ECLI:NL:RBOBR:2026:473

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
01/018712-22+
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelneming aan een criminele organisatie en handel in verdovende middelen in de regio Eindhoven en Helmond

Op 29 januari 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die zich gedurende een periode van ruim drie maanden schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in verdovende middelen, specifiek cocaïne en heroïne. De verdachte is in maart 2020 in het kader van het onderzoek Starr aangehouden, waarbij bleek dat een crimineel netwerk actief was in de gemeentes Eindhoven en Helmond. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij de verkoop, aflevering, verstrekking en het vervoer van deze verdovende middelen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 360 dagen, waarvan 190 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 120 uren. De rechtbank heeft de ernst van de feiten en de rol van de verdachte binnen de organisatie in overweging genomen, evenals zijn eerdere veroordelingen en de overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte is schuldig bevonden aan het deelnemen aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet, en aan het opzettelijk handelen in strijd met deze wet.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.018712.22 en 01.268807.22 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2002] ,
wonende te [adres 1]
Inleiding: onderzoek Starr.
In maart 2020 werd het onderzoek Starr opgestart. Uit informatie van de politie, verkregen door meldingen en constateringen, bleek dat een crimineel netwerk actief was dat inkomsten genereerde door grootschalige handel in verdovende middelen. Dit netwerk concentreerde zich op de gemeentes Eindhoven en Helmond. In Eindhoven handelde een dealgroep onder de naam ' [groepsnaam 1] ', en later onder de naam ' [groepsnaam 2] '. In Helmond handelde een dealgroep onder de naam ' [groepsnaam 3] '. Het vermoeden bestond dat dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] werd aangestuurd/georganiseerd door personen die ook dealgroep [groepsnaam 3] aanstuurden en dat beide groeperingen samenwerkten. Omdat de verdenkingen tegen verdachte zich richten op betrokkenheid bij zowel dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] als dealgroep [groepsnaam 3] , zal de rechtbank in dit vonnis in zijn algemeenheid verwijzen naar [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] .
Binnen het onderzoek is gebruik gemaakt van opsporingsmiddelen, zoals observaties, taps, afluisterapparatuur in voertuigen, onderzoek aan (deal)telefoons en doorzoekingen.
Aan de hand van de verkregen informatie heeft het Openbaar Ministerie naast verdachte ook medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vervolgd voor – kort gezegd – het in vereniging handelen in harddrugs en het deelnemen aan een criminele (drugs)organisatie.
Het onderzoek ter terechtzitting.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 april 2022, 11 juli 2022, 7 juni 2025, 13 mei 2025, 15 mei 2025, 2 december 2025 en 22 januari 2026 (sluiting).
Op de zitting van 13 mei 2025 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.L.C. Schoolderman, naar voren is gebracht.
De zaak tegen verdachte heeft de rechtbank gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] . De zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn uiteindelijk afgesplitst in verband met de gemaakte procesafspraken tussen hen en het Openbaar Ministerie.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij afzonderlijke dagvaardingen van 11 maart 2022 (01.018712.22) en 29 april 2025 (01.268807.22).
Nadat de tenlastelegging in de zaak met parketnummer
01.018712.22op de terechtzitting van 13 mei 2025 is aangepast en uitgebreid (op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering), is aan verdachte ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 23 december 2020 tot en met 24 januari 2022 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
2
hij in of omstreeks de periode van 23 december 2020 tot en met 24 januari 2022 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk
heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of
een hoeveelheid heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne en/of
een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne,
zijnde amfetamine en/of heroïne en/of cocaïne
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 01.268807.22 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 augustus 2021 te Eindhoven, althans in Nederland,
opzettelijk
heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 1,92 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne en/of
ongeveer 3,61 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Door de verdediging is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging ten aanzien van het feit onder parketnummer 01.268807.22. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat ten aanzien van het feit onder parketnummer 01.268807.22 sprake is van vervolging voor hetzelfde feitencomplex als dat wat (mede) ten grondslag ligt aan feit 2 op de dagvaarding van parketnummer 01.018712.22, waardoor de vervolging in strijd is met het ne bis in idem-beginsel.
De rechtbank heeft de zaak met parketnummer 01.268807.22 ter terechtzitting van 13 mei 2025 gevoegd bij de zaak met parketnummer 01.018712.22. Dat betekent dat de in deze parketnummers aan verdachte tenlastegelegde feiten gelijktijdig ter beoordeling aan deze rechtbank voorliggen. Van een situatie als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is geen sprake, omdat het niet gaat om de vervolging voor een feit waarover een rechter al onherroepelijk heeft beslist. Het verweer treft daarom geen doel. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten.
