Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4382

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
SHE 25/3540 en 25/3472
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 ParaplubestemmingsplanArt. 3.2 ParaplubestemmingsplanArt. 4.1 ParaplubestemmingsplanArt. 17 Bestemmingsplan Stratum binnen de Ring IIArt. 2.4 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning herontwikkeling begane grond naar 24 appartementen in Eindhoven

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 19 juni 2026 uitspraak gedaan in twee samengevoegde bestuursrechtelijke zaken betreffende de omgevingsvergunning voor de herontwikkeling van de begane grond van een pand in Eindhoven naar 24 appartementen. Eisers voerden aan dat de vergunning in strijd is met het Paraplubestemmingsplan, met name artikel 3.1 over woningsplitsing, en dat de parkeernormen niet worden nageleefd.

De rechtbank oordeelt dat artikel 3.1 van het Paraplubestemmingsplan niet van toepassing is omdat het panddeel waarvoor de vergunning is aangevraagd een kantoorfunctie heeft en geen bestaande woning betreft. Hierdoor is er geen sprake van een verboden woningsplitsing. Ook de toetsing aan artikel 3.2, die een afwijking mogelijk maakt bij een acceptabel woon- en leefklimaat, is niet aan de orde omdat artikel 3.1 niet van toepassing is.

Ten aanzien van de parkeernormen stelt de rechtbank vast dat het college de parkeerbehoefte correct heeft berekend, inclusief een HOV-reductie van 25%. De aangewezen 28 parkeerplaatsen zijn voldoende en de privaatrechtelijke bezwaren over exclusiviteit van parkeerplaatsen zijn niet relevant voor de planologische beoordeling. De rechtbank concludeert dat de vergunning terecht is verleend en verklaart de beroepen ongegrond. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de omgevingsvergunning voor de transformatie naar 24 appartementen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3540 OWBOUW
SHE 25/3472

