ECLI:NL:RBOBR:2026:4679

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
01-140452-23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 8 WVWArt. 10 WVWArt. 175 WVWArt. 179 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen roekeloos straatracen met ernstig letsel en rijden onder invloed

Op 3 juni 2023 veroorzaakte verdachte samen met een medeverdachte een ernstig verkeersongeval in Helmond door deel te nemen aan een straatrace met zeer hoge snelheid (139,5-160 km/u) terwijl hij onder invloed was van alcohol en cannabis. Hierbij liep een slachtoffer langdurige klachten op en een ander zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte medepleger was van de overtreding van artikel 6 WVW Pro door roekeloos rijgedrag en overtreding van artikel 8 WVW Pro door rijden onder invloed. De verdediging voerde onder meer aan dat er geen sprake was van een straatrace en dat het bloedonderzoek niet als bewijs mocht dienen, maar deze verweren werden verworpen.

De rechtbank legde een taakstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een rijontzegging van 4 jaar op. Tevens werd verdachte hoofdelijk veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €13.000 aan een slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf, 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 4 jaar rijontzegging wegens medeplegen roekeloos straatracen onder invloed met ernstig letsel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.140452.23]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.140452.23
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
thans uit andere hoofde gedetineerd te: P.I. Nieuwegein.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 juni 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 3 juni 2023 te Helmond, althans in Nederland,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk: Seat Leon),
tezamen en in vereniging met een ander, te weten [medeverdachte 1] , eveneens als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk: Volkswagen Golf), althans alleen,
daarmede rijdende over de weg, de Europaweg,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn/hun schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te handelen als volgt:
verdachte heeft rijdende over de Europaweg (gaande in de richting van Deurne),
terwijl hij danig onder invloed van alcohol en/of cannabis was,
in strijd met het gestelde in artikel 10 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 deelgenomen aan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd en/of
(daarbij) gereden met een zeer hoge snelheid (gemiddeld tussen de 139,5 en 160 kilometer per uur), in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur,
en/of is daarbij van rijstrook gewisseld (van rijstrook 1 naar rijstrook 2), en/of
heeft (vervolgens) zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was,
waardoor verdachte met de voorzijde van zijn personenauto tegen een op rijstrook 2 voor het (rode) stoplicht stilstaand taxibusje is gereden,
waardoor een ander en/of anderen,
genaamd [slachtoffer 1] (bestuurder van dat taxibusje), zwaar lichamelijk letsel, te weten langdurige nekklachten en/of hoofdpijn en/of een hersenschudding, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of
genaamd [slachtoffer 3] (inzittende van personenauto, merk: Seat Leon), zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenarm, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 vijfde Pro lid althans tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
t.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 3 juni 2023 te Helmond, althans in Nederland,als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Seat Leon), daarmee rijdendeop de weg, de Europaweg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat deverkeersregels in ernstige mate werden geschonden doorin strijd met het gestelde in art. 10 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 deel te nemenaan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd en/of(daarbij) gedurende langere tijd en/of een langere afstand (te weten 760 meter) terijden met een zeer hoge snelheid (gemiddeld tussen de 139,5 en 160 kilometer peruur), in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldendemaximumsnelheid van 50 kilometer per uur, en/of daarbij van rijstrook te wisselen(van rijstrook 1 naar rijstrook 2),zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 vijfde Pro lidalthans tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994,door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaarlichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
t.a.v. feit 2 primair:
hij op of omstreeks 3 juni 2023 te Helmond, althans in Nederland,
een voertuig, te weten een personenauto (merk: Seat Leon), heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis en/of alcohol,
terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en/of alcohol
- 1,40 milligram alcohol per milliliter bloed en
- 1,0 microgram cannabis per liter bloed bedroeg,
in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit,
bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
t.a.v. feit 2 subsidiair:
hij op of omstreeks 3 juni 2023 te Helmond, althans in Nederland,als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk: Seat Leon), dit voertuigheeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat hetalcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid,aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,40 milligram, in elk geval hogerdan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, waarbij sprake is van roekeloosheid als schuldgradatie. Ook het onder feit 2 primair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft aangevoerd dat van medeplegen geen sprake is geweest, nu de nauwe en bewuste samenwerking die hiervoor vereist is, ontbreekt. Bovendien kan – bij het meerijden over een betrekkelijk korte afstand, zoals hier het geval – niet gesproken worden van een straatrace. Verdachte heeft weliswaar te hard gereden, maar zonder een verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] kan niet vastgesteld worden dat sprake is geweest van een straatrace. Het enkele uitgesproken vermoeden hierover door getuigen, is daarvoor niet voldoende. Verder heeft de raadsman zijn vraagtekens gezet bij de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daarvoor is onvoldoende bewijs. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat in strijd met artikel 12, derde lid, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen (het Besluit) het bloed van verdachte niet binnen 90 minuten is afgenomen, waardoor het resultaat van het bloedonderzoek dient te worden uitgesloten van het bewijs met betrekking tot artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Verdachte moet daarom partieel worden vrijgesproken van feit 1 en integraal van feit 2.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de bewijsbijlage bij dit vonnis.
