Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4403

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
01.103145.26
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige overtreding Opiumwet met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte schuldig bevonden aan meervoudige overtredingen van de Opiumwet, waaronder handel in en bezit van verschillende soorten harddrugs zoals cocaïne, MDMA, 2-MMC en ketamine. De feiten vonden plaats tussen december 2024 en december 2025 op diverse locaties in Nederland en België.

Het onderzoek startte na een verhoor in februari 2025, waarna meerdere getuigen werden gehoord en doorzoekingen plaatsvonden in de woning van verdachte, het kantoor en de auto van haar partner. Diverse drugsvoorraad werd aangetroffen, maar verdachte werd partieel vrijgesproken voor drugs die in het kantoor en de auto van haar partner werden gevonden, omdat zij daarvan geen kennis had en geen beschikkingsmacht bezat.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte medepleger was in de handel en het bezit van de drugs die in haar woning werden aangetroffen. De strafmaat werd bepaald rekening houdend met de ernst van de feiten, de rol van verdachte (minder dan haar partner) en haar persoonlijke omstandigheden, waaronder problemen op meerdere leefgebieden en het ontbreken van een vaste woonplaats.

De rechtbank legde een taakstraf van 240 uur op en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en verblijf in beschermd wonen. De bijzondere voorwaarden worden niet dadelijk uitvoerbaar verklaard. De straf is lager dan geëist vanwege partieel vrijspraak en de ernst van de feiten wordt met deze straf voldoende weerspiegeld.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur wegens meervoudige overtreding van de Opiumwet.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.103145.26
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2000] ,
correspondentieadres: [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 mei 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
zij in of omstreeks de periode van 1 december 2024 tot en met 3 december 2025 te Bladel, Eersel, Reusel, Bergeijk, Duizel, Knegsel, Hulsel, Netersel, Steensel, Wintelre, Vessem, Eindhoven, Best en/of Tilburg, althans in Nederland, en/of in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt enof verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-MMC en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-MMC,
zijnde MDMA, cocaïne, 3-MMC en/of 4-MMC, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Bladel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 480,29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, bestaande uit
• 3,47 gram (SIN AATM5416NL),
• 99,2 gram (SIN AATM5421NL),
• 63,94 gram (SIN AATM7301NL, SIN AATM7003NL, SIN AATM7302NL en SIN AATM7002NL),
• 310 gram (SIN AATM7048NL),
• 1,38 gram (SIN AATM7047NL) en/of
• 2,3 gram (SIN AATM7046NL),
en/of
- ongeveer 224,58 gram gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, bestaande uit
• 28,3 gram (SIN AATM5418NL)
• 160,9 gram (SIN AATM5448NL),
• 4,48 gram (SIN AATM5430NL),
• 15,15 gram (SIN AATM7023NL en SIN AATM7022NL),
• 1 gram (SIN AATM7021NL),
• 4,62 gram (SIN AATM5433NL) en/of
•10,13 gram (SIN AATM5434NL, SIN AATM5435NL en SIN AATM5436NL),
zijnde MDMA en/of cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Bladel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 2066,92 gram, in elk geval een hoeveelheid 2-MMC, bestaande uit
• 1001 gram (SIN AATM5422NL),
• 53,4 gram (SIN AATM5419NL),
• 139,7 gram (SIN AATM5450NL),
• 99,68 gram (SIN AATM7045NL),
• 100,96 gram (SIN AATM7044NL),
• 304 gram (SIN AATM7043NL, SIN AATM7042NL, SIN AATM7041NL en
SIN AATM7039NL)
• 266,27 gram (SIN AATM7036NL, SIN AATM7037NL, SIN AATM7038NL en SIN AATM7040NL),
• 49,59 gram (SIN AATM7035NL, SIN AATM7032NL, SIN AATM7033NL en SIN AATM7034NL),
• 30,85 gram (SIN AATM7029NL, SIN AATM7030NL, SIN AATM7028NL en SIN AATM7031NL),
• 20,22 gram (SIN AATM7027NL en SIN AATM7026NL) en/of
• 1,25 gram (SIN AATM7025NL),
aanwezig heeft gehad;
T.a.v. feit 4:
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Bladel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk zonder registratie een of meer werkzame stoffen, te weten 1440,17 gram, in elk geval een hoeveelheid ketamine, bestaande uit
• 999,4 gram (SIN AATM5449NL) en/of
• 440,77 gram (SIN AATM7018NL),
heeft bereid, heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, heeft uitgevoerd en/of anderszins binnen en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht dan wel in die werkzame stoffen een groothandel heeft gedreven;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

Op 4 februari 2025 werd een verdachte verhoord voor het bezit van harddrugs. Deze verdachte verklaarde de drugs te hebben gekocht van een jongen die zich [naam 1] zou noemen op Snapchat. Volgens de verdachte zou de echte naam van [naam 1] [medeverdachte] zijn. Aan de hand van deze verklaring is door de politie een onderzoek gestart. In het kader van dit onderzoek zijn meerdere getuigen gehoord en hebben verschillende pseudokopen en observaties plaatsgevonden. Verdachte en haar partner, [medeverdachte] , zijn als verdachten aangemerkt, waarna doorzoekingen hebben plaatsgevonden. In het kantoor gelegen aan de [adres 4] , in de Kia Niro met kenteken [kenteken] en in de woning van verdachte gelegen aan de [adres 3] zijn (onder andere) verschillende soorten drugs en ketamine aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie.

Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, zoals uitgewerkt in het schriftelijk requisitoir van 5 juni 2026. Verdachte kan als medepleger worden gezien, omdat zij, samen met haar partner, gedurende een periode handelde in verschillende soorten drugs. Het ging hierbij om cocaïne, MDMA, 2-MMC, 3-MMC en 4-MMC. Om die reden zou zij op de hoogte zijn geweest van alle drugs die door de politie in haar woning, het kantoorpand en de auto van medeverdachte [medeverdachte] zijn aangetroffen. Zij had daarover ook de beschikkingsmacht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota van 5 juni 2026, bepleit dat verdachte van onderdelen van de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot het eerste ten laste gelegde feit kan verdachte niet worden veroordeeld voor de ten laste gelegde 3-MMC en 4-MMC, omdat er enkel 2-MMC is aangetroffen. Daarnaast legt verdachte hierover een ontkennende verklaring af. Met betrekking tot het tweede, derde en vierde ten laste gelegde is de raadsvrouw van mening dat er geen sprake is van medeplegen voor zover dat ziet op de aangetroffen drugs in het kantoorpand en de auto van de medeverdachte, er is geen sprake van wetenschap of beschikkingsmacht. Verdachte dient om die reden partieel te worden vrijgesproken van die onderdelen van de ten laste gelegde feiten

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend en nadien is geen integrale vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:
  • de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;
  • proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 december 2025, p. 180-182;
  • proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2026, p. 256
  • proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2026, p. 1-5 [voor zover het proces-verbaal betrekking heeft op de aangetroffen goederen op het [adres 3] in Bladel];
  • proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 januari 2026, p. 194-198 [voor zover het proces-verbaal betrekking heeft op SIN AATM5418NL, SIN AATM5448NL, SIN AATM5422NL, SIN AATM5419NL, SIN AATM5450NL en SIN AATM5449NL];
  • proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 25 februari 2026, p. 451-465 [voor zover het proces-verbaal betrekking heeft op SIN AATM5418NL, SIN AATM5448NL, SIN AATM5422NL, SIN AATM5419NL, SIN AATM5450NL en SIN AATM5449NL];
  • rapporten NFiDENT d.d. 18-02-2026, p. 475, 467, 468, 476 en 478;
  • rapport identificatie van drugs d.d. 19-03-2026, p. 9-10 [voor zover het proces-verbaal betrekking heeft op SIN AATM5449NL];
  • een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, Wetboek van Strafvordering te weten: een brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd betreffende bevoegdheidsbeoordeling 26-083, d.d. 1 april 2026, p. 13-14.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Medeplegen.
Niet ter discussie staat dat op diverse locaties verschillende soorten harddrugs en ketamine zijn aangetroffen. Het gaat om de woning van verdachte, het kantoor van medeverdachte [medeverdachte] en de Kia Niro met kenteken [kenteken] , waarin [medeverdachte] reed. Voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van de verschillende soorten drugs is vereist dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij verdachte van de aanwezigheid van deze middelen op de verschillende locaties. Daarnaast moet er sprake zijn van beschikkingsmacht. Met dat laatste wordt bedoeld dat verdachte in enige mate kon bepalen wat er met die verdovende middelen op de verschillende locaties zou gebeuren, oftewel: dat zij er enige zeggenschap over had. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden en niet is vereist dat de verdovende middelen haar eigendom waren.
De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.
De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken voor het bezit van de drugs en ketamine die zijn aangetroffen in het kantoor van medeverdachte [medeverdachte] en in de Kia Niro met kenteken [kenteken] . Verdachte heeft verklaard dat zij niet wist dat de drugs en ketamine zich op die twee locaties bevonden. Ook geeft verdachte aan dat zij daar nimmer kwam. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte op de hoogte was van deze drugs of dat zij de hiervoor genoemde locaties heeft bezocht. Om die reden kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte wist van de aanwezigheid van die drugs en ketamine in het kantoor van medeverdachte van [medeverdachte] en in de Kia Niro. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat deze zich binnen haar machtssfeer bevonden. Het feit dat verdachte een relatie had met medeverdachte [medeverdachte] en af en toe drugs voor hem dealde, maakt dat niet anders. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte en haar partner geen gelijke rol hadden. Uit het procesdossier is namelijk gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] een aansturende rol had en dat verdachte hem hielp.
Aangetroffen drugs.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken voor zover de tenlastelegging ziet op de 3-MMC en 4-MMC en overweegt als volgt. Uit het procesdossier is gebleken dat er in de woning van verdachte (en in de Kia Niro en het kantoor van medeverdachte [medeverdachte] ) geen 3-MMC en 4-MMC is aangetroffen. Verdachte heeft – net als haar medeverdachte – ontkend ook andere designerdrugs voorhanden te hebben gehad en/of te hebben verkocht. Dat er in de gesprekken tussen de verschillende kopers en [naam 1] wordt gesproken over 3-MMC en 4-MMC, maakt dat niet anders.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
Feit 1.
in de periode van 1 december 2024 tot en met 3 december 2025 in Nederland en/of in België tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, (telkens) opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde MDMA en cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2.
op 3 december 2025 te Bladel, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 189,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne, bestaande uit
• 28,3 gram (SIN AATM5418NL)
• 160,9 gram (SIN AATM5448NL),
zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 3.
op 3 december 2025 te Bladel, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten 1194,1 gram 2-MMC, bestaande uit
• 1001 gram (SIN AATM5422NL),
• 53,4 gram (SIN AATM5419NL),
• 139,7 gram (SIN AATM5450NL),
aanwezig heeft gehad;
Feit 4.
op 3 december 2025 te Bladel, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk zonder registratie een of meer werkzame stoffen, te weten 999,4 gram ketamine, (SIN AATM5449NL), heeft ingevoerd en in voorraad heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, zoals genoemd in het advies van de Reclassering van 18 mei 2026. De officier van justitie heeft verzocht om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft zij gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft gevraagd om, evenals de officier van justitie, te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. De rechtbank dient rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Er is geen reden om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, nu niet aan de wettelijke vereisten van artikel 14e Wetboek van Strafrecht is voldaan.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen overtreden van de Opiumwet. Zij heeft voor de periode van ongeveer één jaar gehandeld in verschillende soorten harddrugs. Daarnaast heeft zij een hoeveelheid harddrugs, designerdrugs en ketamine aanwezig gehad.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en dat gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de handel in verdovende middelen is bovendien algemeen bekend dat deze steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank houdt – in strafmatigende zin – rekening met de rol van verdachte. Uit de berichten is gebleken dat verdachte wist waar zij mee bezig was, maar tegelijkertijd had verdachte duidelijk een kleinere rol dan medeverdachte [medeverdachte] .
De rechtbank houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte te kampen heeft met problemen op verschillende leefgebieden. Zo is ze door de vondst van de verdovende middelen haar huurwoning uitgezet en heeft zij geen vaste woon- of verblijfplaats. De rechtbank wil verdachte een kans geven om andere keuzes in het leven te maken en weg te blijven van het criminele milieu. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf met een pakket aan voorwaarden als stok achter de deur geboden. Verdachte krijgt de hulp en begeleiding die zij nodig heeft. Het is aan verdachte om deze kans te pakken.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsrapport van 18 mei 2026. De rechtbank zal – zoals door de officier van justitie is verzocht – de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu niet aan de wettelijke vereisten van artikel 14e Wetboek van Strafrecht is voldaan.
Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 240 uur, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Deze op te leggen straf is lager dan de straf door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank verdachte partieel vrijspreekt van verschillende onderdelen van de tenlastelegging en van oordeel is dat de ernst van de feiten met deze straf voldoende tot uitdrukking komt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 Wetboek van Strafrecht
38 Geneesmiddelenwet
2, 2a, 10, 10b Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Bewezenverklaring
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
Feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 3:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2a onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 4:
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.
Strafbaarheid:
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Straf:
Legt op de volgende straf t.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:
Een
taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis,met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
De rechtbank waardeert elke dag die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op 2 uur te verrichten arbeid.
En een gevangenisstraf voor de duur van
6 maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering.
Dat betrokkene zich binnen 3 werkdagen meldt na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114, 5631 ES te Eindhoven of via telefoonnummer 088-8041504 . Betrokkene blijft zich daarbij melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling.
Dat betrokkene zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Woenselse Poort of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische- en persoonlijkheidsproblematiek.
Verblijf in beschermd of begeleid wonen.
Dat betrokkene gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij [instelling] of een soortgelijke instelling voor beschermd of begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo snel mogelijk. Betrokkene houdt zich daarbij aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Dagbesteding.
Dat betrokkene zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk of dagbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de betrokkene:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter,
mr. S.A.E.M. Rampaart en mr. T.C. Heijmerink, leden,
in tegenwoordigheid van mr. K.D.A.J. Hombergen, griffier,
en is uitgesproken op 19 juni 2026.