ECLI:NL:RBOBR:2026:4625

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
01-256911-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 45 SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid en oplegging tbs met verpleging na poging doodslag en mishandeling politieambtenaar

De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van poging tot doodslag op een kamergenoot en mishandeling van een politieambtenaar. De feiten vonden plaats op 30 september en 1 oktober 2025. De officier van justitie achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, terwijl de verdediging primair vrijspraak bepleitte en subsidiair mishandeling erkende.

Uit het bewijs, waaronder verklaringen van het slachtoffer en een getuige, bleek dat verdachte met een kussen het gezicht van het slachtoffer bedekte en vervolgens een nekklem toepaste, waardoor het slachtoffer bijna stikte. Ook mishandelde verdachte een politieambtenaar door hem bij de schouder te grijpen en in het gezicht te slaan.

Psychiatrische rapportages stelden vast dat verdachte ten tijde van de feiten psychotisch was door een schizofreniespectrumstoornis en cannabisgebruik. Hierdoor was hij volledig ontoerekeningsvatbaar. De rechtbank volgde dit advies en sprak verdachte vrij van straf, maar legde een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op vanwege het ernstige karakter van de feiten en het recidiverisico.

Daarnaast wees de rechtbank schadevergoedingen toe aan beide slachtoffers, waarbij materiële en immateriële schade werden erkend en wettelijke rente werd toegekend. De voorlopige hechtenis van verdachte werd niet opgeheven. De rechtbank benadrukte dat de tbs-maatregel noodzakelijk is voor de bescherming van de maatschappij.

Uitkomst: Verdachte wordt niet strafbaar verklaard wegens ontoerekeningsvatbaarheid en krijgt tbs met verpleging opgelegd; schadevergoedingen aan slachtoffers worden toegewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.256911.25
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 januari 2026, 7 april 2026 en 16 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 december 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 30 september 2025 te Boxtel, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 1]
van het leven te beroven,
een kussen heeft gepakt en (met kracht) op/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt en/of
beide armen, althans een arm, in een (wurg)klem om de nek/keel van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en vervolgens krachtig heeft aangezet en heeft (dicht)geknepen/geklemd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 september 2025 te Boxtel, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ander, te weten [slachtoffer 1]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengeneen kussen heeft gepakt en (met kracht) op/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] heeftgedrukt en/ofbeide armen, althans een arm, in een (wurg)klem om de nek/keel van die [slachtoffer 1]heeft gebracht en vervolgens krachtig heeft aangezet en heeft(dicht)geknepen/geklemd,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 september 2025 te Boxtel, althans in Nederland,[slachtoffer 1] heeft mishandeld, dooreen kussen te pakken en (met kracht) op/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] te drukkenen/ofbeide armen, althans een arm, in een (wurg)klem om de nek/keel van die [slachtoffer 1] tebrengen en vervolgens krachtig aan te zetten en (dicht) te knijpen/klemmen;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te ‘s-Hertogenbosch, althans in Nederland,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld,
door
die [slachtoffer 2] bij zijn schouder te pakken en/of
(met kracht) in zijn gezicht te slaan,
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.
De verdachte wordt – kort samengevat – beschuldigd van een poging tot doodslag, dan wel van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dan wel van mishandeling (feit 1). Daarnaast wordt verdachte beschuldigd van het mishandelen van een politieambtenaar (feit 2).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en het ten laste gelegde onder 2 wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft primair vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten bepleit. Subsidiair is door de verdediging aangevoerd dat de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
T.a.v. feit 1 primair [1] :
-
een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , opgemaakt door [verbalisant 1] op 30 september 2025, pag. 7 en 8, voor zover inhoudende:Op dinsdag 30 september 2025, omstreeks 01.25 uur, lag ik in bed. Ik verblijf in de Oekraïnse opvang, gelegen aan [adres] . (…) Op een gegeven werd ik wakker en zag ik dat [verdachte] naast mijn bed stond. Ik hoorde dat hij zei: "Ik ga jou aanvallen." (…) Vervolgens zag ik dat [verdachte] een broek aantrok en dat hij een kussen van zijn bed pakte. Ik zag dat dit geen gewoon hoofdkussen was, maar een kussen van een bank of iets dergelijks. Ik zag dat [verdachte] met het kussen naar mij toe kwam lopen en zag en voelde dat hij het kussen tegen mijn gezicht drukte. Ik voelde dat [verdachte] het kussen met veel
kracht tegen mijn gezicht duwde. Ik voelde dat ik geen lucht kreeg. Ik probeerde het kussen van mijn gezicht te duwen en riep om hulp naar [getuige] . Ik probeerde naar [getuige] rennen. Ik voelde dat dit niet lukte, omdat [verdachte] zijn beide armen om mijn nek sloeg en dat hij zijn armen klemde. Ik voelde dat ik wederom geen lucht kreeg en stikte. (…) Doordat wij op [getuige] zijn bed vielen, werd hij wakker. Ik zag en voelde dat hij mij probeerde te helpen, door [verdachte] zijn armen van mijn nek af te trekken. Ik voelde dat [verdachte] steeds meer kracht begon uit te oefenen bij het dichtknijpen van mijn keel. Ik voelde dat ik echt geen lucht meer kreeg. Ik ben niet buiten bewustzijn geweest, maar ik voelde dat ik echt helemaal geen lucht meer kreeg. Ik had mijn ogen gesloten en probeerde te schreeuwen. Op een gegeven moment voelde ik dat ik weer lucht kreeg. Het voelde alsof het minuten duurde, maar ik gok dat het ongeveer 30 seconde duurde voordat [verdachte] mijn nek losliet. Terwijl [verdachte] mij verstikte, hoorde ik dat hij zei: "Ik heb genoeg van jou."
-
een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 1] opgemaakt door [verbalisant 2] op 30 september 2025, pag. 11 en 12, voor zover inhoudende:V: Heeft u nog ergens pijn na het voorval van gisteren?
A: Ik heb pijn in mijn nek en tong.
(...)
V: Kunt u precies omschrijven wat de pijn is wat u voelt?
A: Ik voel pijn in mijn nek en het puntje van mijn tong doet zeer omdat ik daar op gebeten heb.
V: Zijn het de spieren waar u last van heeft in de nek of iets anders?
A: Ja de spieren.
- een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt door [verbalisant 4] op 30 september 2025, pag. 16 en 17, voor zover inhoudende:Ik was op 30 september 2025, omstreeks 00.00/00.20 uur, naar mijn kamer gegaan om te
gaan slapen. (…) Ik hoorde mijn naam, ik hoorde: " [getuige] help mij". Ik lag in bed en hoorde nog een keer: " [getuige] help mij." Ik zag dat twee personen op mijn bed vielen. Ik zag dat [verdachte] , [slachtoffer 1] vast had. Ik zag dat [verdachte] een nek klem om [slachtoffer 1] had zitten. Ik zag dat [verdachte] met beide armen om de nek van [slachtoffer 1] zat. Ik zag dat [verdachte] veel kracht gebruikte bij de nek klem. Ik zag dat [verdachte] toen nog steeds onder [slachtoffer 1] lag. Ik zag nog steeds dat [verdachte] de nek klem om [slachtoffer 1] zijn nek had. Het hoofd van [slachtoffer 1] was ter hoogte van de borst/nek van [verdachte] . Ik hoorde dat [slachtoffer 1] steeds slechter verstaanbaar was omdat hij vermoedelijk geen lucht meer kreeg. Hij schreeuwde niet meer, daardoor maakte ik mijn alleen maar meer zorgen. Ik riep naar [verdachte] : "Wat ben je aan het doen?" Ik zag dat [verdachte] totaal niet reageerde en gewoon door ging. Ik probeerde de nek klem (wurging) van [verdachte] bij [slachtoffer 1] los te halen. Ik moest veel kracht gebruiken en ik ben niet slap. Ik heb genoeg kracht en voor mij was het nog moeilijk om de greep los te maken.
Ik had uiteindelijk [verdachte] en [slachtoffer 1] losgekregen en [slachtoffer 1] gleed naar beneden van het bed
naar de grond.
T.a.v. feit 2:
-
een proces-verbaal van aangifte met pv-nummer PL2100-2025221704-2 , opgemaakt door [verbalisant 3] op 1 oktober 2025, pag. 1, voor zover inhoudende:
Ik doe aangifte van mishandeling. Het geweld dat op mijn werd uitgeoefend
veroorzaakte pijn en (…) letsel. Op het moment dat de mishandeling plaatsvond was ik
werkzaam als politieambtenaar, voor bevindingen zie separaat opgemaakt proces
verbaal van bevindingen onder nummer 2025220319-21 .
