Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen
[eisers], uit [vestigingsplaats], eisers
Samenvatting
Procesverloop
3. Met het bestreden besluit van 11 maart 2025 heeft het college de bezwaren van eisers gegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd onder verbetering van de motivering.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling door de rechtbank
Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (de Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
17 december 2024 stelt Gloudemans dat gelet op de bestemmingsplanregels en de bestaande bebouwing redelijkerwijs nog circa 6.000 m2 maximaal binnen het bouwvlak bebouwd kan worden. Het betreft hier een relatief courant bouwvlak met voldoende uitbreidingsmogelijkheden. Volgens Gloudemans is weliswaar sprake van een planologische beperking, maar leidt die niet tot schade. Gelet op de per peildatum vergunde dieraantallen stelt Gloudemans dat het object/de onroerende zaak per peildatum onvoldoende courant was om het als gespecialiseerd bedrijf in de markt te zetten. Blijkens de vergunde ruimte waren er volgens Gloudemans onvoldoende groeimogelijkheden om rendabel in extra dierenverblijven te investeren, althans overwogen is dat een redelijk denkend en handelend koper zo zou redeneren. Een fictieve ondernemer zou zijn vergunning moeten kunnen uitbreiden om extra dierenverblijven te kunnen plaatsen. De stalderingsregeling heeft enkel betrekking op de intensieve veehouderij (hokdieren). In onderhavige casus zou dat de varkens betreffen en niet een uitbreiding van koeien en paarden. Gloudemans stelt daarom als uitgangspunt te hebben gehanteerd dat het onbenutte bouwvlak ten behoeve van de uitbreiding van de varkenshouderij zou worden ingezet. Vervolgens wijst Gloudemans erop dat de onroerende zaak een gemengd bedrijf betreft met diverse aanwendings-mogelijkheden, waaronder varkens, koeien en paarden, en dat er bij een (fictieve) verkoop voor en na de peildatum een brede groep, gelijkblijvende, groep kopers/huurders in de onroerende zaak geïnteresseerd zou zijn, zodat de waarde niet negatief beïnvloed wordt. Gloudemans schat de prijs per m2 van het onbebouwde bouwvlak onmiddellijk voor en na de planologische wijziging in op een bedrag van € 30,00 per m2.
14.2. Volgens vaste rechtspraak mag het bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het college de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd. [3]
De rechtbank kan dit uitgangspunt zonder nadere motivering niet volgen, omdat in hetzelfde advies tegelijkertijd staat dat het hier een relatief courant bouwvlak betreft met voldoende uitbreidingsmogelijkheden en daarmee een interessant object was voor een koper die zijn bedrijf wil uitbreiden door middel van nieuwbouw en/of op het onbebouwde bouwvlak. Gloudemans heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom uitbreiding van de varkensstallen geen reële kans van slagen had ten tijde van de peildatum.
Verder heeft Gloudemans in zijn advies aangegeven dat over het algemeen geldt dat de waarde en ook een waardedaling te koppelen is aan de potentiële aanwendings-mogelijkheden en hieraan te verbinden kring van koop- of huurgegadigden. Neemt deze kring van koopgegadigden af, dan is het aannemelijk te stellen dat inherent hieraan de waarde afneemt. Ook is in het advies gesteld dat bij afnemende gebruiksmogelijkheden kan blijken dat de onroerende zaak nog steeds courant is, maar dat dit niet automatisch betekent dat de waarde niet is gedaald.
Gloudemans stelt in zijn advies dat de groep kopers/huurders die interesse heeft in de onroerende zaak gelijkblijvend is na de peildatum. De rechtbank is van oordeel dat eisers hier terecht vraagtekens bij hebben gezet, omdat niet kan worden uitgesloten dat kopers/huurders die varkens willen houden van koop/huur afzien vanwege de stalderingsregeling. Zij zullen hierdoor immers meerkosten moeten maken ingeval zij de varkensstallen binnen het bouwvlak willen uitbreiden. De stalderingsregeling is daarmee een belemmerende factor die kan maken dat van de mogelijkheid om binnen het bouwvlak nieuwe varkensstallen te realiseren minder of niet meer gebruik zal worden gemaakt.
In dat kader is ook van belang dat Gloudemans niet heeft aangegeven of alle gebruiksmogelijkheden even zwaar wegen. In zijn advies stelt Gloudemans immers zelf dat indien de vervallen gebruiksmogelijkheden de meeste relevante mogelijkheden betreffen waaraan de onroerende zaak de hoogste waarde ontleent, de planologische wijziging ook in dat opzicht van invloed kan zijn op de ontstane planschade. Er dient dan zowel een kwantitatieve vergelijking als een kwalitatieve vergelijking te worden gemaakt. Die ontbreekt hier, zoals eisers terecht hebben aangegeven. Dat het perceel vanwege de gebruiksmogelijkheden voor koeien en paarden nog steeds courant is, betekent niet dat het dan niet in waarde is gedaald door de inwerkingtreding van de Verordening.
Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd, omdat het in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De beroepsgrond dat eisers het advies van Gloudemans van 17 december 2024 niet voor het nemen van het bestreden besluit hebben gekregen en hierop dan ook niet hebben kunnen reageren, behoeft hierom geen verdere bespreking.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Informatie over hoger beroep
Bijlage: wettelijk kader
Artikel 4.1
Artikel 6.1
4. Een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van een oorzaak als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, e, f of g, moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop die oorzaak onherroepelijk is geworden.
(…).