ECLI:NL:RBOBR:2026:4752

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
01.042924.22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van StrafrechtArt. 14c Wetboek van StrafrechtArt. 22c Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen oplichting door valse hoedanigheid en listige kunstgrepen

Op 1 oktober 2021 heeft verdachte samen met anderen een bedrijf opgelicht door zich voor te doen als bonafide transporteur en onder valse voorwendselen 12 pallets met sneakers ter waarde van circa 200.000 euro te laten laden en weg te maken. Verdachte regelde het transport, gaf aanwijzingen aan de chauffeur en was betrokken bij het overladen van de goederen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte met listige kunstgrepen en het aannemen van een valse hoedanigheid het bedrijf heeft bewogen tot afgifte van de sneakers. De verdediging stelde dat verdachte dacht iemand te helpen verhuizen, maar dit werd door de rechtbank niet geloofd. De rechtbank concludeerde dat verdachte bewust handelde met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen.

De rechtbank legde een taakstraf van 160 uren op, subsidiair 80 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 160 uur taakstraf en 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens medeplegen van oplichting.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.042924.22
Datum uitspraak: 06 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 mei 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 juni 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 oktober 2021te Veldhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/ofdoor listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels[bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van 12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro) door:- (onder valse voorwendselen)een vrachtwagen/trekker met oplegger te regelen en/of- (met) die vrachtwagen/trekker met oplegger het terrein van [bedrijf 1] op te (laten) rijden en/ofcontact te (laten) zoeken met een medewerker op het terrein en/ofdeze vrachtwagen/trekker met oplegger te (laten) parkeren aan een dok (waar goederen worden geladen) en/of- medewerkers van [bedrijf 1] pallets met sneakers in de oplegger te laten laden en/of- een vrachtbrief (CMR) te (laten) ondertekenen, waarin valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen werden opgehaald door [bedrijf 2] en/of- zich aldus (overeenkomstig de gebruikelijke bedrijfsprocessen voor het laden en lossen binnen [bedrijf 1] ) voor te doen als een bonafide transporteur welke (dagelijks) in opdracht van [bedrijf 1] sneakers, althans goederen, komt laden en transporteren
subsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten deleaan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomenmet het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
meer subsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven en/of Engelen en/of ’s-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,terwijl hij tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie is van oordeel dat sprake is van oplichting en een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) . Door een onjuiste voorstelling van zaken zijn medewerkers van [bedrijf 1] (hierna ook: [bedrijf 1] ) bewogen tot de afgifte van de sneakers.
Verdachte heeft een initiërende rol gespeeld bij het regelen van het transport en heeft actief meegeholpen bij het overladen van de buit in Engelen. Verdachte heeft het adres in Veldhoven aan chauffeur [medeverdachte] gegeven, hij heeft zijn Caddy bij een tankstation naast de A2 achtergelaten, hij is bewust uit het zicht achterin de cabine van de vrachtwagen gaan zitten en hij heeft [medeverdachte] de weg gewezen naar een loods op het bedrijventerrein in Veldhoven en wist in welk dock ze moesten zijn. Verdachte wist wel degelijk waar hij mee bezig was.
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij was ingeschakeld om iemand te verhuizen. Bij hem hadden al snel de alarmbellen moeten gaan rinkelen, toen de Caddy werd achtergelaten, verdachte en de andere inzittende, [betrokkene 1] , achterin uit het zicht in de vrachtwagen zijn gaan zitten, hij naar een loods in Veldhoven in plaats van Berlicum moest rijden, en zeker op het moment dat hij de dozen met schoenen op de pallets zag staan. Op dat moment moet [medeverdachte] hebben geweten dat hij ingezet was voor criminele zaken. Hij koos er niet voor om vragen te stellen, weg te gaan of de politie te bellen, wat hij wel had moeten doen. Hij ging door en vervulde een actieve rol. Hij liet zijn oplegger laden met de sneakers, tekende een vrachtbrief af waarop stond dat hij van [bedrijf 2] was, vertrok naar de locatie waar werd overgeladen en hielp toen ook mee.
Dit alles maakt dat hier sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten. Het primair ten laste gelegde, medeplegen van oplichting, kan aldus de officier van justitie, bewezen worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en daartoe onder meer het volgende aangevoerd.
Verdachte was in de veronderstelling dat hij iemand hielp met verhuizen.
Wanneer alle verklaringen, onderzoeksbevindingen en objectieve gegevens in onderlinge samenhang worden beschouwd, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte wetenschap had van een oplichting van [bedrijf 1] dan wel van een diefstal van de pallets met sneakers. Uit het dossier volgt hooguit dat verdachte betrokken is geweest bij het regelen van transport en aanwezig is geweest bij onderdelen van het logistieke proces.
Dat is echter onvoldoende om te kunnen spreken van oplichting of diefstal.
Ook kan niet worden bewezen dat sprake is van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is geweest.
Voor een bewezenverklaring van opzetheling of schuldheling moet worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van de goederen wist, of redelijkerwijs moest vermoeden, dat de goederen door misdrijf afkomstig waren.
Verdachte wist niet dat de goederen afkomstig waren van misdrijf. Hij was in de veronderstelling iemand te verhuizen. Voor zover verdachte gedurende de dag vragen kreeg bij hetgeen zich afspeelde, geldt dat een achteraf ontstaan vermoeden niet gelijk kan worden gesteld aan de wetenschap of het redelijkerwijs moeten vermoeden op het moment van het verwerven of voorhanden krijgen van de goederen.
Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage.

