Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4505

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
26/1114
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 5.1 OmgevingswetArt. 5.21 OmgevingswetArt. 8:69a AwbArt. 4 Besluit omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning tijdelijk asielzoekerscentrum in Nuenen

Deze uitspraak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen drie omgevingsvergunningen die het college van burgemeester en wethouders van Nuenen heeft verleend voor de realisering van een tijdelijk asielzoekerscentrum (AZC) voor tien jaar. Verzoeker betwist de vergunningen en vordert schorsing van de bouw en het gebruik van het AZC.

De voorzieningenrechter overweegt dat de vergunningen niet evident onrechtmatig zijn. Het college heeft de bezwaren van verzoeker beoordeeld en de motivering van het besluit aangevuld, onder meer met voorschriften gericht op sociale veiligheid, zoals 24/7 beveiliging en een omwonendenoverleg. De locatiekeuze is volgens het college zorgvuldig gemaakt en alternatieven zijn onvoldoende onderbouwd door verzoeker.

Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat de aangevoerde bezwaren over stikstofberekeningen, woon- en leefklimaat, veiligheidsrisico’s, bodemonderzoek, archeologie en soortenbescherming niet strekken tot bescherming van het belang van verzoeker, waardoor deze gronden niet tot schorsing leiden. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het algemeen belang bij de opvang van asielzoekers zwaarder weegt dan het belang van verzoeker.

De bouw mag worden voortgezet en het AZC mag in gebruik worden genomen. De uitspraak is voorlopig van aard en bindt niet in de bodemprocedure. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunningen voor het tijdelijk AZC wordt afgewezen, waardoor bouw en gebruik mogen worden voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1114 OWBOUW

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [plaatsnaam] ,

verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,
het college,
(gemachtigden: mr. R.S. Klaver en S.W.J. Levèvre).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Centraal Orgaan opvang asielzoekers,

