Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4531

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
01.150180.22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 314a SvArt. 6 EVRMArt. 27 lid 1 SrArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen moord en veroordeling medeplegen doodslag na afpersing met dodelijk geweld

Op 19 mei 2022 werd het slachtoffer in Helvoirt neergeschoten tijdens een afpersingspoging die uit de hand liep. Het slachtoffer overleed enkele dagen later aan de gevolgen van het schotletsel. Verdachte, samen met twee medeverdachten, werd verdacht van medeplegen van moord. Na een langdurig en complex onderzoek met diverse opsporingsmiddelen, waaronder observaties, afluisteringen en forensisch onderzoek, werd het dossier opgebouwd.

De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor voorbedachte rade en veroordeelde verdachte daarom niet voor moord, maar wel voor medeplegen van doodslag. Verdachte had samen met medeverdachte 2 het slachtoffer naar een afgelegen plek gelokt op aanwijzing van medeverdachte 1, waarbij medeverdachte 2 het fatale schot loste. Verdachte had bewust het risico aanvaard dat het slachtoffer zou overlijden.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de betrokkenheid van verdachte bij het plan en de nasleep, waaronder het wegmaken van sporen en pogingen tot oplichting van nabestaanden. De redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot strafvermindering. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 12 jaar, met aftrek van voorarrest, en teruggave van in beslag genomen voorwerpen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van doodslag en vrijgesproken van medeplegen moord.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer : 01.150180.22
Datum uitspraak : 25 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1998] ,
wonende te [adres 1]
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 december 2022, 3 december 2024, 14 februari 2025, 16 april 2025, 26 juni 2025,
2 september 2025, 27 november 2025, 29 januari 2026, 14 april 2026, 15 april 2026,
16 april 2026 en 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van het Openbaar Ministerie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 november 2022.
Op de terechtzitting van 14 februari 2025 is de tenlastelegging aangepast op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Na deze aanpassing is aan verdachte ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2022 tot en met 26 mei 2022, in elk geval op of omstreeks 19 mei 2022, te Helvoirt, gemeente Vught, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] , geboren op [1953] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een (vuur)wapen een kogel in het hoofd/lichaam van die [slachtoffer] te schieten, althans een kogel op die [slachtoffer] af te vuren, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officieren van justitie kunnen in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

Op 20 mei 2022 is [slachtoffer] (hierna aangeduid als [slachtoffer] of het slachtoffer) ’s ochtends rond 7.30 uur liggend naast zijn auto aangetroffen op een [adres 2] in Helvoirt. Hij was niet aanspreekbaar, maar bleek toen ambulancemedewerkers ter plaatse kwamen nog wel enigszins te kunnen reageren op gestelde vragen door het knijpen in de hand van één van de ambulancemedewerkers en een stukje optillen van zijn benen.
In het ziekenhuis werd een schotverwonding vastgesteld achter zijn rechteroor. [slachtoffer] werd diezelfde dag nog geopereerd, waarbij een kogel in zijn hoofd werd gevonden. De op de vloer van zijn auto aangetroffen huls bleek te passen bij deze kogel. De telefoon van
[slachtoffer] en zijn autosleutels werden ter plaatse niet gevonden en ook daarna zijn zij nergens aangetroffen. [slachtoffer] is niet meer bij kennis gekomen en is uiteindelijk op
26 mei 2022 op 68 jarige leeftijd overleden.
Uit het definitieve forensisch-pathologisch rapport van 30 november 2022 bleek dat het overlijden van [slachtoffer] kon worden verklaard door hersenbeschadigingen en verwikkelingen ten gevolge van schotletsel. Dat schotletsel bevond zich achter het rechteroor met een van rechts naar links verlopend schotkanaal. Daarnaast was sprake van letsel in de hals dat was veroorzaakt door een samendrukkende krachtinwerking aan de hals, zoals bijvoorbeeld manuele verwurging of omsnoeren van de hals met een voorwerp.
Op de dag dat [slachtoffer] werd aangetroffen, werd onder leiding van het Openbaar Ministerie een grootschalig opsporingsonderzoek onder de naam Dukinfield gestart. In dit onderzoek werden meerdere opsporingsinstrumenten ingezet: er werden onder meer personen stelselmatig geobserveerd, undercover agenten ingezet, kentekengegevens geraadpleegd, besloten plaatsen betreden, vertrouwelijke communicatie opgenomen, telefoongesprekken afgeluisterd en camerabeelden en andere voor het onderzoek relevante gegevens verkregen. Hierbij zijn [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] als verdachten in beeld gekomen. Op 6 september 2022 zijn zij aangehouden en hebben er op meerdere plaatsen doorzoekingen plaatsgevonden. Er zijn toen verschillende voorwerpen in beslag genomen, die nader zijn onderzocht. Ook na de aanhouding en (tijdelijke) vrijlating van de drie verdachten werd het opsporingsonderzoek voortgezet, waarbij opnieuw opsporingsinstrumenten werden ingezet en de verdachten werden geconfronteerd met nieuwe onderzoeksbevindingen, wat soms weer leidde tot nadere onderzoekshandelingen door het opsporingsteam.
Het opsporingsonderzoek heeft met tussenpozen ruim vier jaar geduurd en uiteindelijk geleid tot een omvangrijk procesdossier van ruim 25.000 pagina’s en de verdenking dat de verdachten betrokken zijn bij de dood van [slachtoffer] . Het feitencomplex is aan alle drie verdachten impliciet primair tenlastegelegd als moord en impliciet subsidiair als doodslag. Aan [medeverdachte 1] is dit feitencomplex, voor het geval hiervoor geen veroordeling zou kunnen volgen, ook nog subsidiair tenlastegelegd als uitlokking van moord of doodslag.
De rechtbank zal hierna overgaan tot de bespreking van de bewijsvraag. Daarbij zullen de verdachten aangeduid worden bij hun achternaam.

