Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4402

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
01.330127.25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige handel en bezit van harddrugs en ketamine

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte schuldig bevonden aan meervoudige overtredingen van de Opiumwet, waaronder handel en bezit van verschillende soorten harddrugs zoals MDMA, cocaïne, 2-MMC en ketamine. De feiten vonden plaats tussen november 2023 en december 2025 op diverse locaties in Nederland en België.

Het onderzoek startte na een verhoor in februari 2025, waarbij verdachte werd geïdentificeerd als handelaar via een gebruikersnaam op Snapchat. Diverse getuigenverklaringen, pseudokopen, observaties en doorzoekingen in woningen, een kantoor en een auto leverden bewijsmateriaal op. De verdediging voerde onder meer aan dat verdachte niet verantwoordelijk was voor bepaalde drugssoorten en ontkende medeplegen, maar de rechtbank sprak verdachte vrij voor de 3-MMC en 4-MMC en bepaalde hoeveelheden 2-MMC.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte opzettelijk handelde in strijd met de Opiumwet en de Geneesmiddelenwet, medepleger was in de handel en bezit van grote hoeveelheden drugs en ketamine. Gelet op de ernst, de omvang van de handel, de professionaliteit en de ondermijnende effecten van de drugshandel, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De straf is lager dan de eis van het Openbaar Ministerie, maar rechtvaardigt de ernst van de feiten en het voorkomen van recidive.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, voor meervoudige overtredingen van de Opiumwet en Geneesmiddelenwet.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.330127.25
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2003] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 maart 2026 en 5 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 februari 2026. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 05 juni 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 25 november 2023 tot en met 3december 2025 te Bladel, Eersel, Reusel, Bergeijk, Duizel, Knegsel,Hulsel, Netersel, Steensel, Wintelre, Vessem, Eindhoven, Best en/ofTilburg, althans in Nederland, en/of in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-MMC en/of- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-MMC
zijnde MDMA, cocaïne, 3-MMC en/of 4-MMC, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Bladel, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad- ongeveer 480,29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, bestaande uit
• 3,47 gram (SIN AATM5416NL),• 99,2 gram (SIN AATM5421NL),• 63,94 gram (SIN AATM7301NL, SIN AATM7003NL, SIN AATM7302NL en SIN AATM7002NL),• 310 gram (SIN AATM7048NL),• 1,38 gram (SIN AATM7047NL) en/of• 2,3 gram (SIN AATM7046NL)
en/of- ongeveer 224,58 gram gram, in elk geval een hoeveelheid van eenmateriaal bevattende cocaïne, bestaande uit
• 28,3 gram (SIN AATM5418NL)• 160,9 gram (SIN AATM5448NL),• 4,48 gram (SIN AATM5430NL),• 15,15 gram (SIN AATM7023NL en SIN AATM7022NL),• 1 gram (SIN AATM7021NL),• 4,62 gram (SIN AATM5433NL) en/of•10,13 gram (SIN AATM5434NL, SIN AATM5435NL en SIN AATM5436NL)
zijnde MDMA en/of cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Bladel, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroepals bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaatdaarvan, te weten 2066,92 gram, in elk geval een hoeveelheid 2-MMC,bestaande uit
• 1001 gram (SIN AATM5422NL),• 53,4 gram (SIN AATM5419NL),• 139,7 gram (SIN AATM5450NL),• 99,68 gram (SIN AATM7045NL),• 100,96 gram (SIN AATM7044NL),• 304 gram (SIN AATM7043NL, SIN AATM7042NL, SIN AATM7041NL en SIN AATM7039NL)• 266,27 gram (SIN AATM7036NL, SIN AATM7037NL, SIN AATM7038NL en SIN AATM7040NL),• 49,59 gram (SIN AATM7035NL, SIN AATM7032NL, SIN AATM7033NLen SIN AATM7034NL),• 30,85 gram (SIN AATM7029NL, SIN AATM7030NL, SIN AATM7028NLen SIN AATM7031NL),• 20,22 gram (SIN AATM7027NL en SIN AATM7026NL) en/of• 1,25 gram (SIN AATM7025NL)
aanwezig heeft gehad;
T.a.v. feit 4:
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Bladel, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,al dan niet opzettelijk zonder registratie een of meer werkzame stoffen, te weten 1440,17 gram, in elk geval een hoeveelheid ketamine, bestaande uit
• 999,4 gram (SIN AATM5449NL) en/of
• 440,77 gram (SIN AATM7018NL)
heeft bereid, heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, te koop heeftaangeboden, heeft afgeleverd, heeft uitgevoerd en/of anderszins binnenen/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht dan wel in diewerkzame stoffen een groothandel heeft gedreven;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

Op 4 februari 2025 werd een verdachte verhoord wegens bezit van harddrugs. Deze verdachte verklaarde de drugs te hebben gekocht van een jongen die zich [gebruikersnaam] zou noemen op Snapchat. Volgens de verdachte zou de echte naam van [gebruikersnaam] [verdachte] zijn. Aan de hand van deze verklaring is door de politie een onderzoek gestart. In het kader van dit onderzoek zijn meerdere getuigen gehoord en hebben verschillende pseudokopen en observaties plaatsgevonden. Verdachte en zijn partner, [medeverdachte] , zijn als verdachten aangemerkt, waarna doorzoekingen hebben plaatsgevonden. In het kantoor gelegen aan de [adres 2] , in de Kia Niro met kenteken [kenteken] en in de woning van medeverdachte [medeverdachte] gelegen aan de [adres 3] zijn (onder andere) verschillende soorten drugs en ketamine aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie.

Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, zoals uitgewerkt in het schriftelijk requisitoir van 5 juni 2026. De officier van justitie stelt onder andere dat verdachte als medepleger kan worden gezien, omdat hij, samen met zijn partner, gedurende een periode handelde in verschillende soorten drugs en ketamine. Het ging hierbij om cocaïne, MDMA, 2-MMC, 3-MMC en 4-MMC.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota van 5 juni 2026, bepleit dat verdachte van onderdelen van de onder feit 1 tot en met feit 3 ten laste gelegde feiten partieel dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot het eerste ten laste gelegde feit kan verdachte niet worden veroordeeld voor de ten laste gelegde 3-MMC en 4-MMC, omdat er enkel 2-MMC is aangetroffen. Daarnaast legt verdachte hierover een ontkennende verklaring af. Met betrekking tot het tweede ten laste gelegde feit is de raadsman van mening dat geen sprake is van medeplegen. Er is namelijk niet gebleken van een samenwerking. Voor het derde feit dient verdachte partieel te worden vrijgesproken van de onder SIN AATM7036NL ten laste gelegde hoeveelheid boven de 226,27 gram nu uit het dossier volgt dat onder dit SIN-nummer ‘enkel’ sprake is van 226,27 gram en niet van de in de tenlastelegging omschreven 266,27 gram. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend en nadien is geen integrale vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:
  • de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;
  • proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 maart 2026, p. 244-247;
  • aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2026, p. 1-5;
  • proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2025, p. 131-133 [voor zover het proces-verbaal betrekking heeft op de in de Kia in beslag genomen goederen];
  • aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2025, p. 177-179;
  • proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 januari 2026, p. 194-198 [voor zover het proces-verbaal betrekking heeft op SIN AATM5416NL, SIN AATM5421NL, SIN AATM5418NL, SIN AATM5448NL, SIN AATM5422NL, SIN AATM5419NL, SIN AATM5450NL en SIN AATM5449NL];
  • proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 februari 2026, p. 199-206 [voor zover het proces-verbaal betrekking heeft op SIN AATM7301NL, SIN AATM7003NL, SIN AATM7302NL, SIN AATM7002NL, AATM7048NL, SIN AATM7047NL, SIN AATM7046NL, SIN AATM5430NL, SIN AATM7023NL, SIN AATM7022NL, SIN AATM7021NL, SIN AATM5433NL, SIN AATM5434NL, SIN AATM5435NL, SIN AATM5436NL, SIN AATM7045NL, SIN AATM7044NL, SIN AATM7043NL, SIN AATM7042NL, SIN AATM7041NL, SIN AATM7039NL, SIN AATM7036NL, SIN AATM7037NL, SIN AATM7038NL, SIN AATM7040NL, SIN AATM7035NL, SIN AATM7032NL, SIN AATM7033NL, SIN AATM7034NL, SIN AATM7029NL, SIN AATM7030NL, SIN AATM7028NL, SIN AATM7031NL, SIN AATM7027NL, SIN AATM7026NL, SIN AATM7025NL, SIN AATM5435NL en SIN AATM7018NL];
  • proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 25 februari 2026, p. 451-465 [voor zover het proces-verbaal betrekking heeft op SIN AATM5435NL , SIN AATM5416NL, SIN AATM5421NL, SIN AATM5418NL, SIN AATM5448NL, SIN AATM5433NL, SIN AATM5434NL, SIN AATM5435NL, SIN AATM5436NL, SIN AATM5422NL, SIN AATM5419NL, SIN AATM5450NL, SIN AATM7018NL en SIN AATM5449NL];
  • proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 25 februari 2026, p. 482-495 [voor zover het proces-verbaal betrekking heeft op SIN AATM7301NL, SIN AATM7003NL, SIN AATM7302NL, SIN AATM7002NL, SIN AATM7048NL, SIN AATM7047NL, SIN AATM7046NL, SIN AATM5430NL, SIN AATM7023NL, SIN AATM7022NL, SIN AATM7021NL, SIN AATM7045NL, SIN AATM7044NL, SIN AATM7043NL, SIN AATM7042NL, SIN AATM7041NL, SIN AATM7039NL, SIN AATM7036NL, SIN AATM7037NL, SIN AATM7038NL, SIN AATM7040NL, SIN AATM7035NL, SIN AATM7032NL, SIN AATM7033NL, SIN AATM7034NL, SIN AATM7029NL, SIN AATM7030NL, SIN AATM7028NL, SIN AATM7031NL, SIN AATM7027NL, SIN AATM7026NL en SIN AATM7025NL];
  • rapporten NFiDENT d.d. 18-02-2026, p. 466, 467, 468, 474, 475, 476, 477, 478, 479, 480, 481, 496, 497, 498, 499, 500, 501, 502, 503, 504, 505, 506, 507, 508, 509, 510, 511, 512, 513, 514, 515, 516, 517, 518, 519, 520, 521, 522, 523, 524, 525, 526 en 527;
  • rapport identificatie van drugs d.d. 19-03-2026, p. 9-10;
  • een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, Wetboek van Strafvordering te weten: een brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd betreffende bevoegdheidsbeoordeling 26-083, d.d. 1 april 2026, p. 11-12.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Medeplegen.
