Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Inleiding.
[slachtoffer] en zijn autosleutels werden ter plaatse niet gevonden en ook daarna zijn zij nergens aangetroffen. [slachtoffer] is niet meer bij kennis gekomen en is uiteindelijk op
26 mei 2022 op 68 jarige leeftijd overleden.
Op de dag dat [slachtoffer] werd aangetroffen, werd onder leiding van het Openbaar Ministerie een grootschalig opsporingsonderzoek onder de naam Dukinfield gestart. In dit onderzoek werden meerdere opsporingsinstrumenten ingezet: er werden onder meer personen stelselmatig geobserveerd, undercover agenten ingezet, kentekengegevens geraadpleegd, besloten plaatsen betreden, vertrouwelijke communicatie opgenomen, telefoongesprekken afgeluisterd en camerabeelden en andere voor het onderzoek relevante gegevens verkregen. Hierbij zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] als verdachten in beeld gekomen. Op 6 september 2022 zijn zij aangehouden en hebben er op meerdere plaatsen doorzoekingen plaatsgevonden. Er zijn toen verschillende voorwerpen in beslag genomen, die nader zijn onderzocht. Ook na de aanhouding en (tijdelijke) vrijlating van de drie verdachten werd het opsporingsonderzoek voortgezet, waarbij opnieuw opsporingsinstrumenten werden ingezet en de verdachten werden geconfronteerd met nieuwe onderzoeksbevindingen, wat soms weer leidde tot nadere onderzoekshandelingen door het opsporingsteam.
De standpunten van de officieren van justitie en de verdediging.
De bewijsbeslissing.
tiny housevoor een bedrag van € 50.000,-. [bedrijf] was een bedrijf van [medeverdachte 1] , hij had het voor het zeggen binnen het bedrijf en verrichtte ook feitelijke bouwwerkzaamheden. De koopsom van het
tiny housewas gebaseerd op het feit dat [slachtoffer] deels zou meehelpen aan de bouw ervan. Hij was in dat kader zeer regelmatig aanwezig in de loods van [medeverdachte 1] in Waspik.
tiny house. Op 7 mei 2022 heeft [slachtoffer] via Whatsapp aan [medeverdachte 1] laten weten geen geldbedrag van € 2.500,- aan hem te willen overmaken. In de maanden daarvoor had [slachtoffer] wel een aantal keren op verzoek van [medeverdachte 1] geld naar hem overgemaakt, omdat [medeverdachte 1] (onder andere) een aantal rekeningen niet kon betalen.
tiny housevan [slachtoffer] zover klaar dat het binnen een aantal dagen vervoerd zou kunnen worden naar de uiteindelijke standplaats in Sprang-Capelle. In de avond van 19 mei is [medeverdachte 2] in zijn Fiat Punto omstreeks 22.10 uur weggereden bij de loods in Waspik. [slachtoffer] reed in zijn eigen auto achter hem aan.
