Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4586

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
01/71.086376.23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na productie en verkoop van drugsketels

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 29 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die is veroordeeld voor voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van amfetamine en/of MDMA en eenvoudig witwassen in de periode van maart 2021 tot juni 2024.

De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, berekend op €417.754,-, gebaseerd op artikel 36e Sr. De verdediging voerde onder meer aan dat het voordeel lager moest worden vastgesteld of zelfs nihil, en betwistte de berekening van het ontnemingsrapport.

De rechtbank stelde vast dat de berekening van het ontnemingsrapport, gebaseerd op concrete bewijsmiddelen zoals camerabeelden, gesprekken en bedrijfsadministratie, betrouwbaar is. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd berekend op basis van 36 geproduceerde ketels tegen een gemiddelde verkoopprijs van €16.000 per ketel, plus opbrengsten uit de verkoop van mantels en reparaties, minus de geschatte productiekosten.

Uiteindelijk werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €408.112,-, dat veroordeelde aan de staat moet betalen. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1095 dagen voor het geval volledige betaling uitblijft.

Uitkomst: De veroordeelde wordt verplicht tot betaling van €408.112,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met een maximale gijzeling van 1095 dagen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer ontneming: 01/71.086376.23Parketnummer: [01/71086376.23]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01/71.086376.23
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1965] ,
wonende te [adres]

Procedure

Het onderzoek op de zitting heeft op tegenspraak plaatsgevonden op 15 juni 2026, gelijktijdig met het onderzoek in de strafzaak.

Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 29 juni 2026 (hierna: het vonnis in de strafzaak) is [verdachte] (hierna: veroordeelde) veroordeeld voor het verrichten van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van (met)amfetamine en/of MDMA en eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd in de periode van 17 maart 2021 tot en met 10 juni 2024. Dat vonnis is niet onherroepelijk.

Vordering

De vordering van de officier van justitie strekt tot:
  • het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 417.754,-;
  • het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 417.754,- ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om de vordering af te wijzen vanwege de in de strafzaak bepleitte integrale vrijspraak.
Subsidiair heeft de verdediging verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil te stellen voor alle posten die niet concreet aan een bewezen strafbare en betaalde transactie kunnen worden gekoppeld.
Meer subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht uitsluitend object-voor-object bewezen netto-opbrengsten mee te nemen, de post van € 47.500,- voor mantels wegens dubbeltelling te schrappen, de reparatiepost slechts na een concrete onderbouwing toe te laten en de directe kosten per individuele transactie vast te stellen.
Uiterst subsidiair heeft de raadsman verzocht het voordeel niet hoger vast te stellen dan op
€ 25.000,- netto, dan wel - bij bewezenverklaring van enkel twee complete ketels - circa € 12.000,- netto.
Uiterst subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde een lager bedrag aan vergoedingen heeft ontvangen dan in het ontnemingsrapport is becijferd.
De verdediging heeft daartoe verwezen naar de verklaring van de veroordeelde dat hij hooguit een bedrag van € 50.000,- heeft ontvangen met de productie van twee ketels, enkele mantels en het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden. Op dit bedrag dienen arbeids- en materiaalkosten in mindering te worden gebracht, waardoor veroordeelde hooguit een nettobedrag van € 25.000,- zou hebben verdiend.

Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan. Samengevat is bewezenverklaard dat de veroordeelde drugsketels heeft gemaakt en verkocht en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van de door hem gepleegde strafbare feiten.
In dat kader is op 4 maart 2025 door verbalisant [verbalisant] een rapport berekening wederechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport) opgemaakt.
Met betrekking tot de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de berekening in het ontnemingsrapport gebaseerd is op concrete aanknopingspunten uit camerabeelden, OVC-gesprekken en de aangetroffen bedrijfsadministratie van [bedrijfsnaam 1] , zijnde het bedrijf van veroordeelde.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan die berekening en de daarbij gehanteerde bedragen te twijfelen en neemt deze berekening bij de schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, baseert de rechtbank op de berekening in het ontnemingsrapport. Die berekening is voldoende onderbouwd door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen en door de verdediging niet voldoende concreet weersproken. Daarom zal worden volstaan met het vermelden van de conclusie van het ontnemingsrapport.
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel behelst het aantal ketels (37) die veroordeelde heeft geproduceerd, vermenigvuldigd met de verkoopprijs per ketel. Over het aantal ketels overweegt de rechtbank dat op grond van het proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2024 (p. 3.435-3.448), het proces-verbaal uitslag sporenonderzoek van 24 september 2024 (p. 3.449-3.454), het proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2024 (p. 3.484-3.513), het proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2024 (p. 3.514-3.537) en het proces-verbaal van bevindingen van 10 november 2024 (p. 3.538-3.540) aannemelijk dat de aangetroffen ketels door de veroordeelde zijn gemaakt. Zoals door de rechtbank in het vonnis is overwogen gaat de rechtbank uit van 36 ketels, nu onvoldoende duidelijk is of de ketel die in december 2022 in het bedrijfspand van verdachte is gezien later in het productieproces terecht is gekomen. In het voordeel van verdachte wordt een mogelijke dubbeltelling daarmee voorkomen.
Voor die vergoeding is een gewogen gemiddelde berekend, te weten € 16.000,- per ketel.
Dit gewogen gemiddelde is in overeenstemming met de verklaring van de verdachte bij de politie, namelijk dat een ketel ongeveer € 15.000 kostte, dan wel tussen de € 15.000 en € 17.000. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 576.000,- dat veroordeelde met de productie van 36 ketels zou hebben verdiend.
Van deze 36 ketels waren er 19 voorzien van een verwarmings-/koelmantel. Anders dan door de verdediging is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat bij het vervaardigen van mantels sprake is van dubbeltelling.
Daartoe acht de rechtbank de eigen verklaring van veroordeelde van belang. Immers heeft hij op 5 augustus 2024 (p. 4.916) ten overstaan van de politie hierover de volgende verklaring afgelegd:
“(…)
A: De eerste keer dat zij kwamen was 4 à 5 maanden. Zij vroegen mij om een ketel te maken. Ik noem dit een tank. Ik heb die toen gemaakt. Deze chauffeur heeft de ketel opgehaald. En daarna, ongeveer een maand later, kwamen zij samen weer terug. Zij vroegen om er een mantel omheen te maken. De chauffeur heeft hij deze ketel weer teruggebracht om er een mantel omheen te maken.
V: Wie heeft dat betaald?
A: 4000 euro voor de mantel. De ketel was tussen de 15000 en 17000 euro. Deze was contant betaald door degene die ophaalde.
(…)”
In het voordeel van veroordeelde is de opbrengst in het ontnemingsrapport vastgesteld op een bedrag van € 2.500,- per mantel. Veroordeelde heeft met de verkoop van mantels aldus in totaal € 47.500,- verdiend.
Uit de verklaringen van veroordeelde en de opgenomen OVC-gesprekken kan worden afgeleid dat hij voor reparaties aan roermechanismen in totaal € 13.500,- heeft ontvangen.
Het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel is daarmee berekend op
€ 637.000,-.
Bij de bepaling van de hoogte van het voordeel kunnen kosten in mindering worden gebracht die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de strafbare feiten waarop het voordeel is gebaseerd en die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen.
Er is bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel een schatting gemaakt van de gemaakte kosten voor het maken van ketels door veroordeelde. Uit praktisch oogpunt is het onmogelijk om een precieze berekening te maken van de kosten voor de productie per afzonderlijke ketel, nu deze ketels op bestelling worden gemaakt op vraag en specificaties van de klanten. Dit geldt eveneens voor de in het ontnemingsrapport geschatte reparatiekosten. Het verweer van de raadsman op dat punt wordt daarom verworpen.