Vaststelling van de feiten
Op 3 juni 2023 om 21:27 uur heeft er in Helmond op de Europaweg een botsing plaatsgevonden tussen een Seat Leon met het kenteken [kenteken 1] en een Mercedes-Benz Sprinter (hierna: taxibus) met het kenteken [kenteken 2] . De Seat Leon werd bestuurd door verdachte en de taxibus door [slachtoffer 1] (slachtoffer 1).
Op camerabeelden is te zien dat er direct voorafgaande aan het ongeval twee voertuigen, te weten de Seat Leon van verdachte en een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 3] , met hoge snelheid over de Europalaan rijden. Daarbij rijdt de Seat Leon op de linkerrijstrook en de Volkswagen Golf op de rechterrijstrook. Kort voor het ongeval wisselt de Volkswagen Golf abrupt van rijstrook (van rechts naar links) en remt, waarna de Seat Leon ook van rijstrook wisselt (van links naar rechts) en remt. Ondanks de ingezette remactie botst de Seat Leon tegen de taxibus, die op dat moment stilstond voor een rood verkeerslicht (ter hoogte van de Oranjelaan). Het verkeerslicht springt vlak voor het ongeval op groen en de Volkswagen Golf rijdt, langs het ongeval, rechtdoor.
In de auto van verdachte zaten ten tijde van het ongeval nog vier anderen, te weten: [slachtoffer 3] (bijrijder), en op de achterbank zijn zoon [slachtoffer 3] (links achterin) en diens vrienden [slachtoffer 3] (midden achterin) en [slachtoffer 3] (rechts achterin).
Uit het onderzoek van de politie is verder gebleken dat de Seat Leon en de Volkswagen Golf direct voor het ongeval over een afstand van 760 meter met hoge snelheid naast elkaar hebben gereden. Beide voertuigen hebben daarbij snelheden behaald tussen de 139,5 km/u en 160 km/u, terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 50 km/u geldt.
Bestuurder van de Volkswagen Golf
De rechtbank acht bewezen dat medeverdachte [medeverdachte 1] ten tijde van het ongeval de bestuurder van de Volkswagen Golf was. Het kenteken is nagetrokken en daaruit bleek dat medeverdachte de tenaamgestelde van het voertuig was. Medeverdachte is door de politie gevorderd om (op grond van artikel 165 WVW Pro) de naam en adres op te geven van de persoon die op dat moment de Volkswagen Golf bestuurd zou hebben, maar hij heeft hieraan niet voldaan. Ook de in het dossier bevindende chatberichten tussen medeverdachte en zijn vriendin, en de verklaring van de vader van medeverdachte dat zijn zoon de auto nooit uitleent, wijzen er op dat medeverdachte toen de bestuurder was. Hiertegenover heeft medeverdachte geen enkele onderbouwde verklaring afgelegd, maar het gehouden bij de enkele kale ontkenning dat hij bestuurder van de Volkswagen Golf is geweest op het moment van het ongeval.
Het rijgedrag van verdachte
Volgens de officier van justitie heeft verdachte meerdere verkeersregels overtreden, namelijk aanzienlijk te hard rijden, het houden van een straatrace in de zin van artikel 10 WVW Pro met medeverdachte, en het rijden onder invloed.
Verdachte heeft alleen het aanzienlijk te hard rijden erkend. Hieronder zal de rechtbank nagaan of verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een straatrace en rijden onder invloed.
Straatrace
Van een straatrace is sprake als voldaan wordt aan de definitie van een wedstrijd, zoals is bedoeld in artikel 10 WVW Pro.
Artikel 10 WVW Pro houdt voor zover relevant het volgende in:
“1. Het is verboden op de weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
2. Onder wedstrijd wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties (…).”
De rechtbank stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte met zijn medeverdachte enige afspraak heeft gemaakt voor het houden van een geplande of georganiseerde wedstrijd of straatrace. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of het weggedrag van beide verdachten (naar uiterlijke verschijningsvorm) dusdanig van aard was dat dit niet anders kan worden gezien als een wedstrijd zoals bedoeld in artikel 10 WVW Pro. Gelet op de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 25 januari 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:160) dient de rechtbank hierbij, behalve de snelheid van de voertuigen, te betrekken of sprake is geweest van herhaaldelijk en/of over een langer stuk naast elkaar rijden, elkaar proberen af te snijden of elkaar meerdere keren inhalen.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte en medeverdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs niet anders kunnen worden opgevat dan als een wedstrijd als bedoeld in artikel 10 WVW Pro. Daarbij vindt de rechtbank, naast de behaalde snelheden, het navolgende van belang:
- bij de verkeerslichten op de kruising Europaweg/Hortsedijk staan de voertuigen van verdachte en medeverdachte vooraan naast elkaar, ieder op hun eigen rijstrook;
- bij groenlicht zijn beide voertuigen vol gas weggereden op hun eigen baan;
- bij de verkeerslichten op de kruising van de Boerhaavelaan/Europaweg staan de voertuigen van verdachte en medeverdachte opnieuw vooraan naast elkaar en ook hier trekken beide verdachten snel op en rijden zij zeer hard weg;
- de Volkswagen Golf wisselt abrupt van rijstrook, waarbij de Seat Leon wordt afgesneden en waarna de Volkswagen Golf (inmiddels rijdend kort voor de Seat Leon) remt; en
- de Seat Leon wisselt hierop ook abrupt van rijstrook, maar kan botsing met de taxibus niet voorkomen.
Verder weegt de rechtbank mee dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij met de Volkswagen Golf “mee is gaan rijden”. Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat hij is meegereden met de auto die naast hem stond en dat ze “tegen elkaar zijn gaan rijden”.
Deze verklaringen in samenhang met de overige hiervoor genoemde vaststellingen, kunnen naar het oordeel niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte en medeverdachte met elkaar in een wedstrijd waren verwikkeld om wie het hardst kon rijden.
De totale afstand van bovengenoemd traject betreft 760 meter. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een dergelijke betrekkelijk korte afstand niet gesproken kan worden van een straatrace. De rechtbank volgt de verdediging niet in dat standpunt. Nog daargelaten dat de voertuigen (uitgaande van een snelheid van een gemiddelde snelheid van 160 km/u over een afstand van 760 meter) ten minste 17 seconden naast elkaar hebben gereden, wat naar het oordeel van de rechtbank niet als “kort” kan worden beschouwd, komt het de rechtbank voor dat het “tegen elkaar rijden” enkel is geëindigd vanwege het ongeval. Zo heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij het verkeerslicht in zijn geheel niet heeft gezien en dat hij – wanneer hij de taxibus niet had geraakt – door zou zijn gereden. Medeverdachte [medeverdachte 1] is, na abrupt van rijstrook te zijn gewisseld, het verkeerslicht gepasseerd en is doorgereden.
Medeplegen
In het straatracen ligt een nauwe en bewuste samenwerking besloten door de competitieve en/of rivaliserende dynamiek. Die dynamiek brengt met zich dat de ene gevaarlijke verkeersgedraging onlosmakelijk wordt gevolgd door andere gevaarlijke verkeersgedraging. Daarin ligt dan ook een bewuste en nauwe samenwerking besloten. In die dynamiek valt ook redelijkerwijs te voorzien dat het onderling samenhangende, gevaarlijke verkeersgedrag tot een verkeersongeval kan leiden met ernstige gevolgen. Er was sprake van een wisselwerking tussen de onderlinge verkeersgedragingen, waardoor de botsing tegen de taxibus niet alleen toe te rekenen is aan verdachte, maar ook aan medeverdachte. Er is dus sprake van medeplegen.
Rijden onder invloed
Uit bloedonderzoek is gebleken dat verdachte tijdens het rijden onder invloed was van alcohol en cannabis. De rechtbank constateert dat de 90-minuten termijn waarbinnen de bloedafname volgens artikel 12, derde lid, van het Besluit moet plaatsvinden, is overschreden. Dat betekent echter niet dat het onderzoek geen betrouwbaar resultaat geeft van de – voor een bewezenverklaring beslissende – op dat moment in het afgenomen bloed aanwezige concentratie van verboden stoffen. Daaruit volgt dat het voorschrift niet rechtstreeks in verband staat met de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van het verrichte onderzoek en niet behoort tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek zoals bedoeld in artikel 8 WVW Pro is omringd. Het verweer van de raadsman dat het resultaat van het bloedonderzoek dient te worden uitgesloten van het bewijs wordt daarom verworpen.
Aan zijn schuld te wijten; artikel 6 WVW Pro
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het rijgedrag van verdachte schuld oplevert in de zin van artikel 6 WVW Pro en zo ja, in welke gradatie.
Bij de beoordeling van de schuldvraag komt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij roekeloos geldt als de zwaarste vorm van schuld.
Van roekeloosheid is sprake wanneer zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich hiervan bewust was of had moeten zijn.
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175, tweede lid, WVW bepaald dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
De rechtbank moet beoordelen of verdachte met de vastgestelde verkeersgedragingen, die hebben geleid tot het ongeval, (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. Schending van de verkeersregels
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het schenden van meerdere verkeersregels. Zo heeft verdachte de maximumsnelheid fors overtreden. Verder heeft verdachte deelgenomen aan een straatrace als bedoeld in artikel 10 WVW Pro. Ook verkeerde verdachte tijdens het rijden onder invloed van alcohol en cannabis.
b. Ernstige mate
De combinatie van de door verdachte geschonden verkeersregels in samenhang bezien met het feit dat hij onder invloed was van alcohol en cannabis, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
c. Opzettelijk.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, het niet anders kan dan dat verdachte deze overtredingen van de verkeersregels opzettelijk heeft begaan en zijn opzet was gericht op het in ernstige mate schenden van deze verkeersregels. Verdachte is, zich bewust zijnde van het feit dat hij alcohol en cannabis had gebruikt, willens en wetens gaan rijden. De overtredingen die hij vervolgens tijdens het besturen van de auto heeft begaan, namelijk het fors harder rijden dan toegestaan en het deelnemen aan een straatrace, zijn het directe gevolg van de wijze waarop hij de auto heeft bestuurd en heeft deelgenomen aan het verkeer.
d. Gevaar te duchten.
Met het overtreden van deze verkeersregels was levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten. De rechtbank acht het voorzienbaar dat er een gevaarlijke verkeerssituatie kan ontstaan als op de openbare weg een straatrace wordt gehouden, zeker op kruispunten. Dit gevaar heeft zich met het door verdachte veroorzaakte ongeval ook daadwerkelijk verwezenlijkt.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gedragingen van verdachte moeten worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Op grond van artikel 175, tweede lid, WVW is hiermee de schuldgradatie van roekeloosheid gegeven.
Het letsel
Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft door het ongeval letsel opgelopen. Gedurende een half jaar heeft hij diverse klachten gehad (hersenschudding, geheugenverlies, problemen met evenwicht, spierpijn in nek en schouders), waardoor hij niet kon studeren en werken en geen bijdrage kon leveren aan het huishouden. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Slachtoffer [slachtoffer 3] heeft door het ongeval onder andere een gebroken bovenarm opgelopen waaraan hij moest worden geopereerd. Hij ondervindt tot op heden hinder van de breuk, zo blijkt uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte zodanig gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. De schuldgradatie betreft roekeloosheid. Als gevolg van zijn gedraging heeft slachtoffer [slachtoffer 1] zodanig letsel opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en heeft slachtoffer [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde feit en het onder 2 primair ten laste gelegde feit, in eendaadse samenloop begaan, wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
t.a.v. feit 1 primair:
op 3 juni 2023 te Helmond,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk: Seat Leon),
tezamen en in vereniging met een ander, te weten [medeverdachte 1] , eveneens als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk: Volkswagen Golf),
daarmede rijdende over de weg, de Europaweg,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan hun schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, te handelen als volgt:
verdachte heeft rijdende over de Europaweg (gaande in de richting van Deurne),
terwijl hij danig onder invloed van alcohol en cannabis was,
in strijd met het gestelde in artikel 10 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 deelgenomen aan een straatrace, en
daarbij gereden met een zeer hoge snelheid (gemiddeld tussen de 139,5 en 160 kilometer per uur),
en is daarbij van rijstrook gewisseld (van rijstrook 1 naar rijstrook 2), en
heeft vervolgens zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was,
waardoor verdachte met de voorzijde van zijn personenauto tegen een op rijstrook 2 voor het (rode) stoplicht stilstaand taxibusje is gereden,
waardoor anderen,
genaamd [slachtoffer 1] (bestuurder van dat taxibusje), zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en
genaamd [slachtoffer 3] (inzittende van personenauto, merk: Seat Leon), zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenarm, werd toegebracht,
zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 vijfde Pro lid van de Wegenverkeerswet 1994;
t.a.v. feit 2 primair:
op 3 juni 2023 te Helmond,
een voertuig, te weten een personenauto (merk: Seat Leon), heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis en alcohol,
terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol
- 1,40 milligram alcohol per milliliter bloed en
- 1,0 microgram cannabis per liter bloed bedroeg,
telkens een hoger gehalte dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit,
bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een rijontzegging van 42 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Bij een bewezenverklaring heeft de raadsman gepleit voor oplegging van taakstraf en een rijontzegging.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft door zijn roekeloos rijgedrag een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Dit ongeval is ontstaan doordat verdachte samen met zijn medeverdachte heeft deelgenomen aan een straatrace; zij hebben binnen de bebouwde kom met veel te hoge snelheid naast elkaar gereden. Bovendien verkeerde verdachte tijdens het rijden onder invloed van alcohol en drugs, waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende of moest begrijpen. Verdachte heeft niet alleen andere weggebruikers, maar ook de overige vier inzittenden in zijn auto, waarvan er twee, waaronder zijn eigen zoon, minderjarig waren, aan ernstig gevaar blootgesteld. Dat gevaar heeft zich ook verwezenlijkt. Door het ongeval heeft slachtoffer [slachtoffer 1] , zoals hiervoor al is overwogen een hersenschudding opgelopen waardoor hij drie tot vijf maanden niet kon studeren of werken. Slachtoffer [slachtoffer 3] , zoon van verdachte, liep onder meer een klaplong op. Daarnaast waren zijn beide longen gekneusd en was sprake van een ernstige breuk van zijn rechterbovenarm, waaraan hij tot de dag van vandaag klachten ondervindt, zoals krachtverlies en een groot en ontsierend litteken.
Samenloop van de feiten
De rechtbank neemt voor wat betreft de bewezenverklaarde feiten eendaadse samenloop aan als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het bewezenverklaarde levert een zodanig samenhangend en op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen – bescherming van de verkeersveiligheid – niet wezenlijk uiteenloopt.
Persoon van verdachte
Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank ziet in het strafblad van verdachte dan ook geen strafverzwarende omstandigheden. De rechtbank houdt wel rekening met de recente veroordelingen, waaronder een veroordeling tot een gevangenisstraf van 40 maanden waarvan 20 maanden voorwaardelijk, waardoor artikel 63 Sr Pro van toepassing is.
De rechtbank houdt in het strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte zelf ook is getroffen door de gevolgen van de door hem gepleegde feiten, in die zin dat hij ook ernstig letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft zijn beide knieschrijven verbrijzeld. Het gewicht dat de rechtbank aan deze feiten en omstandigheden hecht is echter relatief beperkt, omdat verdachte het aan zichzelf te wijten heeft dat hij gewond is geraakt.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 4 juni 2026. Daaruit volgt kort gezegd dat er op meerdere leefgebieden problemen zijn. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat (in de zaak met parketnummer 01.260390.25) al een stevig pakket met voorwaarden met lange proeftijd aan verdachte is opgelegd om te werken aan risicomanagement en duurzame gedragsverandering.
Redelijke termijn
De rechtbank constateert dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 29 juni 2023, de dag dat verdachte door de politie is gehoord. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk is toe te rekenen aan de verdediging. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met een jaar is overschreden. Dit brengt de rechtbank tot een andere strafmodaliteit.
Op te leggen straffen
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het met een zeer hoge mate van schuld veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij tevens sprake is van fors alcoholgebruik en waarbij het slachtoffer als gevolg van dat ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, nemen de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden en een rijontzegging van 4 jaren tot uitgangspunt. Die zeer hoge mate van schuld is echter niet hetzelfde als de zwaardere vorm van schuld, roekeloosheid, die hier aan de orde is.
Waar de rechtbank zonder overschrijding van de redelijke termijn een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden had geacht, zal de rechtbank nu – alles afwegende – de maximale taakstraf opleggen voor de duur van 240 uren. Hoewel de reclassering negatief heeft geadviseerd over een taakstraf omdat verdachte vanwege het ongeval beperkt belastbaar is, heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij in staat is om aangepast (zittend) werk te verrichten. De rechtbank gaat ervan uit dat door de reclassering een passende taakstraf voor verdachte wordt gezocht waarbij rekening gehouden wordt met zijn beperkingen.
Vanwege de aard en ernst van de feiten en als stok achter de deur zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren opleggen.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat een rijontzegging moet volgen. Hiermee wordt niet alleen beoogd verdachte duidelijk te maken dat zijn rijgedrag buitengewoon onveilig was, maar ook verkeersdeelnemers voor langere tijd te beschermen tegen mogelijke herhaling van dit rijgedrag. Dit maakt dat de rechtbank een rijontzegging van 4 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest, op zijn plaats acht en deze dan ook aan verdachte zal opleggen.
De rechtbank legt een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 26.000,- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke aansprakelijkheid.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
Door de benadeelde partij wordt een immateriële schadevergoeding gevorderd. De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek onder andere recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen in de zin van een gebroken bovenarmbot. Aangezien de benadeelde daar vandaag de dag, drie jaar na het ongeval, nog altijd last van heeft, beschouwt de rechtbank dit als blijvend letsel.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding neemt de rechtbank categorie 5.4 onder b van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt, nu sprake is van een gebroken
humerus(bovenarmbot) die de schoudermobiliteit blijvend beperkt. Deze categorie heeft een bandbreedte van € 8.500,- tot € 13.000,-. De rechtbank hanteert een normbedrag van € 10.000,-. Gelet op de jeugdige leeftijd van de benadeelde en de verwijtbaarheid/opzet op het letsel, zal de rechtbank het normbedrag verhogen met tweemaal 15%. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 13.000,-.
De rechtbank acht de vordering dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 13.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Motivering van de hoofdelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 55, 57, 63 Wetboek van Strafrecht
6, 8, 175, 176, 179 Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
- verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

eendaadse samenloop van

t.a.v. feit 1 primair:
medeplegen van overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat, en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet

en

medeplegen van overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet
t.a.v. feit 2 primair:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
[1,40 milligram alcohol per milliliter bloed en 1,0 microgram cannabis per liter bloed]
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen en maatregel:
t.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:
Een
taakstrafvoor de duur van
240 urensubsidiair 120 dagen hechtenis.
t.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:
Een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
t.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:
Een
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
4 jarenmet aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet Pro 1994.
t.a.v. feit 1 primair:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
De rechtbank
wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van
13.000,- euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.
De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van
13.000,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 90 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.
De rechtbank bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.E. Bartels, voorzitter,
mr. W.M.T. Keukens en mr. I.C. Meuris, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 2 juli 2026.