de FIOD sluit naadloos aan bij de berichten die hij aan zijn eerste én tweede accountant heeft gestuurd over de aard van deze facturen, en bij de berichten die medeverdachte en verdachte elkaar over en weer hebben gestuurd over de facturen, zoals deze zijn opgenomen in de bewijsmiddelen.
T.a.v. het ten laste gelegde onder feit 1.
Voor een bewezenverklaring van passieve niet-ambtelijke omkoping zoals onder feit 1 ten laste gelegd is vereist dat een gift of belofte is aangenomen of gevraagd naar aanleiding van enig handelen of nalaten in strijd met de plicht die verdachte in die hoedanigheid had. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest.
Niet in geschil is dat de bedrijven van verdachte en zijn medeverdachte al jarenlang een zakelijke relatie onderhielden. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet is gebleken dat die relatie beïnvloed is door de hiervoor beschreven constructie, noch dat zij zonder die constructie zou zijn beëindigd of gewijzigd. De betalingen kunnen dan ook niet worden aangemerkt als gedaan naar aanleiding van enig handelen of nalaten van de medeverdachte in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf 2] .
Daar komt bij dat de gelden ook niet afkomstig waren van [bedrijf 3] , het bedrijf van de medeverdachte [medeverdachte] , maar van [bedrijf 2] , het bedrijf waarvan verdachte, de uiteindelijke ontvanger van de gelden, zelf mede-eigenaar was. De betalingen waren geen door de medeverdachte aangeboden vergoeding ter beïnvloeding van het handelen van de verdachte in zijn hoedanigheid als directeur, maar kwamen neer op zelfverrijking van de verdachte ten koste van de onderneming waar hij zelf mede-eigenaar van was.
De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande betekent dat de in de tenlastelegging opgenomen betalingen niet aan te merken zijn als giften of beloften in de zin van artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van hetgeen hem onder feit 1 ten laste is gelegd.
T.a.v. het ten laste gelegde onder feit 2.
De bewijsmiddelen.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Nadere overweging van de rechtbank.
Vanuit [bedrijf 4] zijn twee facturen gestuurd aan [bedrijf 3] . Op de factuur ter hoogte van € 48.400,- staat vermeld "Fee 2018 voor verrichte werkzaamheden m.b.t. verkoop grondstoffen volgens specificatie". Op de factuur ter hoogte van € 69.575,- staat vermeld "Aanvulling op Fee 2018 m.b.t. verkoop grondstoffen".
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de facturen geen betrekking hadden op door verdachte verrichte werkzaamheden en dat de verdachte heeft aangestuurd op het sturen van een fee factuur in ruil voor het berekenen van een hogere inkoopprijs. Uit het in de bewijsmiddelen opgenomen e-mailbericht van medeverdachte aan zijn eerste accountant blijkt bovendien dat er geen specificatie is met betrekking tot deze facturen.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de factuur ter hoogte van € 48.400,- valselijk is opgemaakt nu daarvoor geen werkzaamheden zijn verricht en er geen specificatie van is opgemaakt. Nu de factuur ter hoogte van € 69.575,- met de woorden "Aanvulling op Fee 2018" verwijst naar de eerdere factuur is de rechtbank van oordeel dat ook deze factuur valselijk is opgemaakt. Ook hiervoor zijn geen werkzaamheden verricht en is evenmin een specificatie opgemaakt.
Dat verdachte het oogmerk had de facturen als echt en onvervalst te doen gebruiken blijkt uit het gegeven dat verdachte de facturen heeft opgesteld en naar [bedrijf 3] heeft gestuurd met het doel deze te laten voldoen.
Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de constructie en de facturen bewust en in nauwe samenwerking hebben opgezet, zodat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van medeplegen.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.
Het voorwaardelijk verzoek.
Ter terechtzitting heeft de verdediging voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht de getuigen te horen die eerder bij de rechter-commissaris zijn verzocht. Aan het verzoek ligt ten grondslag dat deze getuigen zouden kunnen verklaren over de advieswerkzaamheden die verdachte zou hebben verricht voor [bedrijf 3] . De verzoeken zijn eerder gedaan en bij beslissing van 30 juli 2025 door de rechter-commissaris afgewezen.
De maatstaf voor de beoordeling is het noodzakelijkheidscriterium van artikel 315 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De noodzakelijkheid van het horen van de verzochte getuigen is de rechtbank niet gebleken. De tenlastelegging ziet op de valsheid van twee specifieke facturen. De rechtbank heeft gezien het voorgaande vastgesteld dat de betreffende facturen geen betrekking hebben op door verdachte uitgevoerde werkzaamheden. Of verdachte in algemene zin al dan niet advieswerkzaamheden voor [bedrijf 3] heeft verricht is voor de vaststelling van het voorgaande, en daarmee voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering, niet relevant. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.
Overige verweren.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank niet op die verweren heeft gerespondeerd, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
t.a.v. feit 2:
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander,
valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de navolgende documenten:
een factuur met factuurnummer 201801 van [bedrijf 4] aan [bedrijf 3] d.d. 14 december 2018 [DOC-001-01], en
een factuur met factuurnummer 202001 van [bedrijf 4] aan [bedrijf 3] d.d. 2 oktober 2020 [DOC-013-01],
valselijk hebben opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken,
bestaande die valsheid hierin dat op de factuur [DOC-001-01] wordt vermeld dat er € 48.400,00 moet worden betaald door [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] met omschrijving “Fee 2018 voor verrichte werkzaamheden m.b.t. verkoop grondstoffen volgens specificatie”, terwijl deze werkzaamheden in werkelijkheid niet waren verricht en deze specificatie niet was opgemaakt; en
bestaande die valsheid hierin dat op de factuur [DOC-013-01] wordt vermeld dat er € 69.575,00 moet worden betaald door [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] met omschrijving “Aanvulling op Fee 2018 m.b.t. verkoop grondstoffen”, terwijl deze (aanvullende) werkzaamheden waarop deze fee is gebaseerd in werkelijkheid niet verricht waren en een (aanvullende) specificatie niet was opgemaakt;

