Uitspraak
datum : 30 juni 2026
beschikking op een verzoek tot opheffing van bewind
[naam] ,
procedure
- het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 10 april 2026;
- de e-mailberichten van betrokkene, ontvangen op 10 mei, 13 mei, 3 juni en 15 juni 2026;
Rechtbank Oost-Brabant
Betrokkene verzocht de rechtbank om het bewind op te heffen omdat hij meent zijn financiën zelfstandig te kunnen beheren en zijn situatie voldoende is verbeterd. Hij erkent eerdere financiële problemen, maar toont op de zitting contant geld als bewijs van zijn spaarvermogen en verklaart aan zichzelf te hebben gewerkt, onder meer door het stoppen met traumatherapie en het overwegen van cognitieve gedragstherapie.
De bewindvoerder is het niet eens met het verzoek en stelt dat betrokkene nog onvoldoende financieel zelfredzaam is. Zij wijst op psychische onrust, herhaalde verzoeken om extra leefgeld, het afsluiten van leningen zonder haar medeweten en het niet ontvangen van een erfdeel. Zij wil betrokkene beschermen en pleit voor een zelfstandigheidstraject.
De kantonrechter overweegt dat hoewel betrokkene stappen heeft gezet en zich bewust met zijn financiën bezighoudt, de zorgen van de bewindvoerder niet zijn weggenomen. Er is onvoldoende bewijs dat betrokkene zijn financiële belangen duurzaam zelfstandig kan behartigen. Betrokkene stemt in met een traject van zes maanden om zijn zelfstandigheid te bewijzen.
De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing af en acht het in het belang van betrokkene dat eerst het zelfstandigheidstraject wordt afgerond. De schadeclaim wordt eveneens afgewezen omdat niet is gebleken dat de bewindvoerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Betrokkene heeft zelf verklaard dat de samenwerking goed verloopt en dat beschuldigingen waren bedoeld om onder het bewind uit te komen.
Uitkomst: Verzoek tot opheffing bewind afgewezen en zelfstandigheidstraject van zes maanden opgelegd; schadeclaim afgewezen wegens gebrek aan bewijs.