Beslissingen over het bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van beide feiten in de zaak met parketnummer 01.018712.22 heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevorderd voor de tenlastegelegde periode voorafgaand aan 25 augustus 2021.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte alleen in beeld komt als dealer op 25 augustus 2021 en in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 9 december 2021. Voor de overige tenlastegelegde periode(s) dient verdachte te worden vrijgesproken voor het dealen van harddrugs. Ten aanzien van de deelname aan een crimineel samenwerkingsverband (feit 1 van parketnummer 01.018712.22) heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit voor de tenlastegelegde periode(s) die buiten de periode van 1 oktober 2021 tot en met 9 december 2021 ligt.
Het oordeel van de rechtbank.
Hieronder wordt allereerst een aantal algemene opmerkingen gemaakt over het bewijs. Daarna bespreekt de rechtbank het verwijt dat verdachte – kort gezegd – heeft gehandeld in harddrugs, gevolgd door het verwijt dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.
Voor de overzichtelijkheid en de leesbaarheid zijn de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen uitgewerkt in de bijlage bij dit vonnis. De bewijsmiddelen gelden als in dit vonnis ingevoegd.
Algemene opmerkingen over het bewijs
De rechtbank heeft in zijn algemeenheid – en voor zover relevant in het licht van de feiten die de rechtbank bewezen acht – de onderzoekbevindingen en de daarop gebaseerde conclusies van de politie tegen de achtergrond van het dossier en wat ter terechtzitting is besproken, gecontroleerd en juist geacht. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over. De rechtbank heeft geen aanwijzingen gevonden om aan deze conclusies te twijfelen. Deze conclusies vinden naar het oordeel van de rechtbank ook op overtuigende wijze bevestiging in andere bewijsmiddelen. De hieraan ten grondslag liggende redengevende feiten en omstandigheden wijzen zodanig op de betrokkenheid van verdachte bij de hierna bewezenverklaarde feiten dat van hem een redelijke verklaring mocht worden verlangd om die betrokkenheid te weerleggen. Een dergelijke verklaring is echter uitgebleven. Verdachte heeft zich bij de politie en ter terechtzitting op gerichte vragen over zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten op zijn zwijgrecht beroepen. Deze proceshouding en het uitblijven van een aannemelijk tegengeluid, heeft de overtuigingskracht van een belastende uitleg van gebruikte bewijsmiddelen versterkt.
De rechtbank is bij de beoordeling van het bewijs in het bijzonder uitgegaan van de juistheid van de bevindingen van de politie met betrekking tot de aan [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] toegeschreven telefoonnummers en vervoersmiddelen, en de aan verdachte en medeverdachten toegeschreven bijnamen en telefoonnummers.
Verder kan uit de resultaten van het opsporingsonderzoek – in algemene zin en in grote lijnen – een modus operandi worden gedestilleerd. Zo is kenmerkend dat [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] werktijden hanteerde van 10:00 uur tot 20:00 uur. Tussen deze tijden was de deallijn bereikbaar voor afnemers. Er werden ook regelmatig SMS-bommen met daarin aanbiedingen voor verdovende middelen verstuurd naar een grote hoeveelheid telefoonnummers. Afnemers konden via de deallijn een bestelling plaatsen. Dealers werden vanuit zogenoemde bijvullocaties voorzien van verdovende middelen, die zij vervolgens afleverden aan individuele afnemers. Het ging daarbij om gebruikershoeveelheden van cocaïne ('w' / 'wit') en heroïne ('d' / 'donker') – en dus geen amfetamine, zoals eveneens ten laste is gelegd. De dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] was actief in Eindhoven en omgeving ('hier') en de dealgroep [groepsnaam 3] was actief in Helmond en omgeving ('ver').