Uit het dossier is gebleken dat op diverse locaties verschillende soorten drugs en ketamine zijn aangetroffen. Het gaat om de woning van medeverdachte [medeverdachte] , het kantoor van verdachte en de Kia Niro met kenteken [kenteken] waarin verdachte reed. Voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van de verschillende soorten drugs is vereist dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij verdachte van de aanwezigheid van deze middelen op de verschillende locaties. Daarnaast moet er sprake zijn van beschikkingsmacht. Met dat laatste wordt bedoeld dat verdachte in enige mate kon bepalen wat er met die verdovende middelen op de verschillende locaties zou gebeuren, oftewel: dat hij er enige zeggenschap over had. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden en niet is vereist dat de verdovende middelen zijn eigendom waren.
De rechtbank heeft medeverdachte [medeverdachte] partieel vrijgesproken voor de aanwezigheid van de drugs en ketamine die zijn aangetroffen in het kantoor van verdachte en in de Kia Niro. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen dat zij wetenschap had van de aanwezigheid van die drugs en ketamine en dat er sprake was van beschikkingsmacht. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander deze aangetroffen drugs en ketamine in zijn kantoor en in de Kia Niro aanwezig heeft gehad. Verdachte wordt daarom ten aanzien van het medeplegen vrijgesproken.
Ten aanzien van de aangetroffen drugs en ketamine in de woning van medeverdachte [medeverdachte] is de rechtbank van oordeel dat zij deze tezamen en in vereniging aanwezig hebben gehad. Verdachte wist dat de drugs en ketamine daar lagen en de middelen bevonden zich ook in zijn machtssfeer.
Aangetroffen drugs.
De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken voor zover de tenlastelegging ziet op de 3-MMC en 4-MMC en overweegt als volgt. Uit het procesdossier is gebleken dat er in de woning van medeverdachte, in de Kia Niro en in het kantoor van verdachte enkel 2-MMC is aangetroffen. Verdachte heeft ontkend ook andere designerdrugs voorhanden te hebben gehad en/of te hebben verkocht. Dat er in de gesprekken tussen de verschillende kopers en [gebruikersnaam] ook wordt gesproken over 3-MMC en 4-MMC, maakt dat niet anders.
Daarnaast is uit het procesdossier gebleken dat de kristallen brokken met SIN AATM7036NL een nettogewicht hebben van 226,27 gram. De rechtbank zal verdachte voor het meer ten laste gelegde vrijspreken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
Feit 1.
in de periode van 25 november 2023 tot en met 3 december 2025 in Nederland en/of in België tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, (telkens) opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde MDMA en cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2.
op 3 december 2025 te Bladel, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 480,29 gram van een materiaal bevattende MDMA, bestaande uit
• 3,47 gram (SIN AATM5416NL),
• 99,2 gram (SIN AATM5421NL),
• 63,94 gram (SIN AATM7301NL, SIN AATM7003NL, SIN AATM7302NL en SIN AATM7002NL),
• 310 gram (SIN AATM7048NL),
• 1,38 gram (SIN AATM7047NL) en
• 2,3 gram (SIN AATM7046NL),
en
- 224,58 gram van een materiaal bevattende cocaïne, bestaande uit
• 28,3 gram (SIN AATM5418NL)
• 160,9 gram (SIN AATM5448NL),
• 4,48 gram (SIN AATM5430NL),
• 15,15 gram (SIN AATM7023NL en SIN AATM7022NL),
• 1 gram (SIN AATM7021NL),
• 4,62 gram (SIN AATM5433NL) en
• 10,13 gram (SIN AATM5434NL, SIN AATM5435NL en SIN AATM5436NL),
zijnde MDMA en/ofcocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 3.