De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft op de gronden vermeld in het op schrift gesteld requisitoir in de kern genomen betoogd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] ongeloofwaardig zijn en dat uit het procesdossier veeleer blijkt van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven om er financieel beter op te worden. Bij dit plan en de uitvoering daarvan hebben [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] een strafrechtelijk relevante betrokkenheid gehad, zodat het medeplegen van moord (impliciet primair) bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft op de gronden weergegeven in het op schrift gestelde pleidooi vrijspraak bepleit ten aanzien van het impliciet primair/subsidiair ten laste gelegde feit. Sterk verkort komt het pleidooi er op neer dat de verklaring van [medeverdachte 2] ongeloofwaardig is, dat de verklaring van [verdachte] voldoende steun vindt in overig bewijs en logica, dat geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de dood van [slachtoffer] , dat het opzet van [verdachte] niet zag op het toebrengen van dodelijk letsel bij [slachtoffer] en dat het bewijs voor voorbedachte rade ontbreekt.

De bewijsbeslissing.

De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs.
De rechtbank legt aan haar bewijsbeslissing mede ten grondslag de op 12 maart 2026 door [verdachte] afgelegde verklaring. Zij acht die in de kern betrouwbaar, omdat hij daarmee zichzelf in ernstige mate belast en omdat die verklaring op meerdere belangrijke punten wordt bevestigd door de inhoud van het dossier; zowel tactische als forensische onderzoeksgegevens. De verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daarentegen legt de rechtbank als niet geloofwaardig terzijde. Deels omdat zij in strijd zijn met de onderzoeksbevindingen en deels omdat zij cruciale vragen zonder nadere uitleg onbeantwoord laten. De rechtbank komt daar later in dit vonnis op terug.
Feiten en omstandigheden.
De rechtbank neemt, naast wat al is opgemerkt in de inleiding, de navolgende feiten en omstandigheden, die door partijen niet worden bestreden, als uitgangspunt.
[slachtoffer] wilde eenvoudiger gaan leven en heeft in december 2021 een overeenkomst gesloten met [bedrijf] voor de bouw van een
tiny housevoor een bedrag van € 50.000,-. [bedrijf] was een bedrijf van [medeverdachte 1] , hij had het voor het zeggen binnen het bedrijf en verrichtte ook feitelijke bouwwerkzaamheden. De koopsom van het
tiny housewas gebaseerd op het feit dat [slachtoffer] deels zou meehelpen aan de bouw ervan. Hij was in dat kader zeer regelmatig aanwezig in de loods van [medeverdachte 1] in Waspik.
[slachtoffer] beschikte door de verkoop van zijn woning in Breda over een aanzienlijke som geld. [medeverdachte 1] , die regelmatig het casino bezocht en naar eigen zeggen een privéschuld had van € 200.000,-, was daarvan op de hoogte. Op 13 april 2022 had [slachtoffer] in totaal een bedrag van € 77.500,- aan [bedrijf] overgemaakt. Dat was veel meer dan de oorspronkelijk afgesproken koopsom voor het
tiny house. Op 7 mei 2022 heeft [slachtoffer] via Whatsapp aan [medeverdachte 1] laten weten geen geldbedrag van € 2.500,- aan hem te willen overmaken. In de maanden daarvoor had [slachtoffer] wel een aantal keren op verzoek van [medeverdachte 1] geld naar hem overgemaakt, omdat [medeverdachte 1] (onder andere) een aantal rekeningen niet kon betalen.
[verdachte] werkte, naast zijn fulltime baan, regelmatig voor [medeverdachte 1] en heeft bij die werkzaamheden ook [slachtoffer] leren kennen. [verdachte] kreeg geen vaste financiële vergoeding voor zijn werkzaamheden voor [medeverdachte 1] , maar de afspraak bestond dat [medeverdachte 1] zou bijdragen aan een nieuwe auto voor [verdachte] .
Op 19 mei 2022 was het
tiny housevan [slachtoffer] zover klaar dat het binnen een aantal dagen vervoerd zou kunnen worden naar de uiteindelijke standplaats in Sprang-Capelle. In de avond van 19 mei is [verdachte] in zijn Fiat Punto omstreeks 22.10 uur weggereden bij de loods in Waspik. [slachtoffer] reed in zijn eigen auto achter hem aan.
De betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachten.
[medeverdachte 1] was lange tijd bereid met de politie te praten en hij heeft zich daarbij consequent op het standpunt gesteld dat hij op geen enkele wijze betrokken is bij de dood van [slachtoffer] . Zijn antwoorden roepen echter, afgezet tegen de inhoud van het dossier, veel vragen op. Zo is er bijvoorbeeld de vraag op welk tijdstip hij heeft vernomen dat [slachtoffer] is beschoten. [betrokkene 1] , die ook een
tiny househad gekocht van [medeverdachte 1] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] dit tegen haar vertelde tijdens de open dag van het bedrijf van [medeverdachte 1] op 21 mei 2022. Op dat moment waren er evenwel nog geen enkele details over het incident naar buiten gebracht door de politie en de familie van [slachtoffer] . [medeverdachte 1] moet dit dus van iemand anders hebben gehoord. Het kan niet anders of [verdachte] heeft hem dat verteld. Dit volgt uit de verklaring van [verdachte] van 12 maart 2026 en vindt bevestiging in het telefonisch contact tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] en het bezoek van [medeverdachte 1] aan [verdachte] in de ochtend van
20 mei 2022. Ook de door [medeverdachte 1] op diezelfde ochtend tussen 11.17 en 11.21 uur uitgevoerde zoekslagen op internet (onder meer ‘112 Noord-Brabant/ik bewusteloos ga ik dan dood/112 Helvoirt’) passen volledig in het beeld dat hij toen al meer wist over wat er met [slachtoffer] was gebeurd dan wat langs officiële kanalen naar buiten was gebracht. De verklaring van [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 14 april 2026 dat hij op 20 mei 2022 in de avond van een vriendin van [slachtoffer] hoorde dat [slachtoffer] in het ziekenhuis lag en dat hij de link tussen [verdachte] en het incident pas een paar dagen later legde, is in tegenspraak met die onderzoeksbevindingen. Het staat buiten kijf dat [medeverdachte 1] een actieve rol had bij het wegmaken van (mogelijke) sporen die zouden kunnen wijzen op de directe betrokkenheid van [verdachte] bij het delict. Hij adviseerde niet alleen bij het wisselen van de banden van de auto van [verdachte] , maar ook tot het wegmaken van de schoenen van [verdachte] . Hierbij was hij in hoge mate sturend. Hieruit volgt niet alleen dat hij wist dat de auto van [verdachte] en [verdachte] zelf in de omgeving van of op de plaats delict waren geweest - dat is daderschapskennis -, maar ook dat hij er zelf belang bij had dat die sporen weggemaakt zouden worden. [medeverdachte 1] heeft op 1 mei 2025 als verklaring gegeven dat hij de indruk had gekregen dat [verdachte] ‘iets’ met de dood van [slachtoffer] had te maken en dat hij hem daarna - omdat het nu eenmaal zijn zwager is - een beetje was gaan helpen. Op vragen van de politie hierover heeft [medeverdachte 1] niet verder inhoudelijk willen reageren, zodat dit verhaal verder geen handen en voeten heeft kunnen krijgen. Bij deze stand van zaken, en omdat de rechtbank het redelijkerwijs onbegrijpelijk acht dat iemand die vanaf het begin stelt onschuldig te zijn en steeds heeft benadrukt dat hij voor zijn bedrijf en ook thuis onmisbaar is pas met dit verhaal op de proppen komt als hij al langere tijd in detentie verblijft, schuift de rechtbank dit verhaal van [medeverdachte 1] als ongeloofwaardig ter zijde. Verder zijn de verklaringen van [medeverdachte 1] over de door [slachtoffer] nog te verrichten betalingen voor de bouw van het
tiny housein strijd met diverse bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek waaruit volgt dat [slachtoffer] op het moment van zijn overlijden al lang aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. De conclusie van de rechtbank is dan ook dat [medeverdachte 1] in zijn verklaringen leugenachtig is en vragen die redelijkerwijs om een antwoord vragen niet beantwoordt. De rechtbank zal zijn verklaringen daarom als ongeloofwaardig/onbetrouwbaar terzijde leggen.
[medeverdachte 2] heeft langdurig gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Op 26 augustus 2025 is hij op eigen verzoek door de politie gehoord. Zijn verklaring komt er op neer dat hij op 1 mei 2022 is benaderd door [verdachte] , die veel geld zou weten te liggen in een chalet op een camping, met de vraag of hij mee wilde gaan om dat geld ‘te pakken’. In dat kader heeft hij samen met [verdachte] op 17 mei 2022 een verkennend bezoek gebracht aan [naam camping] in [geboorteplaats] . Op een later moment zou daadwerkelijk tot actie worden overgegaan. Toen [medeverdachte 2] op 19 mei 2022 door [verdachte] werd opgehaald was het plan volgens [medeverdachte 2] plotsklaps gewijzigd. Er werd niet naar de camping gereden, maar naar een afgelegen plek in het bos. [medeverdachte 2] kon zich daar niet in vinden, zag dat [verdachte] een vuurwapen bij zich had en bleef op de uiteindelijke plaats delict in de auto zitten. Nadat [verdachte] was uitgestapt hoorde [medeverdachte 2] een schot. Vervolgens is [verdachte] weer ingestapt en hebben zij in grote haast de plaats delict verlaten. [medeverdachte 2] weet niet waar het wapen is gebleven en ook niet wat er is gebeurd met de telefoon van [slachtoffer] .
[verdachte] ontkende aanvankelijk iedere betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] . Nadien suggereerde hij bij herhaling dat hij wel relevante kennis had over de dood van
[slachtoffer] , maar dat hij die informatie pas op een later moment met de politie wilde delen. Op 13 oktober 2022 vulde hij zijn verklaring aan met, volgens zijn verklaring ter terechtzitting, een verzonnen verhaal waar hij later op is terug gekomen en dat overigens ook geen enkele bevestiging kon vinden in het daarnaar ingestelde politieonderzoek. Zijn definitieve procespositie leek hij pas te bepalen vier weken voor de inhoudelijke behandeling van deze zaak, bijna vier jaar na de dood van [slachtoffer] , toen hij op 12 maart 2026 op eigen verzoek opnieuw door de politie is gehoord. Hij heeft in die laatste verklaring verteld dat [medeverdachte 1] wist dat er veel geld te halen viel bij [slachtoffer] en aan [verdachte] heeft gevraagd of hij mensen kende die [slachtoffer] konden afpersen en daarbij zijn geld en pinpassen konden afpakken. Het geld dat hierdoor verkregen zou worden zou ervoor zorgen dat [medeverdachte 1] geen schuldeisers meer in zijn nek zou hebben, dat hij [verdachte] kon betalen voor zijn werkzaamheden bij de
tiny housesen hij het geld dat hij in de afgelopen jaren van [verdachte] had geleend aan hem kon terug betalen. Het geld zou in het door [slachtoffer] bewoonde chalet liggen en pinpassen en codes zouden afhandig gemaakt moeten worden om geld van bankrekeningen te halen. Dit moest onder grote druk gebeuren. [slachtoffer] zou zo bang moeten worden gemaakt dat hij ‘niet de ballen zou hebben de politie in te schakelen’. [verdachte] is meegegaan in dat plan en heeft aan [medeverdachte 2] gevraagd twee mannen te regelen om die klus te klaren. Op 19 mei 2022 heeft [medeverdachte 1] gezegd dat het die dag moest gebeuren. Daarop heeft [verdachte] contact opgenomen met [medeverdachte 2] , die geen andere mensen had kunnen regelen. Vervolgens hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] diezelfde avond ter uitvoering van het afpersings- en/of berovingsplan [slachtoffer] naar een afgelegen plaats, de Margriet in Helvoirt, gelokt. Daar is hij samen met [medeverdachte 2] uit de auto gestapt waarna door [medeverdachte 2] , die toen een vuurwapen bij zich bleek te hebben en riep dat het een overval was, onverwacht een schot werd gelost waardoor [slachtoffer] is geraakt. Vervolgens hebben zij in totale paniek de plaats delict verlaten. Op 23 maart 2026 heeft [verdachte] zijn verklaring nog schriftelijk aangevuld en onder meer benadrukt dat hij met zijn acties makkelijk geld wilde verdienen. Het oorspronkelijke plan was volgens [verdachte] aldus de pinpas(sen) met code(s) van [slachtoffer] afpakken en geld uit zijn chalet op [naam camping] stelen. Na de onverwachte dood van [slachtoffer] hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] alsnog geprobeerd aan geld te komen met de financiële afwikkeling van het
tiny housevan [slachtoffer] (door [verdachte] ter zitting plan B genoemd).
De verklaringen van [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn op essentiële punten tegenstrijdig en kunnen niet beide waar zijn. In de verklaring van [medeverdachte 2] valt op dat hij nauwelijks openheid geeft, maar slechts zaken erkent waar hij op grond van de onderzoeksbevindingen redelijkerwijs niet om heen kan. Hij plaatst zichzelf weliswaar op de plaats delict op het tijdstip dat [slachtoffer] werd beschoten, maar op nadere vragen van de politie antwoordt hij niet gedetailleerd. De rechtbank acht het buitengewoon onwaarschijnlijk dat [medeverdachte 2] op de avond van
19 mei 2022 toen hij instapte in de auto van [verdachte] verrast werd door [verdachte] mededeling dat ze niet naar het chalet van [slachtoffer] zouden rijden, maar naar een afgelegen plek waar hij beroofd/afgeperst zou worden. Er is in de aanloop naar de datum delict meermalen (telefonisch) contact geweest tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] , ook nog toen [verdachte] vanaf de loods in Waspik onderweg was om [medeverdachte 2] in Waalwijk bij het RKC stadion op te halen. [slachtoffer] reed toen al achter [verdachte] aan. De verklaring van [medeverdachte 2] dat tijdens alle fysieke afspraken of telefoongespreken met [verdachte] in de periode van 1 tot en met 19 mei 2022 in het geheel niet gesproken is over de wijze waarop te werk gegaan zou worden en dat hij alleen maar wist dat hij mee zou gaan om ergens geld te pakken, is niet geloofwaardig. De rechtbank acht het ook niet waarschijnlijk dat [medeverdachte 2] tegen zijn zin met [verdachte] is meegereden naar [adres 2] in Helvoirt en niet is uitgestapt toen hij - zoals hij zegt - wist dat het plan veranderd was van een inbraak in een afpersing en had gezien dat er een vuurwapen in de auto lag. Hij had daar immers zeker de gelegenheid voor bij de stop aan het Run in Waalwijk. Hij zette zelfs zijn telefoon uit om later niet getraceerd te kunnen worden. Evenzeer is het onwaarschijnlijk dat hij op [adres 2] in de auto zou zijn blijven zitten, niet geprobeerd zou hebben [verdachte] op andere gedachten te brengen toen die op [adres 2] met een vuurwapen naar de auto van [slachtoffer] zou zijn gelopen en, zoals [medeverdachte 2] verklaard heeft ter terechtzitting, niet gehoord zou hebben wat er tussen [slachtoffer] en [verdachte] zou zijn gezegd en niet heeft gezien wat er gebeurd is.