uit ’s-Gravenhage,
het COA,
(gemachtigden: mr. L.A. van Els en [naam 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een drietal omgevingsvergunningen voor 10 jaar die het college heeft verleend aan het COA ten behoeve van de realisering van een tijdelijk asielzoekerscentrum (AZC) op het perceel plaatselijk bekend [adres] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt de gronden en weegt aan de hand van de gronden de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van voorlopige voorziening af tegen de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat niet is gebleken dat de verleende omgevingsvergunningen evident onrechtmatig zijn. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van het college en het COA bij het realiseren van de tijdelijke opvanglocatie zwaarder wegen dan de belangen van verzoeker bij het voorkomen daarvan. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Het college heeft met drie besluiten omgevingsvergunningen verleend voor het vestigen van een tijdelijk AZC te [plaatsnaam] . Met het bestreden besluit op bezwaar van
12 maart 2026 heeft het college de verleende omgevingsvergunningen in stand gelaten met verbetering van de motivering ten aanzien van sociale veiligheid, locatiekeuze, geluid en het geen sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject. Verder zijn voorschriften toegevoegd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/1073. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , verzoeker, vergezeld door [naam 1] en [naam 1] , de gemachtigden van het college en de gemachtigden van het COA en [naam 1] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Vooraf
3. Op 21 december 2023 is door het COA een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijk AZC voor de periode van maximaal 10 jaar op het perceel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] (hierna: het perceel). Bij besluit van 1 september 2025 heeft het college de omgevingsvergunning voor een periode van maximaal 10 jaar onder voorschriften verleend voor de activiteit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).
Op 24 september 2024 is door het COA een aanvraag ingediend voor het oprichten van twee tijdelijke woongebouwen en het aanleggen van een tijdelijke uitweg ten behoeve van het AZC op voornoemd perceel. Op 1 september 2025 heeft het college de omgevingsvergunning voor de periode van maximaal 10 jaar onder voorschriften verleend voor de activiteiten: omgevingsplanactiviteit bouwen (ruimtelijk), technische bouwactiviteit en het maken van een uitweg (artikel 5.1, eerste lid, onder a, en artikel 5.1, tweede lid, onder a, en artikel 5.21, van de Omgevingswet).
Op 30 januari 2025 is door het COA een aanvraag ingediend voor het oprichten van een dienstengebouw met bijgebouwen ten behoeve van het AZC op voornoemd perceel. Op 1 september 2025 heeft het college de omgevingsvergunning voor de periode van maximaal 10 jaar onder voorschriften verleend voor de activiteiten: omgevingsplanactiviteit bouwen, ruimtelijk en technisch (artikel 5.1, eerste lid, onder a, en artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Omgevingswet en artikel 2:12, eerste lid onder a van de Algemene Plaatselijke Verordening [plaatsnaam] c.a. 2020).
4. Tegen de verleende omgevingsvergunningen is – onder meer – door verzoeker bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 26 november 2025 (SHE 25/2776 e.v.) [1] heeft de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan geschorst tot en met zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar en voor het overige de verzoeken afgewezen. Dit betekent dat het COA het AZC wel mag gaan bouwen maar nog niet mag gaan gebruiken.
5. Met het bestreden besluit heeft het college een besluit genomen op de ingediende bezwaren met inachtneming van het door de bezwaarschriftencommissie van de gemeente [plaatsnaam] c.a. op 10 februari 2026 uitgebrachte advies. Bij dit besluit heeft het college in navolging van de bezwaarschriftencommissie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter betrokken en waar nodig de motivering aangevuld.
Omvang verzoek voorlopige voorziening
6. Op de zitting is vastgesteld dat de bouwwerkzaamheden ten behoeve van het AZC in volle gang zijn en dat de door de voorzieningenrechter uitgesproken schorsing van de omgevingsvergunning voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan inmiddels is vervallen. De planning is om de woningen in augustus in gebruik te nemen. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter de bouwactiviteiten van het AZC per direct te schorsen, totdat op het door hem ingestelde beroep is beslist. Op de zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij met het verzoek ook wil voorkomen dat het AZC in gebruik genomen wordt. Het verzoek ziet derhalve op de bouwactiviteiten én het gebruik van het AZC.
De voorzieningenrechter stelt vast dat bij de rechtbank nog een beroep van een omwonende aanhangig is. Deze omwonende heeft niet verzocht om een voorlopige voorziening. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter in onderhavige zaak geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid meteen uitspraak te doen in de hoofzaak. De voorzieningenrechter zal bevorderen dat de rechtbank beide beroepen te zijner tijd gezamenlijk op zitting zal behandelen.
6.1.
De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen hangende het beroep zoals dat door verzoeker is ingesteld. Op de zitting is besproken dat het door verzoeker ingestelde beroep (en het daarmee samenhangende verzoek) alleen betrekking heeft op verzoeker en niet op andere bezwaarmakers. Bij zijn beoordeling betrekt de voorzieningenrechter hetgeen in de uitspraak van 26 november 2025 is overwogen. Verzoeker heeft een groot aantal aspecten in de besluitvorming benoemd die in zijn ogen onzorgvuldig zijn geweest en die een onmiddellijke schorsing van het bestreden besluit rechtvaardigen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verzoeker een groot aantal documenten overgelegd die te maken hebben met de voorbereiding van de besluiten. Op de zitting heeft verzoeker gewezen op een zestal kernpunten uit deze documenten waaruit blijkt dat fundamentele beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.