tiny househad gekocht van [medeverdachte 1] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] dit tegen haar vertelde tijdens de open dag van het bedrijf van [medeverdachte 1] op 21 mei 2022. Op dat moment waren er evenwel nog geen enkele details over het incident naar buiten gebracht door de politie en de familie van [slachtoffer] . [medeverdachte 1] moet dit dus van iemand anders hebben gehoord. Het kan niet anders of [medeverdachte 2] heeft hem dat verteld. Dit volgt uit de verklaring van [medeverdachte 2] van 12 maart 2026 en vindt bevestiging in het telefonisch contact tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en het bezoek van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] in de ochtend van
20 mei 2022. Ook de door [medeverdachte 1] op diezelfde ochtend tussen 11.17 en 11.21 uur uitgevoerde zoekslagen op internet (onder meer ‘112 Noord-Brabant/ik bewusteloos ga ik dan dood/112 Helvoirt’) passen volledig in het beeld dat hij toen al meer wist over wat er met [slachtoffer] was gebeurd dan wat langs officiële kanalen naar buiten was gebracht. De verklaring van [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 14 april 2026 dat hij op 20 mei 2022 in de avond van een vriendin van [slachtoffer] hoorde dat [slachtoffer] in het ziekenhuis lag en dat hij de link tussen [medeverdachte 2] en het incident pas een paar dagen later legde, is in tegenspraak met die onderzoeksbevindingen. Het staat buiten kijf dat [medeverdachte 1] een actieve rol had bij het wegmaken van (mogelijke) sporen die zouden kunnen wijzen op de directe betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij het delict. Hij adviseerde niet alleen bij het wisselen van de banden van de auto van [medeverdachte 2] , maar ook tot het wegmaken van de schoenen van [medeverdachte 2] . Hierbij was hij in hoge mate sturend. Hieruit volgt niet alleen dat hij wist dat de auto van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] zelf in de omgeving van of op de plaats delict waren geweest - dat is daderschapskennis -, maar ook dat hij er zelf belang bij had dat die sporen weggemaakt zouden worden. [medeverdachte 1] heeft op 1 mei 2025 als verklaring gegeven dat hij de indruk had gekregen dat [medeverdachte 2] ‘iets’ met de dood van [slachtoffer] had te maken en dat hij hem daarna - omdat het nu eenmaal zijn zwager is - een beetje was gaan helpen. Op vragen van de politie hierover heeft [medeverdachte 1] niet verder inhoudelijk willen reageren, zodat dit verhaal verder geen handen en voeten heeft kunnen krijgen. Bij deze stand van zaken, en omdat de rechtbank het redelijkerwijs onbegrijpelijk acht dat iemand die vanaf het begin stelt onschuldig te zijn en steeds heeft benadrukt dat hij voor zijn bedrijf en ook thuis onmisbaar is pas met dit verhaal op de proppen komt als hij al langere tijd in detentie verblijft, schuift de rechtbank dit verhaal van [medeverdachte 1] als ongeloofwaardig ter zijde. Verder zijn de verklaringen van [medeverdachte 1] over de door [slachtoffer] nog te verrichten betalingen voor de bouw van het
tiny housein strijd met diverse bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek waaruit volgt dat [slachtoffer] op het moment van zijn overlijden al lang aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. De conclusie van de rechtbank is dan ook dat [medeverdachte 1] in zijn verklaringen leugenachtig is en vragen die redelijkerwijs om een antwoord vragen niet beantwoordt. De rechtbank zal zijn verklaringen daarom als ongeloofwaardig/onbetrouwbaar terzijde leggen.
[slachtoffer] , maar dat hij die informatie pas op een later moment met de politie wilde delen. Op 13 oktober 2022 vulde hij zijn verklaring aan met, volgens zijn verklaring ter terechtzitting, een verzonnen verhaal waar hij later op is terug gekomen en dat overigens ook geen enkele bevestiging kon vinden in het daarnaar ingestelde politieonderzoek. Zijn definitieve procespositie leek hij pas te bepalen vier weken voor de inhoudelijke behandeling van deze zaak, bijna vier jaar na de dood van [slachtoffer] , toen hij op 12 maart 2026 op eigen verzoek opnieuw door de politie is gehoord. Hij heeft in die laatste verklaring verteld dat [medeverdachte 1] wist dat er veel geld te halen viel bij [slachtoffer] en aan [medeverdachte 2] heeft gevraagd of hij mensen kende die [slachtoffer] konden afpersen en daarbij zijn geld en pinpassen konden afpakken. Het geld dat hierdoor verkregen zou worden zou ervoor zorgen dat [medeverdachte 1] geen schuldeisers meer in zijn nek zou hebben, dat hij [medeverdachte 2] kon betalen voor zijn werkzaamheden bij de