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaken tussen

SHE 25/3540: [eisers] ,

[eisers],
[eisers],
allen uit [woonplaats] , eisers 1,
(gemachtigde: mr. G.R.R. Knarren),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college,
(gemachtigde: mr. J. van den Boom)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [vestigingsplaats] , vergunninghoudster,
(gemachtigden: mr. T. Delmee, mr. M. Ceelen en [naam] ).
SHE 25/3472:
de Vereniging van Eigenaren [naam]uit [vestigingsplaats] , eiseres 2,
(gemachtigde: mw. mr. L. Klaus),
en
het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eindhoven, het college,
(gemachtigde: mr. J. van den Boom).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam] .uit [vestigingsplaats] , vergunninghoudster,
(gemachtigden: mr. T. Delmee, mr. M. Ceelen en [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor een “omgevingsplanactiviteit -een bouwwerk” voor de herontwikkeling/transformatie van de begane grond naar 24 appartementen van het pand gelegen aan de [adres] en [nummer] in [vestigingsplaats] . Eisers 1 en eiseres 2 zijn het niet eens met deze vergunningen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank heeft ter zitting aan de orde gesteld of de aldaar aanwezige partijen akkoord gaan met voeging van de beide beroepszaken zodat één uitspraak wordt gedaan. Partijen hebben daarmee ingestemd.
1.2.
De rechtbank komt in deze gevoegde uitspraak tot het oordeel dat het beroep in beide zaken ongegrond is. Eisers 1 en eiseres 2 krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en een technische bouwactiviteit voor de herontwikkeling/transformatie van de begane grond van een pand aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Het college heeft deze aanvraag met de primaire besluiten van 23 mei 2025 toegewezen. Met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 op het bezwaar van eisers 1 en eiseres 2 is het college bij de toewijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers 1 en eiseres 2 hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij schrijven van 8 mei 2026 heeft eiseres 2 aanvullende gronden van beroep ingediend.
2.4.
Bij brief van 15 mei 2026 hebben eisers 1 een reactie op het verweerschrift gegeven.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep in beide zaken op 27 mei 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. L. Klaus als de gemachtigde van eiseres 2, de gemachtigde van het college en de gemachtigden van vergunninghoudster.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. - Op 8 december 2024 heeft Architectenburo [naam] namens vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor de herontwikkeling/transformatie van de begane grond (kantoorruimte) naar 24 appartementen en studio’s in het pand gelegen aan de [adres] en [nummer] in [vestigingsplaats] . Het gaat om appartementen op de begane grond met een oppervlakte tot 50 m2. Op de 1e en 2e verdieping van het gebouw zijn in totaal reeds 24 appartementen met een oppervlakte van 50 tot 75 m2 aanwezig.
Bij de aanvraag is een parkeeronderzoek d.d. 6 december 2024 gevoegd waarin is aangegeven dat in de nieuwe situatie sprake is van een parkeerbehoefte van 18 parkeer-plaatsen. Met HOV-reductie: 13 parkeerplaatsen.
- Bij primaire besluiten van 23 mei 2025 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de “omgevingsplanactiviteit- een bouwwerk” respectievelijk een omgevingsvergunning voor een zogeheten technische bouwactiviteit.
- Tegen het besluit voor de omgevingsplanactiviteit hebben eisers 1 en eiseres 2 afzonderlijk bezwaar gemaakt.
- Op 22 oktober 2025 heeft op verzoek van het college een herberekening van de parkeerbehoefte plaatsgevonden waarbij is uitgegaan van (alle) 48 woningen in het gebouw. Uit deze berekening volgt een behoefte van 28 parkeerplaatsen en is bij het bestreden besluit van 30 oktober 2025 gevoegd. Als bijlage is tevens een tekening bijgevoegd van vergunninghoudster met daarop de 28 parkeerplaatsen weergegeven.
Artikel 3.1 Parapluplan
4. Eisers 1 stellen zich op het standpunt dat de beoogde (woning)splitsing naar 24 appartementen niet is toegestaan omdat het besluit uitgaat van de verkeerde reikwijdte van artikel 3.1, onder a. van het “Paraplubestemmingsplan Parkeren, Kamerbewoning en Woningsplitsing 2021” (hierna: Parapluplan). Het gaat in dit geval om een als woongebouw bestemde woning die legaal in gebruik is voor een andere functie dan wonen, namelijk als kantoor. De planregels staan woningvermeerdering niet toe. Voor de toepassing van het Parapluplan is beslissend wat planologisch is toegestaan. Bepalend is of het onderliggende plan de gronden (mede) als wonen bestemt; het feitelijke gebruik (bijvoorbeeld kantoor) doet daar niet aan af voor de vraag of het verbod op woningvorming/splitsing geldt. In dit geval gaat het om een gebouw dat planologisch een woonfunctie heeft, waarbij nu woningsplitsing wordt beoogd naar 2 of meer zelfstandige woningen. Daarmee voldoet de situatie aan de voorwaarden van artikel 3.1 onder a, en is woningsplitsing op grond van die bepaling verboden. Het standpunt van het college dat geen sprake is van een “wijziging” omdat het woondeel wordt uitgebreid binnen een gemengd gebouw is onjuist. Het splitsen of verdichten van een bestaand woondeel naar meerdere woningen vormt juist de wijziging die artikel 3.1, onder a, expliciet wil voorkomen. De aanwezigheid van kantoren op de begane grond en de functieaanduiding “gemengd” ingevolge “Stratum Binnen de Ring II” op de locatie doet daar niet aan af nu ingevolge dit bestemmingsplan er sprake is van een woonbestemming die rechtstreeks van toepassing is op de vergunde locatie. Gelet hierop is het bestreden besluit ten onrechte voorbij gegaan aan de reikwijdte van artikel 3.1 van het Parapluplan, zo stellen eisers 1.
4.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat -afgezien van het thans van het Omgevingsplan onderdeel uitmakend bestemmingsplan “Stratum binnen de Ring II”- tevens
het hiervan onderdeel uitmakende Parapluplan van toepassing is. Hierbij zijn met name artikel 3.1 en de begrippen “woning” en “woongebouw” in artikel 1 van Pro het Parapluplan van belang. In dit geval betreft de legale situatie op de begane grond een kantoorfunctie.
De bestemming “kantoor” is vanaf de bouw van het pand aanwezig. Daarom is geen sprake van een situatie waarin het gebruik van een woning wordt gewijzigd omdat het gaat om kantoren. Evenmin is sprake van een situatie zoals omschreven in artikel 3.1 onder a van het Parapluplan, namelijk een als woning bestemde woning die legaal in gebruik is voor een andere functie dan wonen en wordt gewijzigd naar twee of meer woningen. Deze bepaling zou alleen van toepassing zijn indien er eerst sprake was van woningen die vervolgens (legaal) zijn getransformeerd naar kantoren waarna deze kantoren opnieuw zouden worden getransformeerd naar (meerdere) appartementen. Deze situatie doet zich hier niet voor. Bij de bouw van het gebouw is voorzien in kantoren op de begane grond en woningen op de eerste en tweede verdieping. Het Parapluplan is specifiek bedoeld als toetsingskader voor de wijziging van een woning naar kamerverhuur of van een woning naar meerdere woningen.
In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat de ruimten vanaf de oprichting zowel planologisch zijn toegestaan als feitelijk gebruikt als kantoorruimte. Omdat geen bestaande woning aanwezig is die wordt gewijzigd is artikel 3.1 van het Parapluplan niet van toepassing. Het standpunt van eisers dat de planologische bestemming “Wonen 2” ertoe zou leiden dat de kantoorruimte juridisch als woning moet worden aangemerkt is onjuist. De begrippen “woning” en “woongebouw” zijn in het Paraplubestemmingplan gedefinieerd als feitelijke gebruikseenheden. Voor de vraag of artikel 3.1 van toepassing is, is bepalend wat de legale feitelijke gebruikstoestand was voorafgaand aan het besluit.
4.2.
In een reactie op het verweerschrift hebben eisers 1 gesteld dat voor de vraag of sprake is van woningsplitsing niet de feitelijke gebruikstoestand doorslaggevend is, maar dient te worden uitgegaan van de planologische duiding van het object. Artikel 3 van Pro het Parapluplan is expliciet van toepassing op bestemmingen die de functie wonen mogelijk maken. In het onderliggende bestemmingsplan “Stratum Binnen de Ring II” rust op het perceel de bestemming Wonen (Wonen 2). Daarmee is sprake van een locatie waarop de functie wonen planologisch is toegestaan.
Zij vinden dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het moet gaan om een bestaande woning of een als woning bestemde woning naar meerdere woningen om te kunnen spreken van woningsplitsing in de zin van het Parapluplan. Eisers 1 stellen dat sprake is van een wijziging van een als woongebouw bestemd object dat feitelijk in gebruik is voor een andere functie, naar meerdere woningen. Daarmee is artikel 3.1 van het Parapluplan naar hun mening van toepassing.
4.3.
Ter plaatse is het “Omgevingsplan gemeente Eindhoven” van toepassing.
Het bestemmingsplan “Stratum binnen de Ring II” maakt thans onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Eindhoven. Op grond hiervan heeft het pand aan de [adres] ingevolge artikel 17 de Pro hoofdbestemming “Wonen-2” en de functieaanduiding “gemengd”. Wonen is rechtstreeks toegestaan (artikel 17.1 onder a.) en eveneens kantoren op de begane grond (art. 17.1 onder d.).
Gelet op de bestemming wonen past de transformatie van kantoorruimte op de begane grond naar 24 appartementen rechtstreeks in dit bestemmingsplan.
Daarnaast is ook het “Paraplubestemmingsplan parkeren, kamerbewoning en woning-splitsing 2021” (het Parapluplan) van toepassing. Meer concreet wordt met dit Parapluplan het bestaande beleid inzake parkeren, kamerbewoning en woningsplitsing ook juridisch planologisch verankerd.
4.. In geschil is of artikel 3.1 aanhef en onder a. van het Parapluplan van toepassing is en, zo ja, of de aanvraag in strijd is met deze bepaling.
4.4.1.
Artikel 3.1 aanhef en onder a. van het Parapluplan luidt als volgt:
“Binnen de betreffende bestemmingsomschrijving wordt onder de genoemde functies toegevoegd, voor zover nog niet aanwezig:
met dien verstande dat:
een als woning, dan wel woongebouw bestemde woning, die legaal in gebruik is voor een andere functie dan wonen, mag niet worden gewijzigd naar twee of meer woningen.”
4.4.2.
De rechtbank stelt vast dat voorwaarde voor toepassing van het in artikel 3.1 aanhef en onder a. van het Parapluplan opgenomen verbod is dat sprake is van een als woning, dan wel als woongebouw bestemde woning. Voor de beantwoording of sprake is van een dergelijke woonbestemming bij het pand aan de [adres] dient artikel 17 van Pro het bestemmingsplan “Stratum binnen de Ring II” te worden bezien.
4.4.3.
Onder de bestemming “Wonen-2” valt onder meer “wonen in de vorm van woongebouwen” (artikel 17 sub Pro a.) en “kantoor” ter plaatse van de aanduiding “gemengd” (artikel 17 sub Pro d.). Er is ingevolge artikel 17 geen Pro sprake van alleen de specifieke bestemming “woning” omdat deze planbepaling een ruimer bereik heeft. Dit volgt ook uit het feit dat de benedenverdieping nooit eerder feitelijk in gebruik geweest als woning maar sprake is van (legaal) gebruik als kantoor.
4.4.4.
De rechtbank heeft voor de vraag of artikel 3.1 onder a. van het Parapluplan op de aanvraag van toepassing is, tevens de Toelichting hierop in aanmerking genomen. In de Toelichting op het Parapluplan wordt onder verwijzing naar de voormalige Huisvestingswet 2014 aangegeven dat is beoogd om woningsplitsing niet toe te staan. Een woning mag niet worden verbouwd tot meer woningen. Aangegeven is dat hiermee wordt geregeld dat het in strijd is met het bestemmingsplan als in een woning één of meer woonvoorzieningen (zoals wc, keuken en sanitair) en/of scheidingswanden worden geplaatst, waardoor meer woningen ontstaan.
4.4.5.
Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 onder a. van het Parapluplan -in samenhang bezien met de Toelichting- is de rechtbank van oordeel dat met het bepaalde in artikel 3.1 onder a alleen is beoogd om splitsing te voorkomen van woningen. Daaronder vallen alle als woning of woongebouw bestemde woningen. De uitleg van het college dat de toevoeging ten aanzien van een woning “die legaal in gebruik is voor een andere functie dan wonen” alleen betrekking heeft op woningen die herbestemd zijn of met een planologische afwijking in gebruik zijn voor een andere functie dan wonen, kan de rechtbank gelet op de letterlijke tekst in samenhang met de toelichting volgen. Nu het gebouwdeel waarvoor een vergunning is aangevraagd geen woning betreft, maar een kantoor dat als zodanig is bestemd en ook altijd in gebruik is geweest, kon het college zich op het standpunt stellen dat geen sprake is van een woning zoals bedoeld in dit artikel. Van een verbod tot woningsplitsing is in de hier aan de orde zijnde situatie dan ook geen sprake.
Deze grond slaagt niet.
Artikel 3.2 Parapluplan
5. Eisers 1 stellen voorts, onder verwijzing naar hun standpunt dat artikel 3.1 onder a. een splitsing tot woningen niet toestaat, dat daarom sprake is van een situatie waarbij woningsplitsing vergund moet worden op grond van artikel 3.2 van het Parapluplan.
Deze toets is ten onrechte niet door het college verricht.
Als hieraan (artikel 3.2) wel zou worden getoetst dan zou de conclusie luiden dat de splitsing leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor eisers. De geplande studio’s (39- 49 m2) op de begane grond leiden tot een forse woonverdichting in het pand en dragen niet bij aan de wijkbinding en leefkwaliteit. De rigoureuze woningvermeerdering met 24 woningen in combinatie met de dichtheid van deze woningen leidt onverminderd tot een negatieve impact zoals geluidsoverlast, meer woon- en leefgeluiden en een toename van overlast. Bovendien is de woningvermeerdering in strijd met de beleidsregels.
Tevens is in dit kader -aldus eisers 1- van belang dat de collectieve buitenruimte grenst aan privé-percelen van omwonenden, wat leidt tot overlast en aantasting van de privacy.
De geplande buitenruimte voldoet niet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) omdat deze niet direct bereikbaar is vanuit de woningen of vanuit een gemeenschappelijke ruimte. De te verwachten overlast van de bewoners -in een wettelijk gezien niet rechtmatige collectieve buitenruimte van zoveel bewoners- is in strijd met een goed woon- en leefklimaat van omwonenden.
5.1.
Het college heeft zich in het verweerschrift -voor wat betreft de afwijkingsbevoegdheid- op het standpunt gesteld dat de bevoegdheid van artikel 3.2 van het Paraplubestemmingsplan uitsluitend relevant is indien artikel 3.1 eerst van toepassing is. Omdat artikel 3.1 niet van toepassing is hoefde het college artikel 3.2 niet te betrekken bij de besluitvorming. Omdat de ontwikkeling rechtstreeks past binnen de bestemming “Wonen 2” is er geen ruimte om via een beoordeling van het woon- en leefklimaat een ontwikkeling te weigeren die volledig binnen de bestemmingsregels past.
5.2.
Artikel 3.2 van het Parapluplan luidt als volgt:
a. het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het verbod op kamerbewoning en woningsplitsing indien de verkamering of splitsing niet leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat ter plaatse van en in de omgeving van het betreffende gebouw.
b. of sprake is van een onaanvaardbare negatieve inbreuk op het woon- en leefklimaat wordt beoordeeld aan de hand van de 'Beleidsregels kamerbewoning en woningsplitsing Eindhoven 2021', met dien verstande dat, indien deze beleidsregels worden gewijzigd, de gewijzigde beleidsregels gelden.
5.3.
Gelet op hetgeen hiervoor door de rechtbank is overwogen is artikel 3.1 van het Parapluplan in dit geval niet van toepassing. Er bestaat geen ruimte om te toetsen aan het bepaalde in artikel 3.2 van het Parapluplan. Een toetsing door het college aan het in deze bepaling opgenomen woon- en leefklimaat heeft derhalve terecht niet plaatsgevonden. Dit betekent dat toetsing in zoverre alleen plaatsvindt aan artikel 17 van Pro het bestemmingsplan “Stratum binnen de Ring II” op grond waarvan woningsplitsing is toegestaan. Deze grond slaagt daarom niet.
6. Voor zover eisers 1 met hun standpunt over de buitenruimte in het kader van hun betoog inzake de aantasting van een goed woon- en leefklimaat ook hebben beoogd om in beroep alsnog een zelfstandige grond aan te voeren tegen de omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit, ziet de rechtbank geen reden die grond inhoudelijke te beoordelen. Er zijn geen bezwaargronden gericht tegen dat besluitonderdeel, zodat hiertegen ook geen beroep mogelijk is.
Parkeren
7. Eisers 1 hebben zich tevens op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Uit de rekenstaat bij het bestreden besluit blijkt dat is gewerkt met 48 woningen zonder onderscheid tussen netto en bruto parkeereis. Ook valt op dat in de berekening een ander adres wordt genoemd dan het projectadres. Daarnaast is de HOV-reductie van 25% niet onderbouwd. Het besluit legt niet uit waarom de nabijgelegen halte voldoet aan alle criteria uit de Nota parkeernormen 2024 en maakt evenmin inzichtelijk waarom reductie hier beleidsmatig aangewezen is. Verder ontbreekt een toetsing van de fysieke inpasbaarheid van de ingetekende 28 parkeerplaatsen. Er is niets opgenomen over vakafmetingen, manoeuvreerruimte of eigendoms- en gebruiksrechten. Door deze hiaten is het aspect “parkeren” in het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en mist het een gedegen motivering.
7.1.
Eiseres 2 stelt zich primair op het standpunt dat de onderhavige omgevingsvergunning in strijd is met artikel 4.1, onder a, van het Parapluplan omdat géén van de aanwezige parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de 24 appartementen op de begane grond. Uit een uittreksel van het kadaster volgt dat in de hoofdsplitsingsakte in twee appartementsrechten is gesplitst. Het gaat om de appartementsrechten van de Vereniging van eigenaars Bedrijfsruimten [adres] [nummers] te [vestigingsplaats] respectievelijk de Vereniging van Eigenaars Woningen [adres] [nummers] te [vestigingsplaats] .
Het eerste appartementsrecht ziet op de bedrijfsruimten en het tweede appartementsrecht ziet op de 12 woningen op de 1e verdieping, 12 woningen op de 2e verdieping en
27 parkeerplaatsen op de begane grond.
Hieruit volgt dat (nagenoeg) alle aanwezige parkeerplaatsen achter het gebouw onderdeel zijn van het appartementsrecht dat ziet op de woningen op de 1e en 2e verdieping. Het appartementsrecht dat ziet op de bedrijfsruimtes op de begane grond -en welke worden getransformeerd naar 24 appartementen- omvat geen parkeerplaatsen en de gebruikers/eigenaren van de begane grond hebben dus geen beschikking tot parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte naar aanleiding van deze 24 appartementen op de begane grond invullen met de achter het gebouw aanwezige parkeerplaatsen is derhalve niet mogelijk en ten onrechte gebeurd bij de vergunningverlening. Nu er geen parkeergelegenheid is, is de omgevingsvergunning in strijd met artikel 4.1 onder a, van het Paraplubestemmingsplan.
Eiseres 2 stelt zich subsidiair op het standpunt dat de omgevingsvergunning niet voldoet aan de “Nota parkeernormen 2024” omdat vijf appartementenbewoners van (bestaande) appartementen op de 1e en 2e verdieping een parkeerplaats huren. Dit betreffen vaste parkeerplaatsen op het parkeerterrein achter het gebouw en deze kunnen derhalve niet worden meegenomen in de berekeningen omdat ze niet beschikbaar zijn. Dit volgt uit de aangepaste situatietekening die als bijlage 3 bij het bestreden besluit is gevoegd. Het gaat om de parkeerplaatsen aangeduid met een asterisk. Dit betekent dat er slechts 23 parkeerplaatsen ter beschikking staan van de 43 appartementen op de begane grond, eerste en tweede verdieping.
Gelet op de nieuwe -door eiseres 2 bijgevoegde- berekening, waarbij voor de 24 bestaande appartementen rekening is gehouden met 19 bewoners (in plaats van 24), zijn in totaal (met de nieuwe appartementen op de begane grond) voor 43 appartementen 25 parkeerplaatsen benodigd. Daarmee wordt niet voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
7.2.
Het college stelt dat sprake is van 24 reeds bestaande appartementen op de 1e en
2e verdieping en 24 -met de in geschil zijnde omgevingsvergunning- nog te realiseren appartementen. Gelet op de in bezwaar bijgevoegde nieuwe berekening ontstaat na uitvoering van het plan een autoparkeerbehoefte van 28 parkeerplaatsen. De halte aan de [adres] ligt binnen 400 meter en dit is een HOV-halte waardoor een reductie van 25% kan worden toegepast. De gemeentelijk verkeerskundig adviseur (S. Myszkiewicz) heeft deze berekening beoordeeld en bevestigd dat het aantal autoparkeerplaatsen correct is vastgesteld. Vergunninghoudster heeft een aangepaste tekening van het parkeerterrein overgelegd (bijlage 3). Hierop zijn o.a. 28 autoparkeerplaatsen ingetekend waarbij het perceel van [naam] buiten beschouwing is gelaten. De verkeerskundig adviseur heeft deze tekening eveneens beoordeeld en verklaard zich te kunnen vinden in de wijze waarop vergunninghouder in het parkeren op eigen terrein voorziet. Het plan voldoet derhalve op het aspect autoparkeren.
In het verweerschrift heeft het college gesteld dat eiseres 2 heeft niet aangegeven welke (5) parkeerplaatsen niet beschikbaar zouden zijn op een wijze dat sprake is van exclusiviteit op basis waarvan dit gebruik afdwingbaar of juridisch verankerd is.
Het parkeerbeleid toetst of het plan voorziet in een normatief vereiste hoeveelheid parkeerplaatsen binnen het initiatief, niet of bepaalde gebruikers feitelijk gebruik maken van bepaalde parkeerplaatsen. De “Nota parkeernormen 2024” rekent met de planologische beschikbaarheid van parkeerplaatsen, niet met privaatrechtelijke afspraken. Vergunninghouder heeft in dit verband toegelicht dat het parkeerterrein als geheel kan worden ingericht ten behoeve van de parkeeropgave die uit de vergunning voortvloeit. Hiermee is voldaan aan de normatieve toets. Het college ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de (28) parkeerplaatsen niet beschikbaar zouden kunnen zijn.
De alternatieve berekening van eiseres gaat uit van de feitelijke bezetting en gebruikspatronen, maar sluit niet aan op de “Nota Parkeernormen 2024” waarin uitsluitend wordt gerekend met normatieve parkeerkencijfers en planologische beschikbaarheid.
7.3.
Ter zitting is door de gemachtigde van het college aangegeven dat hetgeen is neergelegd in de akten van splitsing een privaatrechtelijk aspect is. De gemeentelijke parkeernota heeft ook betrekking op eigen terrein en daar valt ook het deel van het parkeerterrein onder dat onder de splitsingsakte valt. Het eigen terrein is het hele gebied en daarom zijn er voldoende parkeerplaatsen (28).
Ten aanzien van de grief inzake het verhuurd zijn van 5 parkeerplaatsen heeft het college ter zitting (nogmaals) het standpunt ingenomen dat ook dit een privaatrechtelijk aspect is dat buiten beschouwing kan worden gelaten, afgezien van het feit dat niet is onderbouwd wie de huurders zijn van de 5 parkeerplaatsen.
Niet is gebleken -aldus het college- van juridisch afdwingbare exclusiviteit op grond waarvan bepaalde parkeerplaatsen (van de 28) niet beschikbaar zouden zijn.
7.4.
Hetgeen partijen op dit onderdeel verdeeld houdt is de vraag of de omgevingsvergunning voorziet in voldoende parkeergelegenheid.
Niet in geschil is dat op eigen terrein sprake is van 28 parkeerplaatsen.
7.4.1.
Ingevolge artikel 4.1 onder a van het Parapluplan wordt bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Uit het bepaalde in artikel 4.1 onder a volgt tevens dat aan de hand van de “Nota parkeernormen 2024” wordt bepaald of hieraan is voldaan.
7.4.2.
Op 22 oktober 2025 is op verzoek van het college een berekening inzake de parkeerbehoefte gemaakt waarbij de parkeernormen zijn gebaseerd op de Nota parkeernormen 2024.
De ontwikkeling is gelegen op 107 meter van de halte [adres] , hierdoor is 25% HOV Reductie toegepast. De uitkomst is dat 37 parkeerplaatsen zijn benodigd. Met HOV-reductie vervallen 9 parkeerplaatsen. Dit betekent dat de nieuwe parkeerbehoefte 28 parkeerplaatsen is. Dit parkeeronderzoek is ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.
Bij het bestreden besluit is tevens een tekening gevoegd waarop 28 parkeerplaatsen zijn aangegeven. Hiervan zijn 5 parkeerplaatsen voorzien van een asterisk.
7.4.3.
De grond van eisers 1 slaagt niet.
De rechtbank stelt vast dat in het parkeeronderzoek weliswaar sprake is van het adres [adres] [nummer] (het adres van een appartement in het gebouw op de 2e verdieping) maar dit neemt niet weg dat duidelijk kenbaar is dat het onderzoek -mede gelet op de bijgevoegde tekening inzake de situering van de parkeerplaatsen- betrekking heeft op de in geschil zijnde herontwikkeling op de begane grond van het gebouw aan de [adres] .
7.4.4.
Terzake van de bij het bestreden besluit gevoegde tekening en de daarop aangegeven parkeerplaatsen is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de vakafmetingen van de parkeerplaatsen en de ruimte tot manoeuvreren niet juist zouden zijn. Dit geldt ook voor het onderscheid tussen netto en bruto parkeereis. Eisers 1 hebben weliswaar gesteld dat niet zou worden voldaan aan de eisen, maar dat hebben zij niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan het onderzoek en de tekeningen die zijn opgesteld.
7.4.5.
Ten aanzien van de HOV-reductie is ter zitting aan de orde gekomen dat het -zoals reeds eerder aangegeven- gaat om de halte [adres] aan de [adres] . Gelet op de Nota Parkeernormen 2024 is onder de aanhef “HOV-correctie (stap 3a)” aangegeven dat de bereikbaarheid van een plan onder andere wordt bepaald door de aanwezigheid van Openbaar Vervoer (OV). HOV staat voor snel, hoogfrequent openbaar vervoer. Bij een HOV-halte waar sprake is van een minimum-frequentie overdag van 4x per uur is een parkeerreductie van 25% toegestaan indien de halte zich binnen 400 meter bevindt.
Niet gebleken is dat hieraan niet wordt voldaan, zodat een HOV-reductie terecht is toegepast.
7.4.6.
De beroepsgrond van eiseres 2 slaagt niet. Ten aanzien van de stelling dat de parkeerplaatsen niet beschikbaar zijn voor het plan omdat deze, gelet op een drietal splitsingsakten, alleen ter beschikking zouden staan van de bewoners van de bestaande appartementen stelt de rechtbank vast dat sprake is van een hoofdsplitsing in kantoren enerzijds en appartementen, bergingen en parkeerplaatsen anderzijds. Uit deze splitsing en een nadere akte van ondersplitsing inzake de woningen blijkt niet dat de parkeerplaatsen op het terrein exclusief ter beschikking staan van de eigenaren van de 24 reeds bestaande appartementen. In de betreffende akte van ondersplitsing (pag. 9 e.v.) is weliswaar bij 27 afzonderlijk kadastraal genoemde parkeerplaatsen aangegeven dat sprake van een appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de parkeerplaats op de bij het gebouw horende grond, maar deze zijn niet gekoppeld aan gebruik behorende bij een specifiek nader genoemd appartement. Ook anderszins is niet gebleken dat de eigenaar van de appartementsrechten van de parkeerplaatsen het gebruik daarvan enkel kan toestaan ten aanzien van de 24 reeds bestaande appartementen.
Mitsdien blijkt uit de splitsingsakten niet zonder meer dat de genoemde parkeerplaatsen exclusief ter beschikking staan van afzonderlijke appartementseigenaren noch dat anderszins sprake is van een situatie op grond waarvan de parkeerplaatsen niet betrokken zouden kunnen worden in de parkeerberekening. Van een evidente privaatrechtelijke belemmering is dan ook geen sprake.
7.4.7.
Ten aanzien van hetgeen door eiseres 2 subsidiair is aangevoerd inzake het niet beschikbaar zijn van 5 van de 28 parkeerplaatsen omdat deze door verhuur alleen exclusief beschikbaar zouden zijn voor de betreffende huurders (tevens appartementsbewoners van de reeds bestaande appartementen) stelt de rechtbank vast dat, wat hier ook van zij, dit er niet aan afdoet dat in totaal de ingevolge de berekening benodigde 28 parkeerplaatsen voor het complex (de 24 aanwezige en 24 nieuw te realiseren appartementen) ter beschikking staan.
De gronden ten aanzien van parkeren slagen dus niet.
7.4.8.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van voldoende parkeergelegenheid.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep in beide zaken is ongegrond.
Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor de realisatie van 24 appartementen op de begane grond van het pand in stand blijft.
9. Eisers 1 en eiseres 2 krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen van eisers 1 en eiseres 2 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE

Omgevingswet

Artikel 2.4 (omgevingsplan)
De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.
Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
b. t/m g. (..),
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit,
b. t/m g. (..),
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 22.1 (tijdelijk deel omgevingsplan)
In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit:
a. de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet,
b. + c. (..).
Bijlage bij artikel 1.1 van deze wet
A Begrippen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
- bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk;
- omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.

Invoeringswet Omgevingswet

Artikel 4.6 (deel omgevingsplan)
1.Als deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, gelden:
a. t/m f. (..),
g. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
h. t/m p. (..).

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

§ 8.1.1.1 Algemene beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
Artikel 8.0 (toepassingsbereik en oogmerk)
Deze afdeling is van toepassing op omgevingsplanactiviteiten die niet vergunningvrij zijn op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en is opgenomen met het oog op de doelen van de wet.
Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Omgevingsplan gemeente Eindhoven (geldend sinds 19 juni 2025)

Artikel 1.1 Begripsbepalingen
1.Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Paragraaf 5.2.2 Vergunningplicht bouwen, in stand houden en gebruiken bouwwerk
Artikel 5.8 Vergunningplicht bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten.
Artikel 5.10 Algemene beoordelingsregel
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning die in paragraaf 5.2.4 zijn gesteld.
Bijlage I Begrippen
omgevingsplanactiviteit bouwwerken: omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

bestemmingsplan “Stratum binnen de Ring II”

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 17 Wonen Pro - 2
17.1
Bestemmingsomschrijving
De voor `Wonen - 2´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen in de vorm van woongebouwen;
b. de uitoefening van een aan-huis-verbonden-beroep als ondergeschikte nevenfunctie bij de woonfunctie tot een maximum beroepsvloeroppervlak van 50 m²;
c.de uitoefening van een aan-huis-verbonden-beroep als ondergeschikte nevenfunctie bij de woonfunctie tot een beroepsvloeroppervlak van maximaal 75 m² mits:
1. de verkeersaantrekkende werking niet zodanig is, dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen op de openbare weg, noodzakelijk worden;
2. deze activiteiten door ten hoogste twee personen worden uitgeoefend;
3. de activiteiten geen onevenredige hinder voor het woonmilieu opleveren;
c. kantoor ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' op de verbeelding;
d. kantoor, vrije beroepen, dienstverlening en/of detailhandel ter plaatse van de aanduiding `gemengd' op de verbeelding met dien verstande dat:
- perifere detailhandel, detailhandel in explosieve/brandbare stoffen en supermarkten, zijn uitgesloten;
- deze functies uitsluitend op de begane grond en eventueel ook op de daaropvolgende verdiepingen zijn toegelaten voor zover deze in de bestaande situatie als zodanig in gebruik zijn;
f. parkeergarage ter plaatse van de aanduiding `parkeergarage' op de verbeelding;
met de daarbij behorende:
g. tuinen, erven en water;
h. parkeervoorzieningen, paden e.d.;
i. groenvoorzieningen;
j. nutsvoorzieningen;
k. kabels en leidingen;
l. voorzieningen voor ondergrondse afvalinzameling;
m. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Paraplubestemmingsplan parkeren, kamerbewoning en woningsplitsing 2021

hoofdstuk 1 Inleidende regels
artikel 1 Begrippen Pro
1.13
woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, dan wel voor de huisvesting van maximaal twee personen die geen gezamenlijk huishouden voeren. Een woonwagen wordt niet tot een woning gerekend.
1.14
woongebouw
een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.
artikel 2 Reikwijdte Pro
2.1
Herziening bestemmingsplannen
Dit bestemmingsplan wijzigt de bestemmingsplannen binnen het grondgebied van de gemeente Eindhoven, inclusief de op basis daarvan vastgestelde wijzigings- en uitwerkingsplannen, op de wijze zoals aangegeven in de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 van dit bestemmingsplan.
2.2
Herziening regels begrippen
De begrippen zoals genoemd in Artikel 1 gelden Pro in aanvulling op de bestemmingsplannen binnen het grondgebied van de gemeente Eindhoven, inclusief de op basis daarvan vastgestelde wijzigings- en uitwerkingsplannen. Als in deze bestemmingsplannen een begrip al benoemd is, wordt dat begrip vervangen door het begrip zoals genoemd in Artikel 1 van Pro dit bestemmingsplan.
2.3
Herziening kamerbewoning en woningsplitsing
De regels van de bestemmingsplannen, inclusief de op basis daarvan vastgestelde wijzigings- en uitwerkingsplannen, worden gewijzigd in die zin dat alle regels die betrekking hebben op kamerbewoning en woningsplitsing worden vervangen, en voor zover deze nog niet aanwezig zijn, worden aangevuld, door de regels van dit bestemmingsplan (Artikel 3).
2.4
Herziening regels parkeernormen
a.de regels van de bestemmingsplannen, inclusief de op basis daarvan vastgestelde wijzigings- en uitwerkingsplannen worden gewijzigd in die zin dat alle regels die betrekking hebben op parkeren worden vervangen, en voor zover deze nog niet aanwezig zijn, worden aangevuld, door de regels van dit bestemmingsplan (Artikel 4 en Pro Artikel 5).
b.van het bepaalde onder a. kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken als sprake is van (een) nog niet vergunde ontwikkeling(en) waarvoor een afwijkende regeling voor parkeren in een bestemmingsplan is opgenomen,
c.het bepaalde onder a. is voorts niet van toepassing op de volgende bestemmingsplannen:
Luchthaven Eindhoven e.o., vastgesteld d.d. 10 september 2017 (NL.IMRO.0772.80231-0301);
I Luchthaven Eindhoven e.o. (Parkeergarage P5), vastgesteld d.d. 28 januari 2020 (NL.IMRO.0772.80331-0301).
hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
artikel 3 Parti Proële herziening inzake kamerbewoning en woningsplitsing
Onderstaande regels hebben betrekking op bestemmingen die de functie wonen en/of woondoeleinden en/of woningen, woongebouwen dan wel andere benamingen die zien op de functie wonen in de betreffende bestemmingsomschrijving, mogelijk maken.
3.1
Bestemmingsomschrijving
Binnen de betreffende bestemmingsomschrijving wordt onder de genoemde functies toegevoegd, voor zover nog niet aanwezig:
met dien verstande dat:
d. een woning en/of kamersgewijs bewoonde woning en/of woonwagen en/of kamersgewijs bewoonde woonwagen niet mag worden gewijzigd naar twee of meer woningen/woon-wagens;
e. kamerbewoning van een woning of woonwagen niet is toegestaan, tenzij het een bestaande situatie betreft;
a. een als woning, dan wel woongebouw bestemde woning, die legaal in gebruik is voor een andere functie dan wonen, mag niet worden gewijzigd naar twee of meer woningen;
b. inwoning is toegestaan.
3.2
Afwijken
a. het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het verbod op kamerbewoning en woningsplitsing indien de verkamering of splitsing niet leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat ter plaatse van en in de omgeving van het betreffende gebouw.
b. of sprake is van een onaanvaardbare negatieve inbreuk op het woon- en leefklimaat wordt beoordeeld aan de hand van de 'Beleidsregels kamerbewoning en woningsplitsing Eind-hoven 2021', met dien verstande dat, indien deze beleidsregels worden gewijzigd, de gewijzigde beleidsregels gelden.
hoofdstuk 3 Algemene regels
artikel 4 Parti Proële herziening parkeernormen
4.1
Bouwregel parkeren
a. bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, met dien verstande dat aan de hand van de beleidsregeling 'Actualisatie Nota Parkeernormen (2019)' en de beleidsregeling 'Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen' wordt bepaald of hieraan voldaan is;
b. als de onder a. genoemde beleidsregelingen worden gewijzigd, wordt aan de hand van de nieuwe beleidsregeling(en) bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
4.2
Afwijken
Bij omgevingsvergunning kan in bijzondere gebieden of situaties worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of ruimtelijke situatie.
4.3
Nadere eisen
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de maatvoering van de (fiets)parkeervoorzieningen, zoals bedoeld in lid 4.1, indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.

Nota parkeernormen 2024

2.2
Berekening normatieve parkeerbehoefte
Bepalen normatieve parkeerbehoefte (stap 1)
Bij elke planontwikkeling wordt eerst berekend welke normatieve parkeerbehoefte geldt. Per functie/voorziening/activiteit wordt het normatieve aantal parkeerplaatsen van het betreffende plan berekend op basis van de geldende normen per eenheid van de betreffende voorziening. De parkeernormen zijn opgenomen in bijlage 2.
Dubbelgebruik en salderen (stap 2)
Als binnen een ontwikkeling verschillende functies/voorzieningen/activiteiten worden
gerealiseerd, is het mogelijk om bij berekening van de parkeerbehoefte rekening te houden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen, bijvoorbeeld overdag door werknemers en
’s-avonds door bewoners. Hierdoor kan volstaan worden met minder parkeerplaatsen dan de som van de parkeernorm van de verschillende functies.
2.3
Mobiliteitscorrectie
Op de berekende normatieve parkeerbehoefte inclusief eventueel dubbelgebruik en saldering zijn reducties mogelijk dan wel verplicht. Deze mobiliteitscorrectie leidt tot een lagere parkeereis.
HOV-correctie (stap 3a)
De bereikbaarheid van een plan wordt onder andere bepaald door de aanwezigheid van OV.
HOV betekent snel, hoogfrequent, betrouwbaar en comfortabel OV. In Eindhoven wordt dat
naast de twee stations aangeboden op het HOV-netwerk waar de bus zoveel mogelijk over vrije infrastructuur beschikt en prioriteit bij verkeerslichten krijgt. Het centraal station is de
multimodale knoop van de stad met frequente verbindingen naar treinstations in de regio en
naar andere steden van het land. Op de overige HOV-haltes geldt een minimum frequentie
overdag van 4x per uur.
Het aandeel van het OV is hoger bij functies die nabij hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) liggen dan op locaties waar geen of beperkt OV aanwezig is. De aanwezigheid van HOV heeft daarom invloed op de behoefte aan parkeerruimte. Functies in de ruime omgeving van Eindhoven Centraal profiteren van de kwaliteit van het centraal station in de nabijheid. Station Strijp-S en busstation WoensXL zijn de twee andere knooppunten in het OV-netwerk van Eindhoven met een kleiner invloedsgebied.
Eindhoven streeft er naar zo veel mogelijk te verdichten in de buurt van HOV-locaties. Op de verdichtingslocaties is de mobiliteitstransitie essentieel, waar ook een lagere parkeercapaciteit aan bijdraagt. Op grond hiervan is een HOV-correctie van toepassing. Deze is gekoppeld aan de ligging van een ontwikkeling in de buurt van het HOV-netwerk.
De reducties zijn als volgt:
HOV-correctie reductie afstand (hemelsbreed)
Eindhoven Centraal 50% binnen 800 m
station Strijp-S en busstation WoensXL 25% binnen 600 m
overige HOV-haltes 25% binnen 400 m
Een ontwikkelende partij hoeft geen maatregelen te nemen om in aanmerking te komen voor de reductie. De HOV-correctie is verplicht als een plan binnen de genoemde afstand wordt
gerealiseerd.
2.4
De parkeereis
De normatieve parkeerbehoefte (stap 1), het eventueel toe te passen dubbelgebruik en
salderen (stap 2), de verplichte HOV-reductie (stap 3a) en de facultatieve reductie van de inzet van deelmobiliteit (stap 3b) resulteert in de parkeereis.
5.2
Beleidsregels
De Nota Parkeernormen bevat het beleid voor planontwikkeling ten aanzien van parkeren voor personenauto’s en fietsen binnen het grondgebied van de gemeente Eindhoven. Er bestaan geen landelijk voorgeschreven normen voor parkeren. Wel zijn er landelijke richtlijnen voor de hoogte en het toepassen van parkeerkencijfers. Deze zijn opgenomen in de CROW publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren. De gemeente Eindhoven hanteert deze richtlijnen in combinatie met eigen inzicht in de parkeervraag ten behoeve van effectieve parkeernormen. De parkeernormen voor woningen zijn gebaseerd op het daadwerkelijke autobezit per woningtype in Eindhoven in 2022.
Als beleidsregels wordt de nota parkeernormen gebruikt bij de invulling van bevoegdheden op grond van de Omgevingswet.