Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4447

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
82/289705-22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet op de accijnsArt. 97 Wet op de accijnsArt. 47 Wetboek van StrafrechtArt. 63 Wetboek van StrafrechtArt. 27 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen opzettelijk overtreden accijnsverbod met grote partij sigaretten

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 23 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die werd verdacht van medeplegen van het opzettelijk overtreden van het accijnsverbod door het voorhanden hebben van 31.475.200 onveraccijnsde sigaretten.

De feiten betreffen het ontvangen en opslaan van grote partijen sigaretten in een loods te Breda, waarbij de verdachte een coördinerende rol vervulde. Bewijsmiddelen, waaronder observaties van de FIOD en verklaringen van betrokkenen, toonden aan dat de verdachte actief betrokken was bij het openen van het terrein, het begeleiden van vrachtwagens en het sluiten van de loods. De verdachte voerde aan dat hij dacht te helpen met kleding en schoenen, maar dit werd door de rechtbank niet aannemelijk geacht.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte willens en wetens handelde en medeplegen aannemelijk was. Gezien de ernst van het feit, de omvang van de partij sigaretten en de eerdere veroordeling van de verdachte voor een soortgelijk feit, werd een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest. De redelijke termijn was met ruim 19 maanden overschreden, wat in de strafmaat werd verdisconteerd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 83.289705.22
Datum uitspraak: 23 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1964] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 juni 2025.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 2 november 2022 en/of 3 november 2022 te Breda en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk een (of meer) accijnsgoed(eren), te weten 31.475.200, althans een (grote) hoeveelheid, sigaretten, dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing was/waren betrokken, voorhanden heeft gehad.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat opzet op het ten laste gelegde, al dan niet in voorwaardelijke zin, niet kan worden bewezen.
De bewijsmiddelen
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegd. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank overweegt voorts het volgende.
Het oordeel van de rechtbank
Vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden
De rechtbank leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen tijdens de zitting is besproken het volgende af.
Op 2 november 2022 heeft de Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) een melding ontvangen van de Belgische douane dat zij een melding hebben ontvangen van de Engelse douane over een aantal (zee)containers waarin sigaretten geladen zouden zijn. Volgens de informatie van de Engelse douane zouden enkele van de (zee)containers naar een loods op het adres [adres 2] in Breda worden gebracht.
Op 2 en 3 november 2022 heeft de Belastingdienst/FIOD waarnemingen verricht op voornoemd adres. Op 2 november 2022 hebben de verbalisanten waargenomen dat de verdachte het besloten terrein betrad, met een sleutel het hek losmaakte waarna er een vrachtwagen het terrein kwam oprijden met op de trailer een (zee)container ( [CCLU-nummer 1] ) die achteruit tegen één van de loods deuren op het terrein werd gezet. De vrachtwagen werd vervolgens losgekoppeld van het chassis en is vertrokken. De verbalisanten hebben waargenomen dat de chauffeur van de vrachtwagen tijdens het manoeuvreren werd begeleid door de verdachte. Ook hebben de verbalisanten waargenomen dat dezelfde vrachtwagen later opnieuw het terrein op kwam gereden, met een andere (zee)container ( [CCLU-nummer 2] ), en dat de vrachtwagen zonder chassis het terrein verliet. De verbalisanten hebben gezien dat de verdachte het toegangshek vervolgens met zijn sleutel weer heeft gesloten en dat de verdachte op enig moment handschoenen heeft aangedaan.
Op 3 november 2022 hebben de verbalisanten waargenomen dat van een van de (zee)containers op chassis de deuren waren geopend. Ook de roldeur waar de container voor stond was geopend en er brandde licht in de loods. Later hebben de verbalisanten gezien dat de deuren van de loods en van de container waren gesloten en dat in totaal vijf personen, waaronder de verdachte, naar het toegangshek van het terrein kwamen lopen en het terrein verlieten. Ook hebben zij gezien dat de verdachte met twee andere mannen vertrok richting [hotel] , waar de verdachte de twee mannen heeft afgezet.
Op diezelfde dag is de verdachte aangehouden. In de loods op voornoemd adres werden tijdens de daaropvolgende doorzoeking op 3 november 2022 in totaal 31.475.200 sigaretten aangetroffen welke niet waren voorzien van accijnszegels. Voor de locatie Hazeldonk was geen vergunning Accijnsgoederenplaats of vergunning “Entrepot” afgegeven.
Het juridisch kader
Bij de beoordeling van het tenlastegelegde neemt de rechtbank onderstaand beslisschema uit de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2140) met twee van elkaar te onderscheiden stappen als uitgangspunt.
Stap 1: ‘voorhanden hebben’ volgens het Unierecht
Allereerst moet worden vastgesteld of sprake is van ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns. Daarbij geldt dat aan ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns reeds is voldaan als de verdachte bij het voorhanden hebben van de onveraccijnsde accijnsgoederen betrokken is. Bij ‘voorhanden hebben’ in hiervoor bedoelde zin is:
  • niet relevant als de verdachte niet de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft, en
  • het al dan niet aanwezig zijn van wetenschap van de hoedanigheid van de goederen en de wetenschap van de omstandigheid dat de goederen niet overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland of elders in de Unie in de heffing zijn betrokken, bij de beoordeling of sprake is van ‘voorhanden hebben’ in de zin van de Wet op de accijns niet relevant.