Hoewel met de verklaring van [verdachte] van 12 maart 2026 zeker niet alle vragen worden beantwoord, stelt de rechtbank vast dat deze verklaring op belangrijke punten steun vindt in het dossier. Zijn verklaring dat [medeverdachte 1] een belangrijke rol speelde bij de gebeurtenissen wordt ondersteund door uitlatingen van [medeverdachte 2] op 23 november 2022 tegenover een undercoveragent dat ze de man, die is vrijgelaten en een strafblad heeft met alles erop en eraan, moeten hebben. [medeverdachte 1] die in eerste instantie is vrijgelaten én een omvangrijk strafblad heeft past in dit profiel. [verdachte] heeft verklaard dat hij op 1 mei 2022 [medeverdachte 2] heeft benaderd, omdat hij wist dat [medeverdachte 2] weleens ‘boevendingen’ deed. Hoewel hij dat niet specifieker heeft willen beschrijven, blijkt uit het dossier dat in het Snapchataccount van [medeverdachte 2] een aantal foto’s is teruggevonden waarop [medeverdachte 2] met vuurwapens poseert. Drie bestanden hebben een modified datum van 15 april 2022 tussen 22:51 en 22:56 uur. Het is aannemelijk dat [verdachte] kort voor 1 mei 2022 kennis heeft kunnen nemen van deze foto’s en dat [medeverdachte 2] fascinatie voor wapens reden geweest kan zijn om hem voor ‘de klus’ te vragen. [verdachte] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 1] op 19 mei 2022 druk op hem uitoefende dat het die dag moest gaan gebeuren. Dat vindt bevestiging in de telefonische contacten tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] en tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] die steeds kort op elkaar volgden in de namiddag en avond van 19 mei 2022, ook nadat [verdachte] even na 22:00 uur de loods in Waspik had verlaten met [slachtoffer] in zijn kielzog. Daarnaast heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 2] aan de bijrijderszijde van de auto stond toen hij riep “dit is een overval” en het vuurwapen onverwacht afging. Het bij [slachtoffer] vastgestelde schotletsel achter zijn rechteroor en de in de auto aangetroffen huls op de vloermat van de bijrijder zijn details die passen bij die verklaring van [verdachte] . Wat verder bijdraagt aan de geloofwaardigheid van [verdachte] is dat hij zichzelf in hoge mate belast. Om deze redenen acht de rechtbank de verklaring van [verdachte] afgelegd op 12 maart 2026 in de kern betrouwbaar. Dit in tegenstelling tot de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om redenen hiervoor besproken.
Tegen de achtergrond van de geschetste en niet door partijen bestreden feiten en omstandigheden rijzen een aantal feitelijke en juridische vragen.
III.1 Waarom is [slachtoffer] achter de auto van [verdachte] aangereden tot aan de plaats
delict?
Uit de verklaring van [verdachte] volgt dat [medeverdachte 1] op 19 mei 2022 aan [slachtoffer] heeft gevraagd om achter [verdachte] aan te rijden, omdat [verdachte] zijn auto naar de garage zou moeten brengen. Het is opvallend dat [slachtoffer] helemaal achter [verdachte] is aangereden om uiteindelijk op een afgelegen donker bospad terecht te komen, waar in de verste verte geen garage te bekennen was. In het door het Openbaar Ministerie geschetste scenario laat zich dat verklaren doordat tijdens een korte stop ter hoogte van de zogenoemde schaatsbaan één van de verdachten, [verdachte] of [medeverdachte 2] , naast [slachtoffer] zou zijn gaan zitten. Deze persoon zou hem mogelijk hebben bedreigd en mishandeld waardoor [slachtoffer] gedwongen zou zijn verder [adres 2] in te rijden. In dit scenario zou ook het letsel aan de hals van
[slachtoffer] verklaard kunnen worden. Dit scenario valt naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten, maar is voor de rechtbank te speculatief om dit bij haar bewijsredenering te betrekken. Het is de vraag of de stop ter hoogte van de schaatsbaan voor een dergelijke mishandeling voldoende tijd bood en er zijn op de kleren van [slachtoffer] , op de bijrijdersstoel en elders in de auto geen sporen aangetroffen die duiden op dit scenario. Bovendien is onzeker hoe en wanneer het letsel aan de hals van [slachtoffer] is ontstaan. Verder gaat de rechtbank, anders dan het Openbaar Ministerie, ervan uit dat de auto van [verdachte] op 19 mei 2022 op het zandpad direct nabij de plaats delict heeft stil gestaan. Dit volgt uit de verklaring van [verdachte] - en overigens ook [medeverdachte 2] - en past volledig bij de bandenwissel die [verdachte] in samenspraak met [medeverdachte 1] enkele dagen na het neerschieten van [slachtoffer] heeft laten uitvoeren en de zorgen van [medeverdachte 1] dat de schoenen van [verdachte] sporen zouden hebben kunnen achterlaten op de plaats delict. Dat de vissers in de nabijheid van de plaats delict slechts één auto hebben zien rijden, doet daaraan niet noodzakelijkerwijs af. Hun waarneming was op dat moment niet primair gefocust op de weg/het bospad aan de overkant van het water en het is onduidelijk hoe dicht de auto’s achter elkaar aanreden, of zij beide verlichting voerden en gedurende welke tijd zij zichtbaar moeten zijn geweest. De vraag wat voor [slachtoffer] uiteindelijk de precieze reden is geweest om de auto van [verdachte] zelfs tot op het bospad te volgen laat zich naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid beantwoorden. Desalniettemin is wel duidelijk dat [verdachte] , die dat ook heeft erkend, [slachtoffer] samen met [medeverdachte 2] bewust naar deze afgelegen plek heeft gelokt.
III.2 Is er sprake van moord? Was er een plan [slachtoffer] om te brengen?
Het is vaste jurisprudentie dat voor de voorbedachte raad die vereist is voor een moord voldoende is dat vast is komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het gaat hierbij om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval.
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van moord is in dit geval cruciaal of er sprake was van een vooraf bedacht plan om [slachtoffer] om te brengen. Daar zijn in het dossier zeker aanwijzingen voor, zoals de door [medeverdachte 1] op 30 april 2022 op zijn telefoon gezochte informatie over middelen en manieren om snel en pijnloos dood te gaan. Deze zoekopdrachten zijn niet alledaags en vragen tegen de achtergrond van het dossier om een verklaring. Die verklaring kan niet worden gevonden in de privé-situatie van familie of vrienden van [medeverdachte 1] die ernstig ziek zouden zijn. Weliswaar ging het niet goed met de dementerende stiefoma van zijn partner [naam partner medeverdachte] , maar uit de verklaring van [naam] (de stiefvader van [naam partner medeverdachte] ) volgt dat er geen contact was tussen de stiefoma en de stiefkinderen. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] geen geloofwaardige verklaring heeft gegeven voor deze zoekopdrachten. In deze omstandigheid is het aannemelijk dat deze zoeksopdrachten betrekking hadden op [slachtoffer] . Dat [medeverdachte 1] er op uit zou zijn [slachtoffer] van het leven te beroven zou ook kunnen worden afgeleid uit de verklaring van de ouders van [betrokkene 2] . In hun verklaringen als getuigen ten overstaan van de politie hebben zij duidelijk aangegeven dat hun zoon [betrokkene 2] tegen hen heeft verteld dat hij is benaderd door
[medeverdachte 1] met de vraag of hij ‘ [slachtoffer] wil neerleggen’. Daartegenover staat echter dat [betrokkene 2] meermaals tegenover de politie heeft ontkend dat hem dit gevraagd is. Wat er ook zij van deze tegengestelde verklaringen van [betrokkene 2] en zijn familie, uit de genoemde zoekopdrachten komt onmiskenbaar naar voren dat [medeverdachte 1] heeft nagedacht over een manier om
[slachtoffer] van het leven te beroven. Uit het dossier komt echter onvoldoende naar voren wat dan het concrete plan zou zijn geweest waarmee [slachtoffer] om het leven zou moeten worden gebracht. De schandalige wijze waarop [verdachte] en met name [medeverdachte 1] na het overlijden van [slachtoffer] hebben geprobeerd zijn
tiny housete gelde te maken en de nabestaanden op te lichten, zou weliswaar onderdeel kunnen zijn geweest van een dergelijk plan, maar kan evenzeer een oplichtingspoging zijn (het door [verdachte] genoemde plan B) die pas vorm heeft gekregen nadat [slachtoffer] was overleden. Al met al kan de rechtbank niet zonder redelijke twijfel vaststellen dat er sprake was van voorbedachte raad als bedoeld in
artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht en zal verdachte worden vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde feit.
III.3 Is [slachtoffer] opzettelijk doodgeschoten?
Voor een veroordeling voor doodslag is vereist dat een dader het slachtoffer opzettelijk, dat wil zeggen willens en wetens, doelgericht, om het leven heeft gebracht. De ondergrens van het opzettelijk handelen is het zogenaamde voorwaardelijk opzet. Daarvan is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad sprake wanneer een verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen het gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
[medeverdachte 1] had omvangrijke schulden en zat voortdurend krap bij kas. Hij wist dat
[slachtoffer] door de verkoop van zijn huis over veel geld beschikte en hij gebruikte
[slachtoffer] feitelijk als geldschieter/financiële melkkoe. Zoals hierboven beschreven volgt uit de zoekopdrachten van [medeverdachte 1] op 30 april 2022 dat hij nadacht over een manier om
[slachtoffer] van het leven te beroven. In dat licht bezien en gelet op de aanstaande verhuizing van het
tiny housevan [slachtoffer] naar Sprang Capelle is het aannemelijk dat [medeverdachte 1] , zoals [verdachte] heeft verklaard, op 19 mei 2022 aan [verdachte] de opdracht heeft gegeven om die dag pinpasjes en geld van [slachtoffer] afhandig te (laten) maken. Dit moest gaan met een zodanige druk dat [slachtoffer] ‘niet meer de ballen zou hebben om nog contact op te nemen met de politie’. Een dergelijk afschrikwekkend effect kan naar het oordeel van de rechtbank slechts bereikt worden door het toepassen van zeer extreem geweld. Voor [medeverdachte 1] was het volstrekt onverschillig wat er met de gezondheid [slachtoffer] zou gebeuren. De zoekopdrachten op internet naar een manier om [slachtoffer] dood te maken, passen ook in dat beeld. De zoekopdrachten naar 112 meldingen in de nacht van 19 op 20 mei 2022 tussen 0:00 tot en met 0:13 uur, niet lang nadat [verdachte] en [medeverdachte 2] [slachtoffer] naar [adres 2] hadden begeleid, bevestigen dat [medeverdachte 1] rekening hield met een ernstige afloop van zijn afpersingsopdracht. Daarnaast gold voor [medeverdachte 1] dat de ontdekking van de betrokkenheid van [verdachte] onherroepelijk ook zou wijzen op de betrokkenheid van [medeverdachte 1] zelf. In die situatie was er naar het oordeel van de rechtbank niet alleen sprake van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou komen te overlijden, maar heeft [medeverdachte 1] die kans ook aanvaard. Dat de precieze details van de beroving/afpersing niet vooraf met [medeverdachte 1] zijn besproken kan daar niet aan afdoen.
[verdachte] is volledig meegegaan met het door [medeverdachte 1] geopperde plan. Hij heeft gezocht naar handlangers en heeft er één gevonden in de persoon van [medeverdachte 2] , die weer andere mensen voor de klus zou moeten regelen. Met [medeverdachte 2] heeft hij op 17 mei 2022 een voorverkenning verricht op de camping waar [slachtoffer] woonde. [verdachte] kwam niet bij toeval uit bij [medeverdachte 2] . Zoals hiervoor al genoemd en toegelicht wist hij van de door [medeverdachte 2] verrichte ‘boevendingen’. Toen [verdachte] op 19 mei 2022 [medeverdachte 2] oppikte in Waalwijk was het voor [verdachte] in ieder geval glashelder dat [medeverdachte 2] geen andere mensen had geregeld. In die situatie is [verdachte] , na het uitzetten ( [medeverdachte 2] ) respectievelijk op vliegtuigstand zetten ( [verdachte] ) van de telefoons, bewust doorgereden naar de afgelegen [adres 2] om de afpersing/beroving uit te voeren. Het toe te passen geweld zou er toe moeten leiden dat [slachtoffer] absoluut niet zou durven om daarna met de politie te praten. Gelet daarop en gelet op het feit dat
[slachtoffer] achter [verdachte] is aangereden en zij elkaar goed kenden, en dus iedere verklaring van [slachtoffer] tegenover de politie onvermijdelijk zou hebben geleid tot de vaststelling dat [verdachte] betrokken was bij de afpersing/beroving, kan het niet anders dan dat het de bedoeling is geweest extreem zwaar geweld toe te passen. [verdachte] heeft ter zitting ook verklaard dat hij geen kaders heeft gesteld aan het geweld dat [medeverdachte 2] zou gaan toepassen om voor elkaar te krijgen dat [slachtoffer] zijn pinpasjes met pincodes zou afgeven en daarna niet zou durven de politie daarvan op de hoogte te stellen. [verdachte] moet zich er dus bewust van zijn geweest dat extreem geweld zou worden toegepast en heeft dat ook geaccepteerd toen hij besloot alleen met [medeverdachte 2] door te rijden naar de plaats delict. Voor [medeverdachte 2] geldt daarbij dat hij met de wetenschap dat [slachtoffer] achter [verdachte] aanreed met een vuurwapen in de auto is gestapt om een bijdrage aan de afpersing/beroving te leveren, terwijl hij op enig moment dat vuurwapen heeft doorgeladen. Van enige door [medeverdachte 1] gestelde kaders die het geweld zouden moeten beperken was evenmin sprake.
Gelet op het voorstaande, de kwaadaardige bedoeling van verdachten, de door hen beoogde extreme gevaarzetting voor het slachtoffer en de door henzelf gecreëerde omstandigheden waarin de afpersing/beroving heeft plaatsgevonden, was er naar het oordeel van de rechtbank (ten minste) sprake van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] door hun handelen zou komen te overlijden en hebben zij die kans ook bewust aanvaard.
III.4 Is er sprake van medeplegen?
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen, waarbij de bewezenverklaarde
- intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 2] op instigatie van [medeverdachte 1] vanaf 1 mei 2022 afspraken hebben gemaakt om [slachtoffer] pasjes, pincodes en geld afhandig te maken. In dat kader hebben zij met medeweten van [medeverdachte 1] op 17 mei 2022 de camping in [geboorteplaats] bezocht en foto’s gemaakt, die daarna door [verdachte] aan [medeverdachte 1] zijn getoond. Op 19 mei 2022 hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] op aandringen van [medeverdachte 1] het voorgenomen afpersingsplan willen voltooien. Door direct toedoen van [medeverdachte 1] , die heeft gezorgd dat [slachtoffer] achter [verdachte] aanreed, hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] uiteindelijk [slachtoffer] naar de plaats delict kunnen lokken waar [slachtoffer] is neergeschoten. Daarbij was er ook na het delict nog sprake van samenwerking om ontdekking te verhullen, zoals het wegmaken van sporen door [verdachte] en [medeverdachte 1] en het door [verdachte] en [medeverdachte 1] willen betalen van € 10.000,- aan [medeverdachte 2] , die daar ook nadrukkelijk om is blijven vragen. Aldus was er tussen alle drie de verdachten sprake van een nauwe en bewuste samenwerking waarbij ieder een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het voltooide delict.
Conclusie.
De rechtbank concludeert dat verdachten zich gezamenlijk hebben schuldig hebben gemaakt aan de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag.