tiny housesen hij het geld dat hij in de afgelopen jaren van [medeverdachte 2] had geleend aan hem kon terug betalen. Het geld zou in het door [slachtoffer] bewoonde chalet liggen en pinpassen en codes zouden afhandig gemaakt moeten worden om geld van bankrekeningen te halen. Dit moest onder grote druk gebeuren. [slachtoffer] zou zo bang moeten worden gemaakt dat hij ‘niet de ballen zou hebben de politie in te schakelen’. [medeverdachte 2] is meegegaan in dat plan en heeft aan [verdachte] gevraagd twee mannen te regelen om die klus te klaren. Op 19 mei 2022 heeft [medeverdachte 1] gezegd dat het die dag moest gebeuren. Daarop heeft [medeverdachte 2] contact opgenomen met [verdachte] , die geen andere mensen had kunnen regelen. Vervolgens hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] diezelfde avond ter uitvoering van het afpersings- en/of berovingsplan [slachtoffer] naar een afgelegen plaats, [adres 2] in Helvoirt, gelokt. Daar is hij samen met [verdachte] uit de auto gestapt waarna door [verdachte] , die toen een vuurwapen bij zich bleek te hebben en riep dat het een overval was, onverwacht een schot werd gelost waardoor [slachtoffer] is geraakt. Vervolgens hebben zij in totale paniek de plaats delict verlaten. Op 23 maart 2026 heeft [medeverdachte 2] zijn verklaring nog schriftelijk aangevuld en onder meer benadrukt dat hij met zijn acties makkelijk geld wilde verdienen. Het oorspronkelijke plan was volgens [medeverdachte 2] aldus de pinpas(sen) met code(s) van [slachtoffer] afpakken en geld uit zijn chalet op camping [naam camping] stelen. Na de onverwachte dood van [slachtoffer] hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] alsnog geprobeerd aan geld te komen met de financiële afwikkeling van het
tiny housevan [slachtoffer] (door [medeverdachte 2] ter zitting plan B genoemd).
19 mei 2022 toen hij instapte in de auto van [medeverdachte 2] verrast werd door [medeverdachte 2] mededeling dat ze niet naar het chalet van [slachtoffer] zouden rijden, maar naar een afgelegen plek waar hij beroofd/afgeperst zou worden. Er is in de aanloop naar de datum delict meermalen (telefonisch) contact geweest tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] , ook nog toen [medeverdachte 2] vanaf de loods in Waspik onderweg was om [verdachte] in Waalwijk bij het RKC stadion op te halen. [slachtoffer] reed toen al achter [medeverdachte 2] aan. De verklaring van [verdachte] dat tijdens alle fysieke afspraken of telefoongespreken met [medeverdachte 2] in de periode van 1 tot en met 19 mei 2022 in het geheel niet gesproken is over de wijze waarop te werk gegaan zou worden en dat hij alleen maar wist dat hij mee zou gaan om ergens geld te pakken, is niet geloofwaardig. De rechtbank acht het ook niet waarschijnlijk dat [verdachte] tegen zijn zin met [medeverdachte 2] is meegereden naar [adres 2] in Helvoirt en niet is uitgestapt toen hij - zoals hij zegt - wist dat het plan veranderd was van een inbraak in een afpersing en had gezien dat er een vuurwapen in de auto lag. Hij had daar immers zeker de gelegenheid voor bij de stop aan het Run in Waalwijk. Hij zette zelfs zijn telefoon uit om later niet getraceerd te kunnen worden. Evenzeer is het onwaarschijnlijk dat hij op [adres 2] in de auto zou zijn blijven zitten, niet geprobeerd zou hebben [medeverdachte 2] op andere gedachten te brengen toen die op [adres 2] met een vuurwapen naar de auto van [slachtoffer] zou zijn gelopen en, zoals [verdachte] verklaard heeft ter terechtzitting, niet gehoord zou hebben wat er tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 2] zou zijn gezegd en niet heeft gezien wat er gebeurd is.
