ECLI:NL:RBOBR:2026:4607

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
25/2436
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 11 lid 1 aanhef en onder o Wet op de loonbelasting 1964Art. 2 Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomenArt. 2a Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomenArt. 16 Wet op de loonbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering voorschot WAO-uitkering wegens niet-uitzonderlijke financiële verstrekking werkgever

Eiser ontving in juni 2025 een voorschot op zijn WAO-uitkering terwijl hij naast zijn uitkering ook loon ontving van zijn werkgever, inclusief een eenmalige financiële gift van €1.900. Het UWV berekende dat het voorschot te hoog was omdat het totale SV-loon leidde tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%, waardoor de uitkering op nul werd gesteld.

Eiser betwistte de terugvordering en stelde dat de gift een 'cadeau' was vanwege zijn lange dienstjaren en niet verrekend mocht worden. De werkgever verklaarde echter dat de gift niet verband hield met een jubileum en daarom niet onder de fiscale uitzonderingen viel. Het UWV baseerde zich op loongegevens van de Belastingdienst, die eiser niet betwistte.

De rechtbank concludeerde dat de gift terecht als loon is aangemerkt en verrekend met de WAO-uitkering. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van het UWV wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2436

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: E.A.M. Vervoort).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de terugvordering van een aan eiser verstrekt voorschot op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissing over die terugvordering in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 7 juli 2025 heeft het UWV vastgesteld dat eiser € 782,51 bruto te veel aan voorschot op de WAO-uitkering heeft ontvangen en dat hij dit moet terugbetalen aan het UWV.
2.1.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 17 september 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn partner, en de gemachtigde van het UWV.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen een vraag van de rechtbank voor te leggen aan zijn voormalig werkgever. Eiser heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt en de schriftelijke reactie van zijn voormalig werkgever (een brief van 23 maart 2026) in het geding gebracht. Het UWV is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Van die gelegenheid heeft het UWV gebruikgemaakt.
2.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij het niet nodig vindt om in deze zaak een nadere zitting te houden en partijen de gelegenheid gegeven om het binnen vier weken te laten weten als zij wel op een nadere zitting willen worden gehoord. Geen van de partijen heeft binnen die termijn verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De relevante feiten
3. Eiser bereikte op 26 juni 2025 de AOW [1] -gerechtigde leeftijd. Eiser had tot die datum recht op een WAO-uitkering. Deze uitkering werd in de vorm van een voorschot verstrekt, waarbij achteraf de inkomsten werden verrekend met zijn uitkering [2] . Eiser had namelijk naast zijn WAO-uitkering inkomen uit arbeid. Hij werkte voor [naam] Ook dat dienstverband eindigde op 26 juni 2025 wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.
4. Eiser heeft voor de periode 1 juni 2025 tot en met 25 juni 2025 een voorschot ontvangen op zijn WAO-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het ging om een voorschot van € 724,54 bruto (exclusief vakantiegeld).
Eiser heeft in de maand juni 2025 in totaal € 4.541,10 bruto van zijn werkgever ontvangen, waaronder naast zijn gebruikelijke salaris een (eenmalig) bedrag van € 1.900 genaamd ‘uitkering Vut/Pensioen N/Br.eenm’.
5. Het UWV heeft op basis van de inkomensgegevens van de Belastingdienst een definitieve berekening van eisers WAO-uitkering uitgevoerd over juni 2025. Daarbij is berekend of het in juni 2025 verstrekte voorschot in overeenstemming was met het bedrag aan WAO-uitkering waar eiser in die maand recht op had. Dat heeft geleid tot de besluitvorming zoals weergegeven onder ‘Procesverloop’.
De standpunten van partijen
6. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het voorschot op de WAO-uitkering dat eiser in juni 2025 heeft ontvangen (€ 782,51 incl. vakantiegeld) hoger is dan de uitkering waar eiser in die maand recht op had (€ 0,00). Dat bedrag moet eiser daarom terugbetalen. Het UWV heeft dit berekend door in de maand juni 2025 een bedrag van € 4.541,10 aan SV-loon in aanmerking te nemen. Het loonverlies (en arbeidsongeschiktheidspercentage) wordt berekend door de volgende som: (maatmanloon - SV-loon)/ maatmanloon x 100%. Het maatmanloon van eiser bedraagt € 4.629,80. Voormelde som leidt dan tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%, zodat het uitkeringspercentage 0% bedraagt. De aan eiser in juni 2025 betaalde gift van
€ 1.900, die onderdeel uitmaakt van het voormelde bedrag van € 4.541,10, is volgens het UWV door de werkgever (terecht) aangemerkt als SV-loon, zodat het moet worden verrekend met eisers WAO-uitkering. Dat dit is aangemerkt als SV-loon blijkt volgens het UWV uit de polisadministratie en eisers loonstrook. Volgens het UWV is deze gift, anders dan bijvoorbeeld extra salaris bij een 25-jarig of 40-jarig jubileum, niet uitgezonderd van het loonbegrip. Om die reden is het als loon in aanmerking genomen en verrekend met de uitkering.
7. Eiser is het niet eens met de terugvordering. Hij voert aan dat hij, vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, in juni 2025 een financiële gift heeft ontvangen van zijn werkgever ter hoogte van € 1.900 (€ 50 netto per gewerkt jaar voor de door eiser gewerkte 38 dienstjaren). Eiser vindt het onterecht dat dit bedrag wordt verrekend met de WAO-uitkering. Dit is volgens eiser een ‘cadeau’ van zijn werkgever, wat ook zou blijken uit de personeelsgids van zijn werkgever. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser (in bezwaar) zijn loonstrook over de maand juni 2025 overgelegd. Als dit ‘cadeau’ was verstrekt na 1 juli 2025, dan was er volgens eiser niets aan de hand geweest en zou het UWV niets hebben verrekend. Eiser heeft het ontstane probleem aangekaart bij de werkgever en die zal de betreffende ‘cadeaus’ in het vervolg een maand later uitkeren.