Bewijsoverweging

Vaststelling van de feiten.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
Verdachte heeft via de telefoon van zijn toenmalige vriendin [betrokkene 2] contact gezocht met [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ), mede-eigenaar van [bedrijf 3] . Hij heeft haar gevraagd een vrachtwagen ter beschikking te stellen voor een verhuizing. In eerste instantie gaf verdachte aan dat hij zelf kon rijden, maar dat wilde [betrokkene 3] niet.
[betrokkene 3] heeft vervolgens [medeverdachte] gevraagd op 1 oktober 2021 met een vrachtwagen te rijden ten behoeve van de veronderstelde verhuizing.
Op 1 oktober 2021 zijn verdachte en [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) naar het bedrijf van [bedrijf 3] in Waalwijk gekomen, met een blauwe Volkswagen Caddy.
Verdachte is bij [medeverdachte] in de vrachtwagen gestapt. Op aanwijzen van verdachte is [medeverdachte] richting Eindhoven gereden. [betrokkene 4] is met de Caddy voor de vrachtwagen uitgereden. Bij een tankstation, ter hoogte van Boxtel, moest [medeverdachte] van verdachte stoppen. De Caddy is daar ook gestopt. [betrokkene 4] is bij het tankstation in de vrachtwagen gestapt, waarbij de Caddy bij het tankstation is achtergebleven.
Verdachte en [betrokkene 4] zijn achterin de cabine van de vrachtwagen gaan zitten, buiten het zicht van derden.
Tijdens de rit heeft [medeverdachte] van verdachte en [betrokkene 4] het adres in Veldhoven gekregen.
[medeverdachte] is met verdachte en [betrokkene 4] naar Veldhoven gereden, naar het bedrijventerrein waar [bedrijf 1] gevestigd is. Bij dit bedrijf komen dagelijks twee vrachtwagens, één van [bedrijf 4] en één van [bedrijf 2] om lading op te halen. Op sommige dagen komt een vrachtwagen om een tweede lading voor [bedrijf 2] op te halen. Op die bewuste dag waren er reeds één vrachtwagen voor [bedrijf 4] en één vrachtwagen van [bedrijf 2] geweest om lading op te halen.
Ter plaatse heeft [medeverdachte] , op aanwijzen van verdachte en [betrokkene 4] , de vrachtwagen in een laaddock van het bedrijf [bedrijf 1] gereden en de achterklep van de vrachtwagen geopend. Er stonden pallets met sneakers klaar die daarop in de vrachtwagen zijn geladen door medewerkers van [bedrijf 1] , overeenkomstig de gebruikelijke werkwijze. Tijdens het inladen zijn verdachte en [betrokkene 4] niet buiten de cabine geweest. Nadat de medewerkers van het bedrijf de pallets hebben ingeladen, heeft [medeverdachte] de achterdeur van de vrachtwagen gesloten. [medeverdachte] heeft een vrachtbrief afgetekend, waarop in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen door [bedrijf 2] zouden zijn opgehaald.
De vrachtwagen is daarop vertrokken en op aanwijzen van verdachte en [betrokkene 4] naar de [adres 2] in ’s-Hertogenboch (Engelen) gereden. Daar hebben verdachte en [betrokkene 4] de sneakers overgeladen in een Volkswagen Crafter.
De rechtbank stelt met betrekking tot de rol van verdachte vast dat verdachte een initiërende rol heeft gehad door het transport te regelen, dat hij daarover veelvuldig contact heeft gehad met [betrokkene 4] , dat verdachte op de hoogte was van het adres van [bedrijf 1] en dit adres ook heeft doorgegeven aan [medeverdachte] , dat de Caddy van verdachte zonder goede reden bij het tankstation is achtergelaten, dat verdachte en [betrokkene 4] uit het zicht achterin de cabine van de vrachtwagen zijn gaan zitten en zich bij [bedrijf 1] niet hebben laten zien, dat [medeverdachte] op aanwijzen van verdachte en [betrokkene 4] met de vracht naar ’s-Hertogenbosch is gereden en dat de sneakers daar door verdachte en [betrokkene 4] zijn overgeladen.
Op grond van deze feiten en omstandigheden vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onder valse voorwendselen het transport heeft geregeld bij [bedrijf 3] , met de bedoeling en wetenschap de lading sneakers, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, bij [bedrijf 1] te Veldhoven mee te nemen en zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen.
De rechtbank acht, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, de verklaring van verdachte dat hij de vrachtwagen heeft geregeld voor een verhuizing ongeloofwaardig. Dat verdachte tegenover [betrokkene 3] en [betrokkene 2] heeft verklaard over een verhuizing, doet daar niets aan af, nu het aannemelijk is dat verdachte dit heeft verklaard om het werkelijke doel van het gebruik van de vrachtwagen, namelijk het zonder toestemming meenemen van de sneakers, te verdoezelen.
De rechtbank vindt het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, voor zover hierna bewezen is verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
op 1 oktober 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen
[bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van 12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro) door:- onder valse voorwendselen een vrachtwagen te regelen en- met die vrachtwagen het terrein van [bedrijf 1] op te laten rijden encontact te laten zoeken met een medewerker op het terrein en deze vrachtwagen te laten parkeren aan een dok (waar goederen worden geladen) en/of- medewerkers van [bedrijf 1] pallets met sneakers in de vrachtwagen te laten laden en- een vrachtbrief (CMR) te laten ondertekenen, waarin valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen werden opgehaald door [bedrijf 2] en- zich aldus overeenkomstig de gebruikelijke bedrijfsprocessen voor het laden en lossen binnen [bedrijf 1] voor te doen als een bonafide transporteur welke dagelijks in opdracht van [bedrijf 1] goederen, komt laden en transporteren.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde een taakstraf gevorderd van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van de duur van de inverzekeringstelling en een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn beperkte rol, die niet verder gaat dan het regelen van een vrachtwagen en zijn aanwezigheid bij onderdelen van het transport.
Een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou geen recht doen aan de concrete rol van verdachte.
De raadsvrouw verzoekt, bij een bewezenverklaring te volstaan met een taakstraf of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft [bedrijf 1] op een geraffineerde en brutale wijze, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opgelicht door zich voor te doen als bonafide transporteur en op deze wijze een grote hoeveelheid sneakers in een vrachtwagen te laten laden en deze sneakers weg te maken. Deze sneakers vertegenwoordigen een aanzienlijke financiële waarde. Verdachte heeft de vrachtwagen met chauffeur geregeld, is betrokken geweest bij het ophalen, vervoeren, overladen en wegmaken van de sneakers.
Een oplichting als deze corrumpeert het handelsverkeer en schaadt het maatschappelijk vertrouwen. Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van [bedrijf 1] .
Het feit heeft veel overlast en financiële schade veroorzaakt voor [bedrijf 1] . Uit het handelen van verdachte spreekt minachting voor andermans eigendom.
De rechtbank constateert dat verdachte een verklaring heeft afgelegd en enige openheid van zaken heeft gegeven, maar constateert ook dat verdachte pas is gaan verklaren nadat hij de beschikking had over het complete dossier.
Gelet op de ernst van het feit en het aandeel van verdachte in deze, acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.
De rechtbank constateert echter dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM Pro (van twee jaar), is overschreden met ruim twee jaar (uitgaande van de dag van inverzekeringstelling op 27 juni 2022 als aanvangsdatum en 6 juli 2026 als datum eindvonnis), welke overschrijding niet aan de verdediging te wijten is.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte rekening met deze overschrijding van de redelijke termijn en ziet om die reden af van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren op zijn plaats om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