[slachtoffer] verklaard kunnen worden. Dit scenario valt naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten, maar is voor de rechtbank te speculatief om dit bij haar bewijsredenering te betrekken. Het is de vraag of de stop ter hoogte van de schaatsbaan voor een dergelijke mishandeling voldoende tijd bood en er zijn op de kleren van [slachtoffer] , op de bijrijdersstoel en elders in de auto geen sporen aangetroffen die duiden op dit scenario. Bovendien is onzeker hoe en wanneer het letsel aan de hals van [slachtoffer] is ontstaan. Verder gaat de rechtbank, anders dan het Openbaar Ministerie, ervan uit dat de auto van [medeverdachte 2] op 19 mei 2022 op het zandpad direct nabij de plaats delict heeft stil gestaan. Dit volgt uit de verklaring van [medeverdachte 2] - en overigens ook [verdachte] - en past volledig bij de bandenwissel die [medeverdachte 2] in samenspraak met [medeverdachte 1] enkele dagen na het neerschieten van [slachtoffer] heeft laten uitvoeren en de zorgen van [medeverdachte 1] dat de schoenen van [medeverdachte 2] sporen zouden hebben kunnen achterlaten op de plaats delict. Dat de vissers in de nabijheid van de plaats delict slechts één auto hebben zien rijden, doet daaraan niet noodzakelijkerwijs af. Hun waarneming was op dat moment niet primair gefocust op de weg/het bospad aan de overkant van het water en het is onduidelijk hoe dicht de auto’s achter elkaar aanreden, of zij beide verlichting voerden en gedurende welke tijd zij zichtbaar moeten zijn geweest. De vraag wat voor [slachtoffer] uiteindelijk de precieze reden is geweest om de auto van [medeverdachte 2] zelfs tot op het bospad te volgen laat zich naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid beantwoorden. Desalniettemin is wel duidelijk dat [medeverdachte 2] , die dat ook heeft erkend, [slachtoffer] samen met [verdachte] bewust naar deze afgelegen plek heeft gelokt.
[medeverdachte 1] met de vraag of hij ‘ [slachtoffer] wil neerleggen’. Daartegenover staat echter dat [betrokkene 2] meermaals tegenover de politie heeft ontkend dat hem dit gevraagd is. Wat er ook zij van deze tegengestelde verklaringen van [betrokkene 2] en zijn familie, uit de genoemde zoekopdrachten komt onmiskenbaar naar voren dat [medeverdachte 1] heeft nagedacht over een manier om
[slachtoffer] van het leven te beroven. Uit het dossier komt echter onvoldoende naar voren wat dan het concrete plan zou zijn geweest waarmee [slachtoffer] om het leven zou moeten worden gebracht. De schandalige wijze waarop [medeverdachte 2] en met name [medeverdachte 1] na het overlijden van [slachtoffer] hebben geprobeerd zijn
tiny housete gelde te maken en de nabestaanden op te lichten, zou weliswaar onderdeel kunnen zijn geweest van een dergelijk plan, maar kan evenzeer een oplichtingspoging zijn (het door [medeverdachte 2] genoemde plan B) die pas vorm heeft gekregen nadat [slachtoffer] was overleden. Al met al kan de rechtbank niet zonder redelijke twijfel vaststellen dat er sprake was van voorbedachte raad als bedoeld in
artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht en zal verdachte worden vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde feit.