Eiser stelt dat het UWV het cadeau bij het 25-jarig jubileum wel akkoord vond. Verder voert eiser aan dat hem onduidelijk is waarom hij nu € 643,01 netto moet terugbetalen, terwijl hij in juni 2025 € 595,30 netto van het UWV heeft ontvangen.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
8. De wet- en regelgeving die voor de beoordeling van het beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
9. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd.
10. Om te kunnen bepalen of het UWV dit bedrag terecht van eiser heeft teruggevorderd is van belang of het UWV voor de maand juni 2025 het juiste bedrag aan inkomsten uit arbeid in aanmerking heeft genomen voor het berekenen van de arbeidsongeschiktheidsklasse op basis waarvan de WAO-uitkering van eiser over deze maand moet worden uitbetaald.
11. Tussen partijen staat alleen ter discussie of het UWV de aan eiser gedane financiële verstrekking van € 1.900 terecht heeft betrokken in de verrekening met de WAO-uitkering, zoals bepaald in artikel 44 van Pro de WAO. Op grond van deze bepaling moet het UWV een fictieve schatting te maken van de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde, indien hij inkomen uit arbeid ontvangt.
12. Om te bepalen wat onder inkomen en loon als bedoeld in artikel 44 van Pro de WAO wordt verstaan, wordt teruggevallen op het loonbegrip zoals dat in de fiscale wet- en regelgeving wordt omschreven. Dat is het zogeheten SV-loon. Dit is ook bepaald in de artikelen 2 en 2a van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen. De strekking van die bepalingen is hetzelfde, namelijk dat, voor zover hier van belang, als loon en inkomen heeft te gelden het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten.
13. Uit artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964 volgt dat niet tot loon behoort een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft.
14. In de brief van 23 maart 2026 van de werkgever die eiser in het geding heeft gebracht, heeft de werkgever verklaard dat het verstrekte bedrag van € 1.900 geen verband houdt met het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar of na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar. Hieruit volgt dat het bedrag niet valt onder de wettelijke uitzondering zoals genoemd in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964. Er is dus geen sprake van een financiële verstrekking die buiten het (fiscale) loonbegrip valt. Dat het, zoals eiser stelt, door de werkgever een ‘cadeau’ wordt genoemd laat onverlet dat het wel een (gebruteerde) financiële verstrekking is waarvan de werkgever loonaangifte heeft gedaan. In zoverre is dus sprake van loon dat het UWV moet verrekenen met de WAO-uitkering.
15. Eisers voormalig werkgever heeft het verstrekte bedrag van € 1.900 als SV-loon in de loonaangifte opgenomen in het aangiftetijdvak van juni 2025. Die informatie van de Belastingdienst komt terecht in de polisadministratie die het UWV gebruikt bij het vaststellen van het inkomen uit arbeid dat een uitkeringsgerechtigde ontvangt. Het UWV mag uitgaan van deze gegevens, tenzij wordt aangetoond dat die gegevens onjuist zijn. Eiser heeft de juistheid van deze gegevens van de Belastingdienst niet betwist. In artikel 44, tweede lid, van de WAO is uitdrukkelijk bepaald dat het loon wordt geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan. Dus in dit geval is dat juni 2025. Het UWV kan dus, voor zover eiser dat bedoelt aan te voeren, dat loon niet toerekenen aan een later dan wel ander tijdvak dan juni 2025.
16. Het UWV heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar rechtspraak, verder uitgelegd dat hier sprake is van loon uit tegenwoordige arbeid en niet uit een vroegere dienstbetrekking, zodat de aan eiser gedane extra financiële verstrekking ook in die zin geen uitgezonderd loon vormt dat buiten beschouwing moet worden gelaten bij de schatting. Eiser heeft die uitleg niet betwist. Die uitleg van het UWV is ook in lijn met de rechtspraak van de hoogste rechter in Nederland in sociale zekerheidszaken, de Centrale Raad van Beroep. [3]
17. Gelet op het voorgaande heeft het UWV de financiële verstrekking van € 1.900 terecht als loon verrekend met de WAO-uitkering.
18. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de eenmalige uitkering van € 1.900 in juni 2025 de overschrijding van de inkomensgrens in die maand veroorzaakt, waardoor eiser in die maand terugvalt van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% naar de lagere klasse van 0 tot 15%. Dat heeft tot gevolg dat zijn uitkeringspercentage in die maand wijzigt van 28% naar 0% van de grondslag. Hierdoor heeft eiser over die maand een te hoog voorschot aan WAO-uitkering ontvangen. Cijfermatig betekent dit volgens het UWV dat eiser in de maand juni 2025 € 782,51 te veel (voorschot) WAO-uitkering (inclusief vakantiegeld) heeft ontvangen. Dat is het (bruto)bedrag dat van eiser is teruggevorderd.
19. Over de hoogte van dat teruggevorderde bedrag, waarvan eiser vindt dat het onduidelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. In het betreden besluit en in het verweerschrift is hierover uitgelegd dat bij het in juni 2025 verstrekte bruto bedrag van € 724,54 een bedrag aan gereserveerde vakantietoeslag van bruto € 57,97 moet worden opgeteld, waarmee het totaal terug te vorderen bedrag uitkomt op € 782,51. Eiser heeft die uitleg verder niet betwist. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de hoogte van het teruggevorderde bedrag te twijfelen.
20. Er zijn geen dringende redenen gesteld of gebleken op grond waarvan het UWV had moeten besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
21. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