Op basis van de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat veroordeelde vanuit zijn bedrijf [bedrijfsnaam 1] te Rotterdam bij diverse bedrijven materialen bestelde, welke door veroordeelde gebruikt zijn bij de productie van de ketels.
Voor de berekening van de kostprijs van deze gebruikte materialen zijn de gemiddelde prijzen aangehouden.
In de administratie van [bedrijfsnaam 1] zijn inkoopfacturen (gedurende de pleegperiode) van onderdelen aangetroffen. Hierin zaten onder andere facturen (prijzen berekend exclusief btw gezien hij deze bedrijfsmatig heeft aangeschaft) of andere administratieve gegevens van:
- Kijkvenster: Aangekocht bij [bedrijfsnaam 2] Prijs € 75,- per stuk;
-Rvs onderdelen: Aangekocht bij [bedrijfsnaam 3] Prijs € 2.450,- voor een gewalste plaat (mantel), twee bijbehorende grote platte schijven (boven- en onderkant van een ketel, incl. gaten voor koppelingen en flenzen), twee flenzen (ronde schijf met gaten voor bouten voor bevestiging roerwerk), en een losse mantel (voor verwarmingsmantel). Prijs voor walsen is € 75,-. Totaalprijs € 2.525,-, contant en zonder factuur;
- Flens: Aangekocht bij [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] . Prijzen tussen € 83,- en € 278,- per stuk (gemiddeld € 181,-);
- Verwarmingselement
:Aangekocht bij [bedrijfsnaam 5] . Prijs € 354,- per stuk;
- Roermotor: Aangekocht bij [bedrijfsnaam 6] en [bedrijfsnaam 7] . Prijzen tussen € 198,- en € 474,- (gemiddeld € 336,- per stuk);
- Frequentieregelaar: Aangekocht bij [bedrijfsnaam 6] en [bedrijfsnaam 8] Prijzen tussen € 134,- en € 345,- (gemiddeld € 240,- per stuk);
- Temperatuurmeter: Aangekocht bij [bedrijfsnaam 9] en [bedrijfsnaam 10] . Prijzen tussen € 21,- en € 42,- (gemiddeld € 32,-);
- Manometer/barmeter
:Aangekocht bij [bedrijfsnaam 9] en [bedrijfsnaam 10] . Prijzen tussen € 58,- en € 87,- (gemiddeld € 73,-);
-Kogelkraan/afsluiter: Aangekocht bij [bedrijfsnaam 11] en [bedrijfsnaam 12] . Prijzen tussen € 3,- en € 40,- (gemiddeld € 22,-);
- Zwenkwielen: Aangekocht bij [bedrijfsnaam 13] . Prijzen per stuk tussen € 7,- en € 20,- (gemiddeld € 14,-).
Las- en snijkosten (uurloon) en overig materiaal (lasmateriaal, diverse kleine rvs materialen, bouten en moeren, lasnippels, rvs verloopringen, rvs bochten, rvs koppelingen/koppelstukken, slangpilaren, terugslagklep, vulopening met afsluiter, kraan- en wateraansluitingen, roerwerk aan roermotor, Viton pakkingen, broodplankje voor bevestigen frequentieregelaar et cetera) zijn bij de kostenberekening in het ontnemingsrapport ruim geschat op een bedrag van € 1.500,-.
Om een beeld te geven van de vermoedelijke productiekosten is uitgegaan van een drukreactieketel met mantel welke het duurste is om te produceren.
Drukreactieketel met verwarmingsmantel:
- Gewalste rvs mantel, passende boven- en onderkant, twee flensen en een losse gewalste mantel (verwarmingsmantel) € 2.525,-
- Roermotor € 336,-
- Frequentieregelaar € 240,-
- Verwarmingselement (3x) € 1.063,-
- Flens voor vulopening (2x) € 362,-
- Manometer/barmeter € 73,-
- Temperatuurmeter € 32,-
- Afsluiters (5x) € 110,-
- Zwenkwielen (3x) € 42,-
- Kijkglas/kijkvenster € 75,-
- Laskosten en overig materiaal (schatting) € 1.500,-

Totaal € 6.358,=

Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op:
Opbrengst € 637.000,-
-/- kosten: 36 x 6.358,-(= totaal € 228.888)
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 408.112,-.
Dit voordeel dient veroordeelde te worden ontnomen. Aan hem zal daarom de verplichting worden opgelegd om een bedrag van € 408.112,- aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank ziet geen reden om bij de kosten separaat rekening te houden met de kosten van de 19 mantels, omdat bij de schatting van de kosten van rvs-onderdelen in de berekening van de 37 ketels reeds rekening is gehouden met de kosten van een mantel.

Maximale duur gijzeling

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 408.112,-.
De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e, elfde lid, Sr . Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen, die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 100,00.
Gelet op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van € 408.112,-, zal de rechtbank de duur van de gijzeling vaststellen op 1095 dagen, nu dat het maximum vast te stellen aantal dagen gijzeling betreft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 408.112,- (vierhonderdenachtduizendhonderdtwaalf euro).
Legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 408.112,- (voluit: vierhonderdenachtduizendhonderdtwaalf euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
1095 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,
mr. F. Kooijman en mr. M.W.M. Bankers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 29 juni 2026.