6.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure een spoedprocedure is, die zich naar haar aard lastig leent voor een inhoudelijk diepgaande beoordeling van alle (beroeps)gronden in volle omgang. Voor de vraag of een voorlopige voorziening getroffen dient te worden in afwachting van de behandeling van de hoofdzaak, dient de voorzieningenrechter na te gaan of naar zijn voorlopig oordeel sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Dit is in het bijzonder het geval als ook zonder diepgaand onderzoek naar de feiten en/of het recht betwijfeld dient te worden of de verleende omgevingsvergunningen in beroep in stand zullen blijven. Verder moet het dan gaan om gebreken die zo ernstig zijn dat deze aan de verlening van de omgevingsvergunningen in de weg hadden moeten staan.
Sociale veiligheid
7. Verzoeker maakt zich met name zorgen over de gevolgen van de sociale veiligheid door de komst van het AZC. Door de voorzieningenrechter is in de uitspraak van
26 november 2025 overwogen dat het college de gevolgen voor de sociale veiligheid moet betrekken bij de inpasbaarheid van de locatie omdat het een aspect is dat in ieder geval een rol van betekenis heeft bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De bezwaarschriftencommissie heeft in zijn advies gesteld dat het college onvoldoende heeft onderkend dat sociale veiligheid een ruimtelijk belang is dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij het verlenen van een omgevingsvergunning moet worden meegewogen. De bezwaarschriftencommissie stelt vast dat het college in de omgevingsvergunning en de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing het aspect sociale veiligheid niet, althans onvoldoende kenbaar, heeft meegenomen in haar belangenafweging.
7.1.
Het college heeft in het bestreden besluit een aantal kernelementen uit het veiligheidsplan die een relatie hebben met de ruimtelijk relevante aspecten als voorschriften aan de omgevingsvergunning voor de ruimtelijke procedure toegevoegd.
Het gaat daarbij om de volgende voorschriften:
• Het COA zorgt ervoor dat er 24/7 beveiliging aanwezig is.
• De opvanglocatie is 24 uur per dag telefonisch bereikbaar voor direct omwonenden, inwoners en operationele diensten. Het telefoonnummer is op de website van het COA en de gemeente vermeld.
• Twee maanden voorafgaand aan het vergunde gebruik dient het COA in samenwerking met de gemeente een zogeheten omwonendenoverleg te initiëren. Vanaf het moment van
ingebruikname van het tijdelijk AZC dient het COA vervolgbijeenkomsten van het
omwonendenoverleg te organiseren. Vorm en frequentie van het overleg worden onderling
afgesproken.
• Het COA ziet toe op naleving van de huisregels op de locatie en informeert bewoners over
gedragsregels en omgangsvormen in Nederland.
7.2.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de gronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
7.3.
De vraag die de voorzieningenrechter in deze procedure moet beantwoorden is dus of het college zich naar voorlopig oordeel op het standpunt heeft mogen stellen dat het AZC voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de sociale veiligheid van verzoeker niet voldoende bestuursrechtelijk geborgd is in de omgevingsvergunning voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan door middel van het veiligheidsplan en door de afspraken met betrekking tot het omwonendenoverleg. Verzoeker heeft gesteld dat het college ten onrechte niet het volledige veiligheidsplan als voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft verbonden en dat ook een verwijzing naar toekomstige veiligheidsplannen in het voorschrift opgenomen had moeten worden. De voorzieningenrechter ziet hierin op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de verleende omgevingsvergunningen in beroep geen stand zullen houden. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de rechtbank in de hoofdzaak de mogelijkheid heeft zelf voorschriften toe te voegen of te wijzigen, mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat de huidige voorschriften ontoereikend zijn om de sociale veiligheid voldoende te borgen. Voor het schorsen van het bestreden besluit om deze reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
Locatiekeuze
8. Verzoeker betwist dat de gekozen projectlocatie een goede locatie is en dat er alternatieven zijn die beter zijn. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van
26 november 2025 overwogen dat de voorafgaande keuze voor deze projectlocatie te kort schiet en dat het college in de bezwaarfase beter zal moeten uitleggen hoe het tot deze keuze is gekomen. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de in beeld gebrachte alternatieve locaties één of meerdere aspecten hebben waardoor deze locaties minder geschikt zijn dan de locatie [adres] . Met betrekking tot de plus- en minmatrix geeft het college aan dat het uitdrukkelijk niet bedoeld was en ook niet is gebruikt als scorelijst, waarbij de locatie met de minste belemmeringen als vanzelf de voorkeur krijgt boven andere locaties. De plus- en minmatrix is gebruikt als ‘praatstuk’ om de voor- en nadelen van de verschillende locaties te bespreken. De keuze van de locatie is toegelicht in de memo “Toelichting locatiekeuze [adres] ”. Verzoeker stelt in beroep dat de gekozen locatie eerder door het COA niet geschikt was bevonden.
8.1.
Volgens vaste jurisprudentie dient het college te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend en is het bestaan van alternatieve locaties geen omstandigheid die afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunningen. Indien een plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven het college slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
8.2.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker hierover aanvoert geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De bouw van het AZC op deze locatie is in volle gang en de planning is om het op korte termijn in gebruik te nemen. De stelling van verzoeker dat het COA aanvankelijk bedenkingen had ten aanzien van de locatie behoeft daarom geen bespreking meer. Verder heeft verzoeker onvoldoende onderbouwd dat een andere locatie leidt tot hetzelfde resultaat met aanzienlijk minder bewaren.