De bewezenverklaring.

Op grond van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bij dit vonnis gevoegde bijlage
- bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
impliciet subsidiair
op 19 mei 2022 te Helvoirt, gemeente Vught, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] , geboren op [1953] , opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel op die [slachtoffer] af te vuren ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De oplegging van een straf.

De eis van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft voor het feit dat het bewezen acht (het medeplegen van moord) gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van
24 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft aangevoerd dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van moord komen in plaats van de bepleitte doodslag, in de jurisprudentie voor een enkelvoudige moord een gevangenisstraf van 18 jaar uitgangspunt is. De officieren van justitie hebben volgens de verdediging zonder enige onderbouwing een veel hogere strafeis dan gangbaar is neergelegd. De verdediging heeft gewezen op een tweetal recente uitspraken van deze rechtbank [1] , waarbij aan verdachten een gevangenisstraf van 18 jaar werd opgelegd wegens het medeplegen van moord, en verzocht om bij die uitspraken aansluiting te zoeken ingeval de rechtbank tot een bewezenverklaring van het medeplegen van moord zou komen. Daar komt bij dat de redelijke termijn van berechting is geschonden waardoor ter compensatie een strafkorting toegepast moet worden.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De aard en ernst van het bewezenverklaarde feit.
De verdachte en zijn medeverdachten hebben [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd. Dit feit is voortgekomen uit het plan van [medeverdachte 1] om het slachtoffer, een bevriende klant waarvan hij wist dat hij beschikte over een aanzienlijk vermogen, af te persen/te beroven en op die manier snel veel geld te verdienen. Om dit plan te kunnen verwezenlijken heeft [medeverdachte 1] verdachte erbij betrokken. Verdachte heeft dit plan omarmd en heeft op zijn beurt [medeverdachte 2] benaderd. Met hem heeft hij een voorverkenning gedaan bij de camping waar het slachtoffer verbleef en hem enkele dagen later in de late avond naar een afgelegen bosgebied gelokt met het plan om hem daar van zijn geld, bankpasjes, pincodes en huissleutels te beroven. Daar is door [medeverdachte 2] met een vuurwapen geschoten en is het slachtoffer in zijn hoofd geraakt en als gevolg daarvan enkele dagen later overleden.
De verdachte en zijn medeverdachten hebben met hun gedragingen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op het meest fundamentele recht van het slachtoffer, namelijk zijn recht op leven. Zij hebben hem van het leven beroofd enkel en alleen voor hun eigen geldelijk gewin.
Door hun handelen hebben verdachte en zijn medeverdachten intens en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Door de broer van het slachtoffer is ter zitting op een invoelbare wijze onder woorden gebracht dat het overlijden van het slachtoffer diepe impact op de nabestaanden heeft gemaakt, dat zij het zeer moeilijk hebben met het grote verlies van het slachtoffer, dat hun leven door het overlijden van het slachtoffer ingrijpend is veranderd en dat zij zijn gemis nog dagelijks voelen.
De verdachte en zijn medeverdachten hebben met hun gedragingen ook bijgedragen aan het veroorzaken van sterke gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de maatschappij. Feiten zoals dit ernstig strafbare feit dit hebben immers een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter.