op 3 december 2025 te Bladel, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten 2026,92 gram 2-MMC, bestaande uit
• 1001 gram (SIN AATM5422NL),
• 53,4 gram (SIN AATM5419NL),
• 139,7 gram (SIN AATM5450NL),
• 99,68 gram (SIN AATM7045NL),
• 100,96 gram (SIN AATM7044NL),
• 304 gram (SIN AATM7043NL, SIN AATM7042NL, SIN AATM7041NL en
SIN AATM7039NL)
• 226,27 gram (SIN AATM7036NL, SIN AATM7037NL, SIN AATM7038NL en
SIN AATM7040NL),
• 49,59 gram (SIN AATM7035NL, SIN AATM7032NL, SIN AATM7033NL en
SIN AATM7034NL),
• 30,85 gram (SIN AATM7029NL, SIN AATM7030NL, SIN AATM7028NL en
SIN AATM7031NL),
• 20,22 gram (SIN AATM7027NL en SIN AATM7026NL) en
• 1,25 gram (SIN AATM7025NL),
aanwezig heeft gehad;
Feit 4.
op 3 december 2025 te Bladel, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk zonder registratie een of meer werkzame stoffen, te weten 1440,17 gram ketamine, bestaande uit
• 999,4 gram (SIN AATM5449NL) en
• 440,77 gram (SIN AATM7018NL),
heeft ingevoerd en in voorraad heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft primair verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, in combinatie met een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 240 uur. Subsidiair verzoekt de raadsman, indien een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen zou zijn, deze te beperken tot zes maanden, zodat daarnaast een taakstraf van 240 uur opgelegd kan worden.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen overtreden van de Opiumwet. Hij heeft voor een periode van ongeveer twee jaar gehandeld in verschillende soorten harddrugs. Daarnaast heeft hij op verschillende locaties een grote hoeveelheid harddrugs, designerdrugs en ketamine aanwezig gehad.
Met zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de handel in drugs. Dat verdachte de beschikking heeft gehad over een aanzienlijke hoeveelheid hard- en designerdrugs is naar het oordeel van de rechtbank tekenend voor de mate waarin verdachte betrokken is bij deze veelal georganiseerde handel. Van de georganiseerde drugshandel gaat in aanzienlijke mate een ondermijnend en corrumperend effect uit, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Drugs en de handel daarin leiden, direct of indirect, tot ernstige vormen van geweld en criminaliteit en daarmee tot onveiligheid in de samenleving. Het is daarnaast algemeen bekend dat verdovende middelen en in het bijzonder harddrugs zoals cocaïne en MDMA schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. De verdachte heeft zijn eigen belangen laten prevaleren boven de schadelijke gevolgen die de handel in drugs veroorzaakt. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank zal ook de rol van verdachte en de mate van professionaliteit laten meewegen in de strafmaat. Verdachte maakte onder andere gebruik van prijslijsten, kortingsacties tijdens bepaalde feestdagen en liet soms anderen voor hem de drugs bezorgen. Uit het dossier komt daarnaast het beeld naar voren van een verdachte die zich al veel langer dan de tenlastegelegde periode bezighield met het overtreden van Opiumwetdelicten.
Anders dan de leeftijd van verdachte, is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke omstandigheden die – afgewogen tegen de ernst van het bewezenverklaarde – in het voordeel van de verdachte zouden moeten wegen.
Gelet op de aard en ernst van de feiten, de grote hoeveelheden aangetroffen drugs en ketamine, de mate van professionaliteit en de pleegperiode ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dit met het oog op vergelding en speciale preventie: het voorkomen van het plegen van nieuwe strafbare feiten door verdachte. Daarnaast wil de rechtbank met deze straf anderen ontmoedigen soortgelijke strafbare feiten te plegen. Een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zou geen recht doen aan de ernst van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal daarnaast een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De rechtbank acht een stok achter de deur noodzakelijk om herhaling in de toekomst te voorkomen.
De rechtbank zal al met al wel een lichtere straf opleggen dan de door het Openbaar Ministerie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Alles overwegende acht de rechtbank passend een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 47, 57 Wetboek van Strafrecht
38 Geneesmiddelenwet
2, 2a, 10, 10b Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Bewezenverklaring
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
Feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Feit 3:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2a onder C van de Opiumwet gegeven verbod
en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2a onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 4:
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan
en
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;
Strafbaarheid:
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Straf:
T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:
Een gevangenisstraf voor de duur van
24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht,
waarvan 12 maanden voorwaardelijken een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter,
mr. S.A.E.M. Rampaart en mr. T.C. Heijmerink, leden,
in tegenwoordigheid van mr. K.D.A.J. Hombergen, griffier,
en is uitgesproken op 19 juni 2026.