[slachtoffer] door de verkoop van zijn huis over veel geld beschikte en hij gebruikte
[slachtoffer] feitelijk als geldschieter/financiële melkkoe. Zoals hierboven beschreven volgt uit de zoekopdrachten van [medeverdachte 1] op 30 april 2022 dat hij nadacht over een manier om
[slachtoffer] van het leven te beroven. In dat licht bezien en gelet op de aanstaande verhuizing van het
tiny housevan [slachtoffer] naar Sprang Capelle is het aannemelijk dat [medeverdachte 1] , zoals [medeverdachte 2] heeft verklaard, op 19 mei 2022 aan [medeverdachte 2] de opdracht heeft gegeven om die dag pinpasjes en geld van [slachtoffer] afhandig te (laten) maken. Dit moest gaan met een zodanige druk dat [slachtoffer] ‘niet meer de ballen zou hebben om nog contact op te nemen met de politie’. Een dergelijk afschrikwekkend effect kan naar het oordeel van de rechtbank slechts bereikt worden door het toepassen van zeer extreem geweld. Voor [medeverdachte 1] was het volstrekt onverschillig wat er met de gezondheid [slachtoffer] zou gebeuren. De zoekopdrachten op internet naar een manier om [slachtoffer] dood te maken, passen ook in dat beeld. De zoekopdrachten naar 112 meldingen in de nacht van 19 op 20 mei 2022 tussen 0:00 tot en met 0:13 uur, niet lang nadat [medeverdachte 2] en [verdachte] [slachtoffer] naar [adres 2] hadden begeleid, bevestigen dat [medeverdachte 1] rekening hield met een ernstige afloop van zijn afpersingsopdracht. Daarnaast gold voor [medeverdachte 1] dat de ontdekking van de betrokkenheid van [medeverdachte 2] onherroepelijk ook zou wijzen op de betrokkenheid van [medeverdachte 1] zelf. In die situatie was er naar het oordeel van de rechtbank niet alleen sprake van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou komen te overlijden, maar heeft [medeverdachte 1] die kans ook aanvaard. Dat de precieze details van de beroving/afpersing niet vooraf met [medeverdachte 1] zijn besproken kan daar niet aan afdoen.
[slachtoffer] achter [medeverdachte 2] is aangereden en zij elkaar goed kenden, en dus iedere verklaring van [slachtoffer] tegenover de politie onvermijdelijk zou hebben geleid tot de vaststelling dat [medeverdachte 2] betrokken was bij de afpersing/beroving, kan het niet anders dan dat het de bedoeling is geweest extreem zwaar geweld toe te passen. [medeverdachte 2] heeft ter zitting ook verklaard dat hij geen kaders heeft gesteld aan het geweld dat [verdachte] zou gaan toepassen om voor elkaar te krijgen dat [slachtoffer] zijn pinpasjes met pincodes zou afgeven en daarna niet zou durven de politie daarvan op de hoogte te stellen. [medeverdachte 2] moet zich er dus bewust van zijn geweest dat extreem geweld zou worden toegepast en heeft dat ook geaccepteerd toen hij besloot alleen met [verdachte] door te rijden naar de plaats delict. Voor [verdachte] geldt daarbij dat hij met de wetenschap dat [slachtoffer] achter [medeverdachte 2] aanreed met een vuurwapen in de auto is gestapt om een bijdrage aan de afpersing/beroving te leveren, terwijl hij op enig moment dat vuurwapen heeft doorgeladen. Van enige door [medeverdachte 1] gestelde kaders die het geweld zouden moeten beperken was evenmin sprake.
- intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
De oplegging van een straf.
22 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De aard en ernst van het bewezenverklaarde feit.
De persoon van verdachte.
Adolescentenstrafrecht (ASR).
Redelijke termijn.
Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Voor een verdachte die zijn berechting in voorlopige hechtenis afwacht, zoals in de onderhavige zaak, is die termijn op zestien maanden gesteld. De Hoge Raad heeft evenwel geoordeeld dat er bijzondere omstandigheden aanwezig kunnen zijn waardoor van deze termijnen afgeweken kan worden. Hierbij valt te denken aan de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De straf.
12 jaar opleggen. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht hierop in mindering zal worden gebracht.
Het beslag.
9 april 2026, te weten:
De toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
impliciet primairten laste gelegde
niet bewezenen spreekt verdachte daarvan vrij;
impliciet subsidiairten laste gelegde
bewezenzoals hiervoor is omschreven;
medeplegen van doodslag
legt op de volgende straf:
gevangenisstrafvoor de duur van
12 jaar;
legt op de volgende maatregel:
onttrekking aan het verkeervan de navolgende voorwerpen, te weten:
gelast de teruggave van de navolgende voorwerpen aan de veroordeelde, te weten:
aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt(nabestaanden van het slachtoffer), te weten: