ECLI:NL:RBOBR:2026:4796

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/1342
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 5.21 OmgevingswetArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 12.27a Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning voor gebruik bijwoning in strijd met omgevingsplan

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk voor het gebruik van een bijwoning met zelfstandige voorzieningen in afwijking van het omgevingsplan voor een periode van 15 jaar. Eiseres, wonend nabij het perceel, betwistte deze vergunning en stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de relevante wet- en regelgeving, waaronder de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving. De kern van het geschil betrof de vraag of het college de vergunning terecht had verleend, met name of sprake was van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en of het bouwwerk vergunningvrij was gebouwd.

De rechtbank concludeerde dat het college bevoegd was de vergunning te verlenen voor het afwijkende gebruik van het bouwwerk, dat het bouwwerk vergunningvrij was gebouwd en dat de verkeersgeneratie en parkeersituatie geen onevenredige overlast voor eiseres opleveren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor het gebruik van de bijwoning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1342 OWBOUW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.R.R. Knarren),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk, het college

(gemachtigden: mr. B.A.A. Lucas-Jasperse en mr. S. Streppel).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [woonplaats] (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het gebruiken van een bouwwerk voor bewoning in afwijking van het omgevingsplan voor een periode van 15 jaar aan de [adres] in [woonplaats] . Eiseres, die tegenover het perceel woont, is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en heeft beroep ingesteld. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van het gebruiken van een zogeheten bijwoning met zelfstandige voorzieningen heeft kunnen verlenen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Het college heeft op 5 december 2024 een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het omgevingsplan voor het gebruiken van een bouwwerk als tijdelijke bijwoning met zelfstandige voorzieningen voor de duur van 15 jaar. Tegen deze omgevingsvergunning heeft eiseres bezwaar ingediend. Met het bestreden besluit van
1 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en vergunninghoudster. Tijdens deze zitting is ook de zaak met zaaknummer SHE 25/1316 behandeld. Dat betreft het beroep van eiseres tegen het afgewezen handhavingsverzoek.