-
een proces-verbaal van bevindingen met pv-nummer PL2100-2025220319-21 , opgemaakt door verbalisant [slachtoffer 2] op 1 oktober 2025, pag. 1, voor zover inhoudendeOp woensdag 1 oktober 2025, was ik verbalisant [slachtoffer 2] , werkzaam als
arrestantenverzorger op het cellencomplex gelegen aan de vogelstraat 41 te
's-Hertogenbosch. Ik was in politie uniform gekleed.
Op eerder genoemde dag, omstreeks 15.16 uur, ging ik verbalisant [slachtoffer 2] samen met mijn
[collega] naar de verdachte [verdachte] , welke opgehouden werd in cel 7." (...) Ik zag dat de verdachte naar mij toe kwam, ik zag dat hij met beide handen richting mijn nek ging, ik voelde daarna dat hij mij met een hand met kracht bij mij linkerschouder vastpakte. (...)Ik duwde hierop de verdachte wederom terug zijn cel in. Ik zag dat de verdachte wederom terugkwam in de richting van mij. Op enig moment voelde ik een harde klap in mijn gezicht. Ik had direct pijn aan mijn wang en mond. Ik zag niet hoe het ging het ging allemaal erg snel.
Bewijsoverweging feit 1 primair.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte een kussen tegen het gezicht van het slachtoffer heeft gedrukt waardoor het slachtoffer geen lucht meer kreeg. De rechtbank maakt uit de verklaring van aangever op dat het drukken van het kussen op/in het gezicht stopt en hij probeert weg te komen. Verdachte klemt vervolgens zijn beide armen om de nek van het slachtoffer en ontneemt het slachtoffer de adem doordat hij steeds meer kracht uitoefent bij het dichtknijpen van zijn keel. De getuige [getuige] verklaart dat hij ziet dat verdachte een nekklem om het slachtoffer heeft. Hij hoort dat het slachtoffer steeds slechter verstaanbaar wordt en dat hij op een gegeven moment niet meer schreeuwt. De getuige weet het slachtoffer met moeite te bevrijden. Hij verklaart dat hij daarbij veel kracht moest gebruiken.
De rechtbank ziet de zich voor de vraag gesteld of er sprake is van opzet op de primair tenlastegelegde poging doodslag, al dan niet in voorwaardelijke zin.
De verdachte heeft met kracht een kussen tegen het gezicht van het slachtoffer geduwd. Daarna is verdachte overgegaan tot het met beide armen met kracht dichtknijpen van de keel van het slachtoffer. Het is vervolgens slechts aan de handelingen van een derde te danken, die met moeite en veel kracht verdachtes greep heeft doorbroken, dat het wurgen is geëindigd. Deze gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op de dood van het slachtoffer, dat naar het oordeel van de rechtbank hieruit het (vol) opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer blijkt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen eventueel komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Feit 1 primair:
op 30 september 2025 te Boxtel,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander,
te weten [slachtoffer 1]
van het leven te beroven,
een kussen heeft gepakt en met kracht op het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt en
beide armen in een (wurg)klem om de nek van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en vervolgens krachtig heeft aangezet en heeft geklemd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2:
op 1 oktober 2025 te ‘s-Hertogenbosch,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld,
door
die [slachtoffer 2] bij zijn schouder te pakken en
met kracht in zijn gezicht te slaan,
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot ontslag van alle rechtsvervolging omdat de verdachte, gelet op de rapporten van de deskundigen, volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft ook bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van de rechtbank.
Voor de beantwoording van de vraag of de gepleegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportages van psychiater W.H. Braam van 17 april 2026 en van psycholoog J.C.L.M. Duijkers van
14 april 2026. De psychiater heeft vastgesteld dat de verdachte een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik (matig) heeft. De psycholoog heeft eveneens een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik (ernstig) vastgesteld. Volgens de deskundigen waren de stoornissen ten tijde van de gepleegde feiten aanwezig. De verdachte was ten tijde van beide ten laste gelegde feiten psychotisch. Hij dacht, voelde en leefde volledig in zijn eigen realiteit. De deskundigen hebben daarom geadviseerd om de verdachte de feiten geheel niet toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies en de adviezen van de deskundigen over. De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd als gevolg van zijn stoornissen, zodat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend. De verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van een maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwang wordt opgelegd. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht om geen tbs-maatregel op te leggen maar een zorgmachtiging te verlenen. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw de voorlopige hechtenis op te heffen.