Drugshandel
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – de handel in cocaïne en heroïne.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dit feit slechts de omvang van de ten laste gelegde periode ter discussie staat. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
Hoewel het dossier enkele aanwijzingen bevat dat verdachte vóór 25 augustus 2021 betrokken is geweest bij (personen die worden gelieerd aan) [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] , is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van handel in dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs in de periode van 23 december 2020 tot en met 24 augustus 2021. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Ten aanzien van de periode na 24 augustus 2021 overweegt de rechtbank het volgende. Op 25 augustus 2021 is verdachte aangehouden. Op die dag is een drugsdeal gezien tussen verdachte en een afnemer. Vervolgens is de telefoon van de afnemer onderzocht. Daaruit blijkt dat er zes minuten voor de overdracht telefonisch contact is geweest met een telefoonnummer dat door dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] wordt gebruikt. Ook de telefoon van verdachte is onderzocht. Uit chatberichten met hoeveelheden drugs, geldbedragen en locaties kan worden afgeleid dat verdachte op 25 augustus 2021 werd aangestuurd door een ander. In de telefoon is bovendien een notitie aangetroffen met als titel ‘hier’. Zoals bij de algemene opmerkingen hiervoor is aangegeven, gaat de rechtbank ervan uit dat met ‘hier’ steeds de omgeving van Eindhoven wordt bedoeld waar dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] actief was. In de notitie staat het e-mailadres ‘ [medeverdachte 3] ’ en de afkortingen ‘20w’ ‘10w’ ‘10d’, ‘10k’ en ‘270’. De rechtbank overweegt dat het e-mailadres (met bijbehorend wachtwoord) ook is aangetroffen in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 3] en dat met de afkortingen hoeveelheden cocaïne en heroïne worden bedoeld. Dit zijn de verdovende middelen waarin [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] handelde. De bij verdachte aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen (1,92 gram cocaïne en 3,61 gram heroïne) zijn gebruikershoeveelheden, hetgeen eveneens past bij de door de rechtbank vastgestelde modus operandi van [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] .
Op grond van het voorgaande staat het voor de rechtbank vast dat verdachte in ieder geval op 25 augustus 2021 betrokken was bij de handel in harddrugs voor of namens [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] .
Ook in de periode daarna is verdachte (als medepleger) bij de handel in cocaïne en heroïne betrokken geweest. Zo volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte zich regelmatig in de omgeving van (de locatie van) de dealtelefoon van [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] bevond, dat hij die dealtelefoon beantwoordde en door de politie gezien is dat hij zich bevond op locaties waar drugsdeals plaatsvonden en daadwerkelijk harddrugs afleverde. Verdachte heeft dit ook niet ontkend.
Die betrokkenheid strekt zich in ieder geval uit tot en met 9 december 2021. Op 9 december 2021 vond er een schietincident plaats waarbij verdachte is aangehouden. Bij die schietpartij was ook [betrokkene] betrokken, die heeft verklaard dat hij op de locatie van het schietincident was in verband met het afleveren van cocaïne. Ook werd een dealtelefoon van dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] aangetroffen in de straat waar het schietincident heeft plaatsgevonden. Dit alles duidt op betrokkenheid van verdachte bij de handel in drugs.
Verder werd op 10 december 2021 in de woning van verdachte een kluis aangetroffen met daarin onder andere mobiele telefoons en een handgeschreven notitie met drie iCloud-accounts, waarvan twee in verband zijn te brengen met dealgroep [groepsnaam 1] . Uit chatberichten kan worden afgeleid dat de iCloud-accounts werden gebruikt om telefoonnummers van afnemers over te zetten op een nieuw dealnummer zodra een dealer werd aangehouden. Zodoende kon de deallijn actief blijven en konden de werkzaamheden van de dealgroep worden voortgezet. De iCloud-accounts waren dus van vitaal belang voor de continuïteit van de deallijn. De omstandigheid dat die notitie in de kluis van de woning van verdachte werd aangetroffen zegt niet alleen iets over de rol die verdachte innam in [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] (waarop hieronder nog nader zal worden ingegaan), maar draagt ook bij aan de conclusie dat verdachte tot die datum betrokken is gebleven bij de handel in harddrugs. De rechtbank gaat er overigens vanuit dat de kluis – met inhoud – van verdachte was, nu het dossier geen aanwijzingen bevat dat deze aan (een) ander(en) dan verdachte toebehoorde(n). Die door de raadsvrouw opgeworpen suggestie wordt niet door verdachte zelf verklaard, laat staan dat hij dat scenario op enige wijze concreet heeft gemaakt.
Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte zich na zijn aanhouding op 9 december 2021 opnieuw schuldig heeft gemaakt aan de handel in verdovende middelen.
De conclusie is dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich in de periode van 25 augustus 2021 tot en met 9 december 2021 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne en heroïne.
De verdediging heeft uitvoerig verweer gevoerd op de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van de afnemers. De rechtbank zal deze verklaringen echter niet gebruiken voor het bewijs. Daarom hoeft dit verweer niet besproken te worden.
Deelneming aan een criminele organisatie
Algemeen
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 11b Opiumwet is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen. Van ‘deelneming’ aan de organisatie kan slechts sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11b Opiumwet bedoelde oogmerk. Daarbij geldt dat de verdachte in zijn algemeenheid moet weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van Opiumwetmisdrijven. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat daarbij komt vast te staan dat de verdachte moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.