De persoon van de verdachte.
De rechtbank weegt voor de strafmaat mee dat verdachte als uitvoerder betrokken is geweest bij het plan van zijn zwager [medeverdachte 1] dat uiteindelijk tot de dood van het slachtoffer heeft geleid. Hij heeft de nog jonge [medeverdachte 2] , die toen 19 jaar oud was, betrokken bij het plan en de uitvoering daarvan. Hij heeft samen met hem het slachtoffer naar de plaats des onheils gelokt. Na het fatale incident heeft hij nagelaten om hulpdiensten te waarschuwen, terwijl hij en [medeverdachte 2] wisten dat het slachtoffer op zijn minst ernstig gewond was geraakt. Hij heeft vervolgens een actieve betrokkenheid gehad bij het wegmaken van sporen die mogelijk naar hem te herleiden zouden zijn. Ook heeft hij na het overlijden van het slachtoffer samen met [medeverdachte 1] geprobeerd om de nabestaanden op te lichten door offertes/facturen te (laten) vervalsen en daarmee de indruk te wekken dat [medeverdachte 1] nog geld tegoed had van het slachtoffer voor de bouw van zijn
tiny house, terwijl het slachtoffer in werkelijkheid de kosten daarvoor al lang en breed aan medeverdachte [medeverdachte 1] had betaald. Gedurende het verdere proces heeft verdachte aanvankelijk bewust leugenachtig verklaard en dwaalsporen uitgezet om het onderzoek te bemoeilijken als gevolg waarvan kostbare politiecapaciteit voor niets werd ingezet. Hij is pas kort voor de inhoudelijke zitting gaan verklaren en heeft toen pas zijn verantwoordelijkheid genomen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Het strafblad telt
3 pagina’s en vermeldt geen voor deze zaak relevante feiten. Verder heeft de rechtbank gelet op de rapportages die door een psycholoog en psychiater over de persoon van verdachte zijn opgemaakt. In de kern genomen zien de deskundigen geen stoornissen bij verdachte, adviseren zij om het ten laste gelegde volledig aan verdachte toe te rekenen en zien zij geen meerwaarde in een interventie, in de zin van een zorg- of behandeltraject. De rechtbank ziet in de persoon van verdachte dan ook geen strafverzwarende of -verminderende omstandigheden.