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met een proeftijd van twee jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift. Hij heeft door middel van het laten opstellen van twee valse facturen ruim € 100.000,- onttrokken aan zijn eigen onderneming, vlak voordat deze werd verkocht aan een derde partij. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen de vennootschap benadeeld, maar ook de koper van de onderneming.
Valsheid in geschrift ondermijnt het maatschappelijke vertrouwen in schriftelijke bescheiden die in het handelsverkeer als authentiek moeten kunnen worden beschouwd. Dit vertrouwen is fundamenteel voor het functioneren van het economisch verkeer. Verdachte heeft dit vertrouwen op doelgerichte wijze misbruikt voor zijn eigen financiële gewin. Verdachte was in het opzetten van deze constructie met zijn medeverdachte de initiatiefnemer en degene die daar financieel voordeel van heeft gehad. Dit voorgaande rekent de rechtbank verdachte in strafverzwarende zin aan.
Schending redelijke termijn.
Iedere verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In de onderhavige zaak oordeelt de rechtbank dat deze termijn op 6 november 2023 bij de doorzoeking van de woning van verdachte is aangevangen. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar stelt de rechtbank vast dat deze termijn met ruim zeven maanden is geschonden. De rechtbank zal met deze schending rekening houden bij de bepaling van de op te leggen straf.
De strafmodaliteit.
De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank ziet aanleiding om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gezien het lange tijdsverloop en de oudheid van de feiten. De rechtbank acht oplegging van een taakstraf wel passend en geboden. Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal de rechtbank bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.
De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het oogpunt van juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met alleen oplegging van een taakstraf. Daarom zal de rechtbank ook een gevangenisstraf aan verdachte opleggen. Deze voorwaardelijke straf zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte, opdat hij niet opnieuw een strafbaar feit begaat.
Conclusie.
Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank legt aldus een lagere straf op dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder feit 1 ten laste gelegde, rekening houdt met de overschrijding van de redelijke termijn en de rechtbank van oordeel is dat deze straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 225 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van hetgeen hem onder feit 1 ten laste is gelegd.

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaartniet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
t.a.v. feit 2:
medeplegen van valsheid in geschrift

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen.

- Een
taakstrafvoor de duur van
180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis
- Een
gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Langstraat, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. A.A. Bloemberg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 18 juni 2026.