Stedelijk ontwikkelingsproject
9. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 26 november 2025 overwogen dat het college bevoegd was om de omgevingsvergunning voor het afwijkend gebruik te verlenen met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure. In het bestreden besluit heeft het college een nadere motivering gegeven waarom het tijdelijke AZC niet als stedelijke ontwikkeling is aan te merken en dat het college bevoegd is om af te wijken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 4, aanhef , onderdeel 11, van het Besluit omgevingsrecht, omdat het project is aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject in categorie 1.2 van onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer). In hetgeen verzoeker hierover heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte bevoegd heeft geacht tot verlenen van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Relativiteitsvereiste
10. Verzoeker voert aan dat de uitgevoerde stikstofberekening ondeugdelijk is. Verzoeker betwijfelt ook of er een goed woon- en leefklimaat is het AZC gelet op de ligging van de autosnelweg A270 en [adres] en een nabij gelegen bedrijf. Verder wijst verzoeker op de veiligheidsrisico’s voor de bewoners van het AZC gelet op genoemde autosnelweg. Gezien het ontbreken van cruciale rapportages, de onjuiste aannames in de stikstofberekening en het negeren van de door de omgevingsdienst gestelde randvoorwaarden, is er volgens verzoeker sprake van een onrechtmatig besluit. Ook op het gebied van technisch bouwen, alsmede op het gebied van bodemonderzoek, archeologie en soortenbescherming stelt verzoeker dat er gebreken kleven aan de besluitvorming.
10.1.
De voorzieningenrechter overweegt hierover allereerst dat in de uitspraak van
26 november 2025 uitgebreid op de bezwaren is ingegaan. Anders dan in de bezwaarfase geldt in de beroepsfase echter het zogenoemde relativiteitsvereiste. Dit houdt in dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. [2] De wetgever heeft hiermee de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de verzoeker door het besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit dus niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de verzoeker.
10.2.
Het betoog ten aanzien van de stikstofberekening kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen vanwege het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb. Daartoe wordt overwogen dat – naar niet door verzoeker is betwist – het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied kilometers van de locatie en daarmee van verzoeker ligt. Dit natuurgebied behoort niet tot de directe leefomgeving van verzoeker. De hiervoor geldende normen ten aanzien van stikstof strekken niet tot bescherming van de belangen van verzoeker. Ook de normen voor woon- en leefklimaat en veiligheidsrisco’s voor de bewoners van het AZC waar verzoeker naar verwijst strekken niet tot bescherming van belangen van verzoeker. Datzelfde geldt voor de normen ten aanzien van de soortenbescherming. Verzoeker woont in ieder geval op meer dan 100 meter afstand van de projectlocatie, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de belangen van verzoeker bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving verweven zijn met het algemeen belang waar hij zich op beroept. Voor wat betreft de gronden die verzoeker heeft aangevoerd ten aanzien van bodemonderzoek, archeologie en technisch bouwen, geldt eveneens dat deze normen niet strekken tot de bescherming van zijn belang. Een eventuele schending van deze normen kan derhalve in de hoofdzaak niet leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker over deze aspecten heeft aangevoerd geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.
11. Voor het overige verwijst verzoeker met name naar een groot aantal documenten inzake met name berichten over de gang van zaken rondom (het voortraject van) de aanvraag van de vergunningen en de verlening daarvan. Zonder deugdelijke nadere motivering verbindt verzoeker bepaalde conclusies aan de berichten. De voorzieningenrechter kan, mede gelet op de tekst van de documenten waarnaar wordt verwezen, de conclusies van verzoeker niet volgen. Vaak ontbreekt de context, zodat de juistheid van de door verzoeker getrokken conclusie niet volgt uit de documenten. De voorzieningenrechter ziet voorts op basis van wat verzoeker aanvoert niet de relevantie van de inhoud van de documenten waar verzoeker naar verwijst in het kader van de rechtmatigheid van de vergunningen, laat staan dat valt in te zien dat sprake is van evidente onrechtmatigheid.
Belangenafweging
12. De voorzieningenrechter ziet ook aan de hand van een belangenafweging geen aanleiding om het verzoek van verzoeker toe te wijzen en het bestreden besluit te schorsen. Het belang van verzoeker is gelegen in het voorkomen dat zijn sociale veiligheid wordt aangetast door de realisatie van het AZC. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft vastgesteld zijn ten aanzien van de sociale veiligheid door het college met het bestreden besluit voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. De door verzoeker opgeworpen vraag of met deze voorschriften de sociale veiligheid afdoende geborgd is zal in de hoofdzaak verder aan de orde komen. Het college heeft verder aangegeven tegen eventuele overlast te zullen optreden. Tegenover het belang van verzoeker staat het algemeen belang dat is gediend met de realisatie van deze opvanglocatie om te voorzien in de behoefte en noodzaak voor opvangplekken voor asielzoekers (op korte termijn).
13. Hoewel het door verzoeker geschetste belang begrijpelijk is, laat de voorzieningenrechter – in het licht van al het vorenstaande – het belang bij de vergunde tijdelijke opvanglocatie in dit geval zwaarder wegen dan het belang van verzoeker bij het voorkomen van de realisatie daarvan. Het is een feit van algemene bekendheid de problematiek rondom de opvangcapaciteit in Nederland voor asielzoekers zeer actueel is, en de nood hoog is. Het in gebruik nemen van dit AZC helpt deze nood te lenigen.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het AZC afgebouwd mag worden en in gebruik mag worden genomen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: Wettelijk kader