Redelijke termijn.
Een verdachte heeft op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Volgens bestendige jurisprudentie van de
Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Voor een verdachte die zijn berechting in voorlopige hechtenis afwacht, zoals in de onderhavige zaak, is die termijn op zestien maanden gesteld. De Hoge Raad heeft evenwel geoordeeld dat er bijzondere omstandigheden aanwezig kunnen zijn waardoor van deze termijnen afgeweken kan worden. Hierbij valt te denken aan de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
In deze zaak is de redelijke termijn op 6 september 2022 aangevangen, omdat verdachte toen in verzekering werd gesteld en hij daaruit (redelijkerwijs) heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstige voornemen had om tegen hem een strafvervolging in te stellen. Aangezien de rechtbank vandaag pas uitspraak doet, is de behandeling van deze zaak niet afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden na aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Daarmee is de redelijke termijn voor berechting in deze zaak overschreden.
Bij de beantwoording van de vraag of de overschrijding van de redelijke termijn consequenties dient te hebben stelt de rechtbank voorop dat in deze zaak sprake is geweest van een uitzonderlijk omvangrijk en complex politieonderzoek. Voort weegt de rechtbank mee dat verdachten weliswaar te lang onder de druk van strafvervolging hebben moeten leven, maar tussentijds ook een lange periode in vrijheid hebben kunnen doorbrengen, omdat zij geschorst waren, dan wel werd geoordeeld dat er op enig moment (nog) geen sprake was van ernstige bezwaren en de voorlopige hechtenis was opgeheven. Ook is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat alle verdachten, ieder op eigen wijze, een significante bijdrage hebben geleverd aan de duur van het onderzoek door leugenachtig te verklaren, door aan te kondigen dat er verklaard zou gaan worden en dit vervolgens lange tijd achterwege te laten en door het uitzetten van dwaalsporen. Als gevolg hiervan heeft het opsporingsonderzoek tot zelfs enkele weken voor de inhoudelijke behandeling van de zaak voortgeduurd. Aan de andere kant heeft echter ook het gebrek aan zittingscapaciteit aan de zijde van de rechtbank een bijdrage geleverd aan de overschrijding van de redelijke termijn. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om aan de termijnoverschrijding consequenties te verbinden, anders dan de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

De straf.
De rechtbank zal met het oog op vergelding van de inbreuk op de rechtsorde en het leed dat de nabestaanden is aangedaan aan verdachte een straf opleggen. De aard en ernst van de normschending maakt dat een onvoorwaardelijke en langdurige gevangenisstraf de enige passende straf is, waarbij de rechtbank zich realiseert dat geen enkele straf het leed dat de nabestaanden is aangedaan kan wegnemen. Dit werd passend tot uitdrukking gebracht in de al genoemde indrukwekkende slachtofferverklaring van de broer van verdachte toen hij zich met nuance wendde tot verdachten en uitsprak dat zij op enig moment hun leven zullen kunnen voortzetten, maar dat nabestaanden en vrienden [slachtoffer] altijd zullen moeten missen.
De duur van de gevangenisstraf die de rechtbank aan verdachte zal opleggen, zal echter aanzienlijk lager zijn dan de duur die door het Openbaar Ministerie is gevorderd, nu de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van doodslag in plaats van het medeplegen van moord.
Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank ook gekeken naar de straffen die in het land door de rechtbanken en hoven in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van
12 jaar opleggen. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht hierop in mindering zal worden gebracht.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Het beslag.

In het onderhavige opsporingsonderzoek rust er nog beslag op de navolgende voorwerpen die genoemd zijn in de door de officieren van justitie overgelegde beslaglijst van
9 april 2026, te weten:
 een GSM (voorwerpnummer PL2100-OBRAB22004_734758);
 een GSM (voorwerpnummer PL2100-OBRAB22004_734759);
 een computer (voorwerpnummer PL2100-OBRAB22004_734761);
 een gsm (voorwerpnummer PL2100-OBRAB22004_734774) en
 een gsm (voorwerpnummer PL2100-OBRAB22004_836279).
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat de rechtbank deze voorwerpen in beslag zal houden, zodat desgewenst nog nader onderzoek gedaan kan worden bij een eventuele procedure in hoger beroep.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging van verdachte heeft bepleit dat de rechtbank de teruggave zal gelasten van deze voorwerpen.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van voornoemde voorwerpen aan verdachte, omdat naar haar oordeel onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van een verband tussen het bewezenverklaarde feit en voornoemde voorwerpen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het wijzen van dit vonnis rechtens gelden.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het
impliciet primairten laste gelegde
niet bewezenen spreekt verdachte daarvan vrij;
verklaart het
impliciet subsidiairten laste gelegde
bewezenzoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

medeplegen van doodslag

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

 een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 jaar;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave van de navolgende voorwerpen aan de veroordeelde, te weten:

een GSM (voorwerpnummer PL2100-OBRAB22004_734758);
een GSM (voorwerpnummer PL2100-OBRAB22004_734759);
een computer (voorwerpnummer PL2100-OBRAB22004_734761);
een gsm (voorwerpnummer PL2100-OBRAB22004_734774) en
een gsm (voorwerpnummer PL2100-OBRAB22004_836279).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,
mr. M.A. Waals en mr. W. Heijninck, leden,
in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,
en is uitgesproken op 25 juni 2026.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBORB2025:760 en ECLI:NL:RBOBR:2025:758