Het oordeel van de rechtbank.
Aangezien de feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend en hij daarom zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, is het opleggen van een straf niet aan de orde. De rechtbank moet wel beoordelen of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd ter bescherming van de maatschappij. Bij die beslissing heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte.
Ernst van de feiten.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van een kamergenoot. De verdachte heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit zijn verklaring afgelegd bij de politie blijkt dat het slachtoffer vreesde voor zijn leven.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van een politieambtenaar. De verdachte heeft met dit handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Adviezen.
De eerder genoemde Pro Justitia-rapportages van psychiater Braam en psycholoog Duijkers bevatten ten aanzien van het opleggen van de tbs-maatregel de volgende conclusies en adviezen.
Uit het rapport van psychiater Braam:
“Wat de klinische items en risicohanterings items betreft worden bij betrokkene met name genoemd zijn gebrek aan zelfinzicht (door het ontbreken van ziektebesef, ontbreken van inzicht in het risico van gewelddadig gedrag en ontbreken van inzicht in de noodzaak tot behandeling). Door dit gebrek aan inzicht is de kans op behandeltrouw en responsiviteit van de behandeling laag en daarmee risico verhogend. De aanwezige psychotische kwetsbaarheid en ontbreken van persoonlijke steun en gebrekkige leefomstandigheden (ontbreken van huisvesting momenteel) worden eveneens als risico verhogend beschouwd. Op basis van de items van de HCR-20V3 is de kans op recidive matig-hoog. De SAPROF is een instrument om beschermende factoren voor gewelddadig gedrag in kaart te brengen en wordt aanvullend aan de HCR-20V3 gebruikt. Er zijn op dit moment nauwelijks beschermende factoren aanwezig. Positief is zijn intelligentie en wens om te werken. Klinisch wordt er ook een matig-hoge kans op recidive ingeschat. Hij weigert antipsychotische medicatie te gebruiken. Ziektebesef en -inzicht ontbreken en ook motivatie voor behandeling om zo aan de risicofactoren te werken. Concluderend is er een matig-hoge kans op recidive van geweldsdelicten. (…)
Om het recidiverisico dat als matig-hoog wordt ingeschat, adequaat te verlagen is behandeling van de stoornis(sen) noodzakelijk. Dat wil zeggen psychoeducatie, instellen op antipsychotische medicatie en verdere noodzakelijke behandeling, aanvankelijk klinisch op een (aanvankelijk) voldoende hoog beveiligingsniveau. (…)
Behandeling op vrijwillige basis wordt niet haalbaar geacht gezien het ontbrekende ziektebesef en -inzicht en het ontbreken van de nodige bereidheid tot behandeling. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard zal in eerste instantie klinische behandeling noodzakelijk zijn om het matig-hoge recidiverisico af te wenden in een voldoende beveiligde kliniek gezien de forse agressieregulatie problematiek. Hernieuwd middelengebruik kan daarbij onderhoudend zijn voor de psychose. Het kader van een zorgmachtiging vanuit de Wvggz wordt als niet haalbaar geacht, omdat er een matig-hoog risico is op recidive, het beveiligingsniveau ontoereikend zal zijn (zeker aanvankelijk), dit kader niet voldoende is om recidive te voorkomen en te kort van duur zal zijn (een half jaar). Het kader van TBS met verpleging van overheidswege wordt dan ook aanbevolen mede gezien het recidiverende karakter. In verband met het volledig ontbreken van ziektebesef en -inzicht en motivatie van een (klinische) behandeling wordt het kader van TBS met voorwaarden niet haalbaar geacht.”