Artikel 44
1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:
a. niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of
b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.
Na afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid.
2 Indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in dienstbetrekking arbeid als bedoeld in het eerste lid verricht of heeft verricht, wordt het loon geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.
(…)
8 Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder inkomen en loon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.
Artikel 57
1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
2 De uitkering die onverschuldigd aan de werkgever is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de werkgever teruggevorderd, indien de werkgever de uitkering op grond van artikel 629, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in mindering heeft kunnen brengen op het loon.
(…)
6 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
7 Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
8 In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.

Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen

Artikel 2
1. Onder loon als bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, van de WAO en 58, tweede lid, van de Waz wordt verstaan het loon in de zin van artikel 16 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer in de zin van die wet, met uitzondering van:
a. het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;
b. loondervingsuitkeringen, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de door de werkgever betaalde aanvullingen op die uitkeringen;
c. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964. (…)
Artikel 2a
1. Onder inkomen als bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, van de WAO en 58, eerste lid, van de Waz wordt verstaan:
a.het loon, bedoeld in artikel 2;
(…)
c. het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de verzekerde niet als werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet financiering sociale verzekeringen, inkomen verdient, met uitzondering van:
1°.het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;
(…)
6 Bij de vaststelling van het inkomen wordt het in de relevante aangiftetijdvakken opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de in die tijdvakken opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag als bedoeld in artikel 1:1 van Pro het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten in aanmerking, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag in die tijdvakken niet in aanmerking worden genomen.

Wet financiering sociale verzekeringen

Artikel 16
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.
2 Tot het loon behoren niet:
a. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat en met uitzondering van toeslagen op grond van de Toeslagenwet;
(…).

Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 11
1. Tot het loon behoren niet:
(…)
o. een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft, mits is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; (…).

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet (AOW).
2.Op grond van artikel 44 van Pro de WAO.
3.Vergelijk de uitspraak van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1068