Uitspraak
[eiser 2]uit [vestigingsplaats] ([eiser 2])
[eiser 1], uit [vestigingsplaats] (de vergunninghouder)
Samenvatting
Waar gaan deze zaken over?
Beoordeling door de rechtbank
onverhardepaden en wegen sprake is van een vorm van ‘niet omkeerbare’ oppervlakteverharding. Het aanleggen van een pad is volgens de planregelgever immers iets anders dan het verharden van een pad. Van niet-omkeerbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank daarom sprake, als een oppervlakteverharding niet of slechts met inspanningen van enige betekenis ongedaan kan worden gemaakt. Voor de oppervlakteverharding zoals in deze zaak aan de orde, geldt dat deze niet zonder inspanningen van enige betekenis ongedaan kan worden gemaakt. Het gaat namelijk om vrij massieve betonplaten die vanwege hun omvang, zwaarte en aantal en het feit dat ze 20 centimeter zijn ingegraven niet eenvoudig te verwijderen zijn. Bovendien moeten er ook grondverzetwerkzaamheden plaatsvinden om de uitgraafwerkzaamheden ongedaan te maken. De aangevraagde oppervlakteverhardingen zijn dus vergunningplichtige werkzaamheden.
gebied naast een waterloop waar maatregelen op het gebied van morfologie en inrichting nodig zijn om de doelstellingen uit het Provinciaal Waterplan 2010-2015 op het gebied van de ecologische kwaliteit van oppervlaktewateren te behalen.’
eenaantasting van het watersysteem sprake is. Voor een weigering is
enigeaantasting dus voldoende. Er hoeft geen sprake te zijn van een
onevenredigeaantasting. Het college heeft weliswaar enige beoordelingsruimte bij het beantwoorden van de vraag of een beïnvloeding moet worden gezien als een aantasting, maar die beoordelingsruimte is het college met de gegeven motivering niet te buiten gegaan. Mede gelet op de relatieve omvang van de oppervlakteverharding ten opzichte van de betrekkelijke smalte van de gebiedsaanduiding, heeft het college voldoende onderbouwd waarom van enige aantasting sprake is en waarom het de vergunning dus moest weigeren.
Eindconclusie en gevolgen
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de weigering van de vergunning voor de aanleg van de oppervlakteverharding ter hoogte van de [adres];
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit geheel in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan de vergunninghouder moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van een bedrag van € 1.868,- aan proceskosten in beroep.