De organisatie en de rol van verdachte en andere leden
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband tussen (onder andere) medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de organisatie zich op grote schaal bezighield met criminele activiteiten met betrekking tot de handel in cocaïne en heroïne. Het oogmerk van dit samenwerkingsverband was gericht op het plegen van dit soort misdrijven.
Het samenwerkingsverband werd aangestuurd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Verdachte hield zich bezig met het vervoeren en afleveren van harddrugs. Daarnaast was verdachte de gebruiker van dealtelefoons van [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] . Via de deallijn had hij contact met afnemers en maakte afspraken. Hij was daarmee een belangrijk en onmisbaar onderdeel in de organisatie.
Dat de bijdrage die verdachte heeft geleverd beperkt is gebleven tot die van een doorsnee straatdealer, zoals de raadsvrouw van verdachte heeft geopperd, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De werkzaamheden van verdachte bleven namelijk niet beperkt tot het beantwoorden van een dealtelefoon en het afleveren van verdovende middelen. Zoals hiervoor is overwogen, zijn in de woning van verdachte niet alleen mobiele telefoons, maar ook een notitie aangetroffen, die van vitaal belang was voor de continuïteit van de organisatie.
Het is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat dergelijke belangrijke informatie slechts bij/door prominente leden van de organisatie wordt bewaard en niet door een doorsnee straatdealer. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte meer verantwoordelijkheid droeg dan een gemiddelde straatdealer.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan een crimineel samenwerkingsverband met, onder meer, medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] . Die bijdrage is naar het oordeel van de rechtbank van voldoende intensiteit en duur om verdachte aan te merken als deelnemer van de organisatie. Het bewijs van het opzet van verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen over de rol van de verdachte is overwogen.
Pleegperiode
De rechtbank is van oordeel dat verdachte in de periode van 25 augustus 2021 tot en met 9 december 2021 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.
Voor de periode voorafgaand aan 25 augustus 2021 bevat het dossier – net als ten aanzien van de verdenking van betrokkenheid bij de handel in harddrugs – onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Zoals hiervoor overwogen met betrekking tot de handel in harddrugs, stelt de rechtbank vast dat verdachte vanaf 25 augustus 2021 tot en met 9 december 2021 dealactiviteiten heeft verricht voor [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] . Dit is het oogmerk van de criminele organisatie waaraan verdachte heeft deelgenomen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

in de zaak met parketnummer 01.018712.22:

1
in de periode van 25 augustus 2021 tot en met 9 december 2021 te Eindhoven en Helmond,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid, Opiumwet;
2
in de periode van 25 augustus 2021 tot en met 9 december 2021 te Eindhoven en Helmond,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk
heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, en
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde heroïne en cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

in de zaak met parketnummer 01.268807.22:

op 25 augustus 2021 te Eindhoven,
opzettelijk
heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd,
1,92 gram van een materiaal bevattende cocaïne, en
3,61 gram van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en heroïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten en van verdachte.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Het bepalen van de straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf van 365 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 195 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarmee staat het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf van 60 uren gevorderd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Bij een bewezenverklaring heeft de raadsvrouw verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt. In het geval van een voorwaardelijk strafdeel heeft de raadsvrouw verzocht om te volstaan met een proeftijd van één jaar, zonder bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende ruim drie maanden schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met het overtreden van de Opiumwet. In die periode heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en heroïne.
Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd de rechtsorde ernstig en ontoelaatbaar ondermijnt. Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden. Het gaat hier om een professionele drugsorganisatie, waarbij plegen van strafbare feiten
‘business as usual’was. De organisatie heeft het drugsgebruik van veel afnemers gefaciliteerd in de omgeving van Eindhoven en Helmond. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en dat gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de handel in verdovende middelen is bovendien algemeen bekend dat deze steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld uit eigen financieel gewin.
Verdachte fungeerde vooral op uitvoerend niveau, maar zijn rol oversteeg wel die van een doorsnee straatdealer en hij had een onmisbare functie binnen de organisatie.
Samenloop van de feiten
Ten aanzien van het onder beide parketnummers bewezenverklaarde – kort gezegd – handelen in harddrugs is sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr. Het bewezenverklaarde levert een zodanig samenhangend en op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet uiteenloopt.
Ten aanzien van het handelen in harddrugs en de deelname aan een criminele drugsorganisatie is geen sprake van eendaadse samenloop. De strekking van beide strafbepalingen loopt uiteen en voor deze feiten geldt niet dat deze zodanig samenhangend zijn dat daarvan verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten. Wel zijn de bewezenverklaarde feiten gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling. Die veroordeling heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Dit is in strafverzwarende zin meegenomen bij het bepalen van de strafmaat en -soort.