Stap 2: voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is (voorwaardelijk) opzet vereist
Vervolgens moet worden beoordeeld of de verdachte dat voorhanden hebben opzettelijk heeft gedaan, in de zin dat de verdachte willens en wetens onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad, waarbij voorwaardelijk opzet als ondergrens heeft te gelden. Daarbij geldt dat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid het opzet ook kan worden gebaseerd op feiten waaruit volgt dat een persoon opzettelijk betrokken raakt bij het voorhanden hebben, zonder dat die persoon de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft en zonder dat hij de vorenbedoelde wetenschap heeft.
De beoordeling volgens dit juridisch kader
Stap 1
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de Belastingdienst/FIOD in de loods een grote hoeveelheid onveraccijnsde sigaretten heeft aangetroffen die niet waren voorzien van accijnszegels. Er was dus voor deze sigaretten geen accijns geheven overeenkomstig de bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. Daarnaast was ter plaatse geen vergunning afgegeven om als accijnsgoederenplaats te mogen fungeren.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte bij het voorhanden hebben van deze onveraccijnsde sigaretten betrokken is. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daarvoor is het volgende van belang.
Hoewel de overeenkomst voor de huur van de loods op het adres [adres 2] is ondertekend door ene [betrokkene 1] namens [bedrijf] kan uit het dossier voldoende worden afgeleid dat de verdachte de feitelijke huurder was. De eigenaar van de loods, de heer [betrokkene 2] , heeft bij de politie immers verklaard dat hij de loods heeft verhuurd aan een man met de naam [verdachte] die hij aan de hand van foto’s heeft herkend als zijnde de verdachte, betrof het telefoonnummer van de huurder een nummer dat (indirect) toebehoort aan de verdachte en heeft de verdachte de eerste zes maanden huur contant (vooruit) betaald. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft de heer [betrokkene 2] verklaard dat hij de sleutel van de loods ook aan de verdachte heeft overhandigd. Bovendien is de loods blijkens de huurovereenkomst verhuurd ten behoeve van de handel in en opslag van non-alcoholische drank en (mineraal) water en heeft de verdachte verklaard dat hij in de frisdrankhandel zit.
Gelet op de bewijsmiddelen waaruit volgt dat de containers die op 2 november 2022 op de locatie zijn geleverd sterk naar tabak roken, kan het niet anders zijn dan dat de lading onveraccijnsde sigaretten is getransporteerd met deze containers. Op het moment dat de vrachtwagens met de betreffende containers het terrein van [adres 2] op reden, bevond de verdachte zich al op de locatie. Bovendien heeft hij één van de vrachtwagens begeleid bij het manoeuvreren. De verdachte was dus actief bezig met de komst en de ontvangst van de vrachtwagens. Ook op 3 november 2022 was de verdachte op de locatie aanwezig. Tijdens de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij de opdracht had gekregen om de poort te openen en de containers te (laten) lossen. Hij had de beschikking over de sleutel van de poort en de toegangsdeur van de loods. Het was ook de verdachte die de poort van de betreffende locatie sloot en die twee van de overige aanwezigen vervolgens heeft weggebracht.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte betrokken is bij het (mede) voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten. De verdachte heeft de sigaretten dus voorhanden gehad in de zin van de Wet op de accijns.
Stap 2
De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet is of de verdachte opzettelijk de onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad. Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend.
De hierboven beschreven gedragingen van de verdachte, te weten het sluiten van een huurovereenkomst op naam van een tussengeschoven vennootschap en de contante betaling van de eerste zes maanden huur, het openen van de poort van de locatie voor de vrachtwagens, het helpen bij het manoeuvreren van één van de vrachtwagens en het (laten) lossen van de containers, het sluiten van de poort van de locatie en het wegbrengen van twee andere aanwezigen, duiden naar het oordeel van de rechtbank op vooropgezet en planmatig handelen en op doelbewuste aanwezigheid op de locatie. De verdachte lijkt in dit alles een coördinerende rol te hebben.