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of
gedeeltelijk bestaat uit:
a. (…)
b. (…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een
beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of
4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover
toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
Omgevingswet
Artikel 5.1, eerste lid, onder a (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
g
Artikel 5.1, tweede lid, onder a (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. een bouwactiviteit,
Artikel 5.21 (beoordelingsregels aanvraag omgevingsplanactiviteit)
1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
2. De regels strekken er in ieder geval toe dat: a. de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels, b. de omgevingsvergunning kan worden verleend als sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, en (...)
Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL)
Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen), tweede lid
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 12.27a. (lijdelijke beoordelingsregel buitenplanse omgevingsplanactiviteit)
Bij de toepassing van artikel 8.0a, tweede lid, is in ieder geval sprake van een evenwichtige
toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
Algemene Plaatselijke Verordening Nuenen c.a. 2020
Artikel 2:12 Maken Pro, veranderen van een uitweg
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders:
a. een uitweg te maken naar de weg;
b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2. De vergunning kan worden geweigerd:
a. in het belang van de bruikbaarheid van de weg;
b. in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d. in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
e. als dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
f. als sprake is van strijdigheid met andere wet- of regelgeving.
3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement.
Bestemmingsplan Oude Landen 2013
5.1.1 De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. duurzame instandhouding van bosgebieden;
b. behoud, versterking en/of ontwikkeling van de aan de bossen eigen zijnde natuur- en
landschapswaarden;
c. behoud, versterking en ontwikkeling van de ecologische en cultuurhistorische waarden en
kenmerken;
d. een recreatiewoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning';
e. een begraafplaats, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats’, met een capaciteit van twee graven en een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 10 m2 waarbij wordt uitgegaan van een aanleghoogte van 0,25 meter boven het bestaande maaiveld;
f. het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de
onderscheiden gebieden ter plaatse van de aanduiding 'groenblauwe mantel';
g. nutsvoorzieningen;
h. voorzieningen ter ontsluiting, zoals toegangswegen en fietspaden;
i. beeldende kunstwerken;
j. gedenktekens;
k. retentievoorzieningen;
I. geluidwerende voorzieningen;
m. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
n. extensieve recreatie;
o. ecologische en maatschappelijke waarden;
p. extensief medegebruik;
een en ander met de bijbehorende voorzieningen.
5.2.1
Gebouwen
Op de voor 'Bos' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning'.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBOBR:2025:7779 te vinden www.rechtspraak.nl
2.Dit staat in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)