De vordering.
De benadeelde partij [bedrijf 1] heeft materiële schade gevorderd, te weten 233.557 dollar (omgerekend € 203.195,--) voor de weggenomen sneakers en
€ 8.535,-- betreffende onderzoekskosten, met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van een bedrag van € 203.195,-- bepleit, met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie het opleggen van de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.
Ten aanzien van de post ‘onderzoekskosten’ heeft de officier van justitie bepleit de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze post summier is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Primair omdat de vordering niet is gedateerd, noch is ondertekend. Daarnaast blijkt uit het dossier niet op grond waarvan mevrouw [betrokkene 5] de vordering namens de rechtspersoon heeft ingediend. Een machtiging ontbreekt. Subsidiair gelet op de bepleite vrijspraak en meer subsidiair omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling.
De rechtbank constateert dat bij de vordering geen machtiging is gevoegd, waaruit blijkt dat [betrokkene 5] bevoegd is de rechtspersoon in deze strafzaak te vertegenwoordigen.
Ook na overleg met de officier van justitie enige tijd voor de zitting is er, ter terechtzitting, geen machtiging overgelegd. Het heropenen van de zaak, teneinde de benadeelde partij alsnog de gelegenheid te geven te voorzien in zo’n machtiging levert, mede in het licht van het belang van een voortvarende afdoening van de zaak en de thans reeds aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering.
De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63, 326 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Kwalificatie en strafbaarheid
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
Medeplegen van oplichting
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Straffen
legt op de volgende straffen.
 Een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht
De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.
 Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering benadeelde partij [bedrijf 1]
Bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.M. Hettinga, voorzitter,
mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. A.M. de Koning, leden,
in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,
en is uitgesproken op 06 juli 2026.