De verdediging heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat van opzet geen sprake is, gelet op de door de verdachte tijdens de zitting afgelegde verklaring. De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij is benaderd door een Bulgaarse man, [alias] genaamd, met de vraag om hulp bij het huren van een loods en bij het lossen van de containers, welke hulp hij heeft geboden, maar dat hij dacht dat het ging om kleding en schoenen in plaats van om onveraccijnsde sigaretten.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring van de verdachte niet aannemelijk geworden. Daarvoor is allereerst van belang dat de verdachte niet meer informatie over [alias] heeft verstrekt dan zijn voornaam en zijn vermoedelijke achternaam. Het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt voor het bestaan van deze [alias] of überhaupt (telefonisch) contact met iemand uit Bulgarije. Dit terwijl de heer [betrokkene 2] , zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, heeft verklaard dat hij de huurovereenkomst voor de locatie heeft gesloten met de verdachte en dat de verdachte zes maanden huur contant vooruit heeft betaald. Daar komt bij dat niet valt in te zien dat de verdachte een persoon die hij niet kent, helpt bij het lossen van een grote hoeveelheid dozen, zonder vragen te stellen over de inhoud daarvan. Tot slot acht de rechtbank nog van belang dat de tabaksgeur die in de containers is geconstateerd door de verbalisant (ook) de verdachte niet kan zijn ontgaan. Gelet op de bewijsmiddelen in samenhang bezien kan het niet anders dan dat de verdachte op beide dagen heeft geweten dat ter plaatse grote hoeveelheden onveraccijnsde sigaretten werden gelost.
Medeplegen
Voor medeplegen moet sprake zijn van een bewust en nauwe samenwerking tussen de verdachten. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. De verdachte was op 3 november 2022 namelijk samen met vier anderen aanwezig op de locatie, deze anderen zijn – naar eigen zeggen van de verdachte – gekomen om de containers te lossen, alle aanwezigen, waaronder de verdachte, hebben de locatie gelijktijdig verlaten en de verdachte heeft twee van de aanwezigen weggebracht.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen 31.475.200 onveraccijnsde sigaretten voorhanden heeft gehad.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
op 2 november 2022 en 3 november 2022 te Breda, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk accijnsgoederen, te weten 31.475.200 sigaretten, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken, voorhanden heeft gehad.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage 2).
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit komen, geen hogere straf aan de verdachte op te leggen dan de maximale taakstraf, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid onveraccijnsde sigaretten die niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken. Bij het transport waren meerdere personen betrokken. Dit transport vond aldus plaats in georganiseerd verband in het criminele circuit. De verdachte vervulde daarbij een leidinggevende dan wel coördinerende rol.
Inzake de aangetroffen inbeslaggenomen partij sigaretten in dit onderzoek is volgens berekening € 7.656.342,- aan accijns verschuldigd. Door het niet afdragen van deze accijns wordt de schatkist ernstig benadeeld. Door de grote winsten in de handel van illegale sigaretten en tabak worden criminele vermogens opgebouwd. Ontduiken van accijnzen en omzetbelasting is een misdrijf en het leidt tot oneerlijke concurrentie in de Nederlandse detailhandel. Ook ondermijnt de illegale productie van sigaretten het anti-rookbeleid van de Nederlandse Staat, dat erop gericht is om door middel van hoge prijzen het gebruik van sigaretten te ontmoedigen om op die manier de schadelijke gevolgen van het roken voor de volksgezondheid te beperken.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2026, waaruit onder andere blijkt dat de verdachte op 28 mei 2025 is veroordeeld voor eenzelfde strafbaar feit als waar onderhavige procedure op ziet. Uit het betreffende vonnis volgt bovendien dat de aanhouding van de verdachte heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2021. Dat betekent dat de verdachte onderhavig strafbaar feit heeft gepleegd, terwijl hij wist wat de mogelijke consequenties daarvan waren. In die zaak is de verdachte, overigens nog niet onherroepelijk, veroordeeld voor het voorhanden hebben van ongeveer zes en een half miljoen onveraccijnsde sigaretten. Ongeveer een jaar later wordt hij aangehouden voor het voorhanden hebben van een veelvoud daarvan. De rechtbank weegt dat in strafverzwarende zin mee. De onverbiddelijkheid van de verdachte komt tevens tot uiting in zijn proceshouding. De verdachte weet op geen enkel moment verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen en zijn aandeel in het geheel. Daar waar een uitleg mag komen van de verdachte, lijkt hij zijn weg te willen vinden in niet nader vormgegeven alternatieve lezingen en dwaalsporen zonder dit op enig moment concreet te maken. Daarmee lijkt hij te suggereren dat het hem allemaal maar overkomt, welke verontwaardiging volgens de rechtbank geen pas heeft afgezet tegen de inhoud van het dossier.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze tijdens de zitting naar voren zijn gebracht.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat het feit dateert van 3 jaar en (ruim) 7 maanden geleden.
Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven.
Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.
De rechtbank bepaalt het startpunt van de redelijke termijn op 3 november 2022, zijnde het tijdstip waarop de verdachte in het kader van het onderzoek is aangehouden.
Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door de rechtbank op 23 juni 2026 de redelijke termijn met ruim 19 maanden is overschreden. De rechtbank zal deze overschrijding verdisconteren in de op te leggen straf.
De op te leggen straf
De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving in beginsel niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, met aftrek van het voorarrest. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze straf matigen en aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen. Hiermee volgt de rechtbank in die zin de officier van justitie in zijn eis.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
47, 63 van het Wetboek van Strafrecht.
5, 97 van de Wet op de accijns.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van Pro de Wet op de accijns opgenomen verbod.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27
Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.H. van de Kant, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. M. Bankers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 23 juni 2026.