Beoordeling door de rechtbank

Relevante wet- en regelgeving3.1. De relevante wet- en regelgeving die ten grondslag ligt aan de hierna volgende rechtsoverwegingen is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Die bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Vooraf
4.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.2.
Eiseres, wonend aan de [adres] te [woonplaats] , heeft op 17 september 2024 een verzoek tot handhaving ingediend met betrekking tot het bouwen van een tweede woning met een afzonderlijke wasruimte naast een reeds bestaande woning op het perceel [adres] te [woonplaats] . Naar aanleiding van dit handhavingsverzoek heeft de toezichthouder op 29 oktober 2024 geconstateerd dat in het bouwwerk in strijd met het omgevingsplan werd gewoond.
4.3.
Het bouwwerk is omstreeks augustus 2024 geplaatst naast het hoofdgebouw en wordt bewoond door een dochter van de buren van vergunninghoudster met haar partner.
4.4.
Op 6 november 2024 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het afwijken van de regels in het omgevingsplan.
4.5.
Het college heeft op 5 december 2024 een omgevingsvergunning verleend voor het afwijkende gebruik met een instandhoudingstermijn van 15 jaar. Als voorschrift is aan de omgevingsvergunning verbonden dat na het verstrijken van de instandhoudingstermijn van 15 jaar, de bestaande toestand moet zijn hersteld zoals deze aanwezig was vóór het verlenen van de omgevingsvergunning.
4.6.
Met het besluit van 5 december 2024 is ook besloten om een nummeraanduiding aan de bijwoning te geven, te weten [adres] in [woonplaats] .
4.7.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu gedeeltelijk uit een tijdelijk deel. De regels van het bestemmingsplan “ [adres] ” (het bestemmingsplan) maken onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan.
Aan het in geding zijnde perceel is de bestemming “Wonen” toegekend, met de functieaanduiding “specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte”.
4.8.
Niet in geschil is dat het gebruik van de bijwoning voor wonen in strijd is met het bestemmingsplan. Een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan wordt een buitenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Wanneer er sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan het college de omgevingsvergunning, gelet op artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingsplanactiviteit “bouwen”
5.1.
Eiseres stelt dat het bouwwerk niet (volledig) is vergund. Er is ook een omgevingsvergunning nodig voor de omgevingsplanactiviteit “bouwen”. Hier is namelijk geen sprake van vergunningvrij bouwen zoals het college stelt. In dat kader brengt eiseres naar voren dat het bouwplan niet voldoet aan de bouwregels van het bestemmingsplan.
5.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat de verleende omgevingsvergunning uitsluitend betrekking heeft op het planologisch niet toegestane gebruik van het bouwwerk. Er is geen vergunning voor de omgevingsplanactiviteit (ruimtelijk) bouwen aangevraagd. Dat is ook niet nodig, aldus het college, omdat het bouwwerk vergunningvrij is.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft gesteld dat vergunninghoudster alleen een aanvraag heeft ingediend voor het afwijken van regels in het omgevingsplan. Een omgevingsvergunning aanvragen en verlenen voor alleen de ruimtelijke toestemming is mogelijk, zoals volgt uit artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ter zitting heeft eiseres dit ook niet betwist.
Of voor het bouwen van de bijwoning ook een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit (ruimtelijke) bouwen nodig is, zal worden besproken in de zaak SHE 25/1316. Aan de bespreking van de beroepsgrond dat het bouwplan niet voldoet aan de bouwregels komt de rechtbank in deze procedure daarom niet meer toe.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
6.1.
Eiseres stelt verder dat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo is er sprake van een extra uitrit, die gebruikt wordt door meerdere voertuigen van de nieuwe woning. Dit leidt tot onevenredige overlast voor eiseres. Ook is er parkeeroverlast.
6.2.
Het college stelt zich hierover op het standpunt dat eiseres en vergunninghoudster gezamenlijk eigenaar zijn van het pad dat zich tussen hun woningen bevindt. De twee woningen worden ontsloten via dit pad dat leidt naar de openbare weg. Het college heeft de verkeersgeneratie van de extra bewoning onderzocht. Zoals uit het advies van het cluster verkeer van 20 februari 2026 volgt, leidt de toevoeging van de bijwoning tot een verkeersgeneratie van 1,3 tot 3,3 verkeersbewegingen per weekdag en van 1,4 tot
3,6 verkeersbewegingen per werkdag. Dit aantal verkeersbewegingen kan niet worden gezien als zodanig hoog dat daarmee onevenredige overlast voor eiseres ontstaat. Van een aparte inrit is verder geen sprake, omdat de toegang tot de bijwoning wordt verschaft door de bestaande inrit. Aan deze inrit wordt een extra parkeerplaats gerealiseerd. Er dient te worden geparkeerd op eigen terrein, zodat van parkeeroverlast niet kan worden gesproken. De vergunning is verleend in overeenstemming met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aldus het college.
6.3.
Met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, gelezen in combinatie met de begripsomschrijving van de 'buitenplanse omgevingsplanactiviteit' in de bijlage van de Ow, beschikt het college over de bevoegdheid om op grondslag van een aanvraag een omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan en die niet met toepassing van de beoordelingsregels van het omgevingsplan kan worden verleend. Het college kan de omgevingsvergunning, gelet op artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij de beoordeling van de aanvraag weegt het college de betrokken belangen af. De rechtbank oordeelt niet zelf of met het besluit over de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of dat besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan, binnen het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat het college voor het bepalen van de verkeersgeneratie gebruik heeft gemaakt van de CROW parkeerkencijfers 2024. Voor een bijwoning zijn geen specifieke kencijfers bekend, waardoor er maatwerk is toegepast voor de berekening van de totale verkeersgeneratie. Daarbij is gebruik gemaakt van een minimum en maximum verkeersgeneratie, waarbij is gerekend met de kencijfers van de verkeersgeneratie van een koopappartement van minder dan 75 m2 en een kleine eenpersoonswoning. Er is berekend dat er een te verwachten verkeersgeneratie van 1,3 - 3,3 verkeersbewegingen per weekdag en 1,4 - 3,6 verkeersbewegingen per werkdag ontstaat door de realisering van de bijwoning. Eiseres heeft de cijfers waarvan is uitgegaan niet betwist.
De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de ontwikkeling niet past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de beperkte extra verkeersgeneratie niet leidt tot een onevenredige belasting van de gedeelde weg of tot een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiseres dat van een ruimtelijk onaanvaardbare situatie moet worden gesproken. Verder zijn als voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden dat door vergunninghoudster een extra parkeerplaats op eigen terrein wordt gerealiseerd en moeten de parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig en bereikbaar blijven. Het college heeft deze voorschriften toereikend kunnen achten om parkeeroverlast te voorkomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.M.C van Og, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet
Artikel 5.11. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:|
a. een omgevingsplanactiviteit;
(…).
Artikel 5.211.Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:
a. (…);
b. de omgevingsvergunning ook kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
(…).
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.0a1. (…);
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 12.27aBij de toepassing van artikel 8.0a, tweede lid, is in ieder geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.