Uit het rapport van psycholoog Duijkers:

Het risico op recidive in gewelddadig gedrag acht rapporteur matig tot hoog op basis van weging van de bevindingen en op de risico-taxatie-instrumenten. Wanneer betrokkene zich, passende bij de “schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis” die voor een verstoorde realiteitstoetsing en oordeels- en kritiekstoornissen inzake andermans en het eigen gedrag en denken zorg, op enigerlei wijze geprovoceerd of aangevallen voelt door derden, geeft dit hem stress, maakt het hem achterdochtig en kan hij impulsief ageren jegens de ander. Dit ageren kan ten tijde van een psychotische ontregeling de vorm krijgen van delict-gedrag. (…)
Rapporteur adviseert forensisch psychiatrische behandeling van de “ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis” en terugvalpreventie inzake de ernstige stoornis in het gebruik van cannabis ten behoeve van vermindering van het als matig tot hoog ingeschatte recidiverisico op geweld. Maar, de behandelmogelijkheden zijn aan beperkingen onderhevig. Waanideeën blijken namelijk moeilijk behandelbaar middels anti-psychose medicatie en cognitief gedragstherapeutische interventieopties zijn waarschijnlijk beperkt wegens het gebrek aan ziektebesef en -inzicht naast de taalbarrière. Preoccupatie met overtuigingen die niet overeenstemmen met de realiteit kan aldus hardnekkig aanwezig blijven. Voorlichting over het risico op psychotische ontregeling bij het gebruik van drugs zoals cannabis wordt geadviseerd. (…)
Rapporteur adviseert om bovengenoemde interventieadviezen in te zetten in het strafrechtelijk kader van een ter beschikking stelling met bevel tot verpleging vanuit overheidswege. (…)
Rapporteur acht, wegens het ontbreken van enig ziektebesef en/of inzicht en het ontbreken van motivatie voor behandeling (hij acht zichzelf gezond en zegt behandeling te weigeren) bij het als matig tot hoge recidiverisico op geweld een strafrechtelijk kader met voorwaarden (de tbs-maatregel met voorwaarden) niet haalbaar bij betrokkene.
Bij een zorgmachtiging is verlaging van het matig tot hoog ingeschatte recidiverisico op geweld niet expliciet onder de aandacht waardoor dit evenmin een passend kader is.”
Op te leggen maatregel.
De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de psycholoog en de psychiater over. Met hen is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel noodzakelijk maakt. De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de tbs-maatregel op te leggen. In het geval van verdachte bestond tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Daarnaast betreffen de bewezenverklaarde feiten poging tot doodslag en mishandeling tegen een ambtenaar feiten als vermeld in artikel 37a lid 1 sub 2° van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is op grond van de inhoud van de hiervoor besproken rapportages van oordeel dat een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege noodzakelijk is, en dat niet kan worden volstaan met het verlenen van een zorgmachtiging zoals door de raadsvrouw is verzocht. De deskundigen hebben onderbouwd waarom een zorgmaatregel in dit geval geen passend kader is. De rechtbank neemt ook op dit punt de conclusies en adviezen van de psycholoog en de psychiater over.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.
De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de duur van de tbs niet op voorhand is gemaximeerd.
Voorlopige hechtenis
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de raadsvrouw tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijst.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Door [slachtoffer 1] is schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 900,21 vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bedrag bestaat uit materiële schade van € 50,71 en immateriële schade van € 850,-.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partij toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft zij verzocht tot matiging van het gevorderde bedrag aan immateriële schade.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar. De rechtbank begrijpt dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade is gebaseerd op artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. Naast het feit dat de benadeelde partij blijkens het dossier als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, brengt de aard en de ernst van de normschending in dit geval ook mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer voor zijn leven heeft gevreesd.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft zij verzocht tot matiging van het gevorderde bedrag aan immateriële schade.
Beoordeling.
De rechtbank begrijpt dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade is gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW Pro. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft blijkens het dossier als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit lichamelijk letsel opgelopen. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van
€ 350,- passend is. De rechtbank bepaalt dat het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De immateriële schadevergoeding van € 350,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 37a, 37b, 45, 287, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
Feit 1:
Poging doodslag.
Feit 2:
Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
De rechtbank verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde
niet strafbaaren
ontslaat hem van alle rechtsvervolging.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Een
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.
T.a.v. feit 1 primair:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 900,71 euro, bestaande uit 50,71 euro materiële schade en 850,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
12 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
T.a.v. feit 1 primair:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer 1] , van een bedrag van 900,71 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 9 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 50,71 euro materiële schade en 850,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
T.a.v. feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 350 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
1 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
T.a.v. feit 2:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer 2] , van een bedrag van 350,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,
mr. G.M. Blanken en mr. I.M. Rinzema, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,
en is uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025220319.