De rechtbank houdt rekening met de recente veroordeling van verdachte, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is. Dat wil echter niet zeggen dat de rechtbank zich moet afvragen hoe zij gestraft zou hebben als de nieuwe feiten samen met de al afgedane strafbare feiten zouden zijn berecht. Artikel 63 Sr schrijft de strafrechter slechts voor dat de rechtbank de verplichting heeft om het toepasselijke strafmaximum in acht te nemen dat aan de orde zou zijn geweest als beide zaken tegelijkertijd en gevoegd zouden zijn behandeld.
Wel houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten nét meerderjarig. De rechtbank ziet, gelet op het advies van de reclassering en het onderzoek ter terechtzitting, echter geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen.
In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte – ondanks zijn jeugdige leeftijd – een belangrijke rol vervulde binnen de criminele organisatie en dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.
Redelijke termijn
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, nu het eindvonnis (29 januari 2026) niet binnen zestien maanden na de inverzekeringstelling van verdachte (24 januari 2022) wordt uitgesproken. Aangezien de overschrijding niet (volledig) aan de verdediging kan worden toegerekend, brengt dit de rechtbank tot een andere strafmodaliteit.
Oplegging van straf
Waar de rechtbank zonder overschrijding van de redelijke termijn een langere onvoorwaardelijke gevangenisstaf passend en geboden had geacht, zal de rechtbank nu – alles afwegende – een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (170 dagen). Daardoor hoeft verdachte – conform de standpunten van de officier van justitie en de verdediging – niet meer terug naar de gevangenis. De rechtbank acht een forse voorwaardelijke gevangenisstraf van 190 dagen met een proeftijd van twee jaren aangewezen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Voor een proeftijd voor één jaar ziet de rechtbank geen aanleiding. Om de aard en ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen zal de rechtbank daarnaast een taakstraf van 120 uren opleggen.
De rechtbank legt een zwaardere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.
Voorlopige hechtenis.
Nu verdachte op dit moment geen gevangenisstraf meer hoeft te ondergaan, zal de rechtbank het tegen verdachte verleende (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.
Beslag.
Onder verdachte zijn drie voorwerpen in beslag genomen, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen van 21 oktober 2025.
De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geld vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat dit geld aan verdachte toebehoorde of geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en dit geldbedrag geheel of grotendeels door middel van het onder parketnummer 01.268807.22 bewezenverklaarde feit is verkregen.
Ten aanzien van de usb-sticks die staan vermeld op de beslaglijst van 21 oktober 2025 merkt de rechtbank op dat het procesdossier geen kennisgeving van inbeslagname of een ander stuk bevat waaruit blijkt dat en onder welke omstandigheden deze usb-sticks onder verdachte zijn aangetroffen. Het procesdossier vermeldt wel dat twee usb-sticks zijn aangetroffen tijdens een doorzoeking van de woning aan de [adres 2] in Eindhoven, maar dat betreft de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] . Bij deze stand van zaken zal de rechtbank bevelen dat de usb-sticks zullen worden geretourneerd aan de als redelijkerwijs aan te merken rechthebbende.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 55, 57, 63 Wetboek van Strafrecht;
2, 10, 11b Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het onder parketnummer 01.018712.22 als feit 1 en feit 2 en het onder parketnummer 01.268807.22 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. 01.018712.22 feit 1:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van de Opiumwet
t.a.v. 01.018712.22 feit 2, 01.268807.22:
eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen:
t.a.v. 01.018712.22 feit 1, 01.018712.22 feit 2, 01.268807.22:
- een
gevangenisstrafvoor de duur van 360 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht (door de rechtbank vastgesteld op 170 dagen),
waarvan 190 dagen voorwaardelijken een proeftijd van 2 jaren;
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
- een
taakstrafvoor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis;
de
verbeurdverklaringvan 247,52 EUR (omschrijving: PL2100-2021188665-G1839568 / 247,52 euro / ibg 25-08-2021).
De rechtbank
beveelt de teruggaveaan de als redelijkerwijs aan te merken rechthebbende van de volgende inbeslaggenomen goederen:
  • 1 STK USB-stick (memorykaart) (omschrijving: PL2100-2022004640-1893565, ZWART, merk: Icucu 16GB);
  • 1 STK USB-stick (memorykaart) (omschrijving: PL2100-2022004640-1893587, Zwart, merk: Take Ms).
Voorlopige hechtenis:
De rechtbank heft op het tegen verdachte verleende (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.E. Bartels, voorzitter,
mr. W.M.T. Keukens en mr. C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 29 januari 2026.