ECLI:NL:RBOBR:2026:4831

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
71.125359.22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen grootschalige export synthetische drugs en hypotheekfraude

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaren wegens medeplegen van grootschalige export van synthetische drugs, waaronder 1,06 en 1,07 miljoen xtc-pillen, ruim 45 kilogram MDMA en meer dan 300 kilogram ketamine, alsmede oplichting bij het verkrijgen van een hypothecaire geldlening.

Het onderzoek, gestart in april 2022 onder de naam 26Newent, maakte gebruik van veiliggestelde chatberichten via het ANOM-platform, observaties, taps en camerabeelden. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een centrale en sturende rol had in de organisatie en uitvoering van de drugstransporten en de oplichting van de bank.

Verdachte werd vrijgesproken van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen Opiumwet en witwassen wegens onvoldoende bewijs. De rechtbank wees schadevergoedingsvorderingen van benadeelden af wegens niet-ontvankelijkheid. De straf is lager dan de eis van twaalf jaren, mede vanwege vrijspraken en het tijdsverloop sinds de oplichting.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot elf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van grootschalige export van synthetische drugs en hypotheekfraude, vrijspraak voor witwassen en voorbereidingshandelingen Opiumwet.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 71.125359.22
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [1976] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1] .

1.Algemene inleiding.

Op 8 april 2022 werd onder leiding van de officier van justitie van het Landelijk Parket, Team Den Bosch, door het Cluster Synthetische Drugs van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies, een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam 26Newent.
Ten behoeve van het onderzoek werd vanuit het onderzoek 26Eagles toestemming verleend tot het gebruik van veiliggestelde chatberichten, gevoerd via het telefonie encryptie platform ANOM.
Door het onderzoeksteam 26Newent werd de informatie uit de ANOM-databerichten nader
onderzocht. Uit deze informatie bleek volgens het onderzoeksteam dat [verdachte] zich bezighield met de handel in synthetische drugs (alsook ketamine) én daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen en betalingen. Op basis van de inhoud van de genoemde ANOM-berichten, observaties, taps en camerabeelden werden lopende het onderzoek meerdere (nader te noemen) personen als (mede)verdachten aangemerkt die volgens het Openbaar Ministerie op enigerlei wijze strafbare betrokkenheid hebben gehad bij de (pre)productie en export van synthetische drugs en ketamine naar verschillende Oost- en Zuidoost-Aziatische landen.
Voor een aantal verdachten in dit onderzoek geldt dat zij (ook) worden verdacht van het plegen van oplichting en/of witwassen.
Binnen onderzoek 26Newent zijn de volgende elf personen als verdachte aangemerkt: [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] .
Dit vonnis ziet op de zaak die naar aanleiding van onderzoek 26Newent tegen [verdachte] aanhangig is gemaakt.
De rechtbank zal in dit vonnis eerst aandacht besteden aan enkele formaliteiten (hoofdstuk 2 tot en met 4), waarna zij in hoofdstuk 5 de vraag zal bespreken of de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. In hoofdstuk 6 zal de bewezenverklaring volgen en in hoofdstuk 7 de beantwoording van de vraag of dat wat bewezen is ook strafbaar is en of [verdachte] strafbaar is. In hoofdstuk 8 wordt aandacht besteed aan de vraag wat een passende straf is. Na nog een hoofdstuk over de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen volgt de uitspraak.

2.Het onderzoek ter terechtzitting.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juli 2024, 28 augustus 2024, 14 november 2024, 8 januari 2025, 26 maart 2025, 11 juni 2025, 27 augustus 2025, 29 september 2025, 30 september 2025, 2 oktober 2025, 1 december 2025, 11 mei 2026, 12 mei 2026, 18 mei 2026 en 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: het Openbaar Ministerie) en van hetgeen van de zijde van [verdachte] naar voren is gebracht.

3.De beschuldigingen in de tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 mei 2024. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 januari 2026 is gewijzigd, is aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort en zakelijk weergegeven:
het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of opzettelijk aanwezig hebben van 1,07 miljoen pillen MDMA, 1,06 miljoen pillen MDMA en 45.592 gram MDMA, in de periode van 14 augustus 2022 tot en met 15 maart 2024 te Rotterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of een of meer (overige) plaatsen in Nederland;
het medeplegen van het zonder registratie opzettelijk bereiden en/of invoeren en/of in voorraad hebben en/of verkochten en/of afgeleverd en/of uitgevoerd en/of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen, dan wel in ketamine een groothandel drijven van 102, 104 en 108 kilo ketamine, in de periode van 10 februari 2021 tot en met 3 oktober 2022, in dezelfde plaatsen als onder 1 ten laste is gelegd;
het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van en handel in synthetische drugs, in de periode van 19 juli 2020 tot en met 8 april 2024 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Tilburg en/of Breda en/of Waalwijk en/of een of meer (overige) plaatsen in Nederland;
het medeplegen van witwassen, op of omstreeks 8 april 2024 te Rotterdam;
het medeplegen van het opzettelijk vervoeren van ongeveer 50 kilo MDMA, in de periode van 5 augustus 2020 tot en met 6 augustus 2020 te Heerlen en/of Rotterdam en/of een of meer (overige) plaatsen in Nederland;
primair het medeplegen van oplichting, in de periode van 8 augustus 2017 tot en met 8 juni 2018 te Rotterdam, subsidiair het medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals en/of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, in dezelfde periode en in dezelfde plaats als primair ten laste is gelegd.
De volledige tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

4.De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en het Openbaar Ministerie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

5.De beslissingen over het bewijs.

5.1.
Enkele opmerkingen vooraf.
In dit hoofdstuk zal de rechtbank beoordelen of zij de in de tenlastelegging neergelegde beschuldigingen tegen [verdachte] wettig en overtuigend bewezen acht.
Vanwege redenen van efficiëntie zal de rechtbank allereerst stilstaan bij de identificatie van de gebruikers van de ANOM-accounts.
Vervolgens zal de rechtbank ten aanzien van de verschillende in de tenlastelegging neergelegde beschuldigingen de bewijsvraag bespreken. De verdenkingen en bijbehorende zaaksdossiers zullen per deelhoofdstuk worden behandeld. Daar waar de verdenkingen in hetzelfde zaaksdossier wortelen, zullen deze in chronologische volgorde worden besproken.
Bij de bespreking van de bewijsvraag zal de rechtbank telkens eerst het standpunt van het Openbaar Ministerie en de verdediging weergeven. Daarna zal het oordeel van de rechtbank worden uiteengezet. Als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, zullen de redengevende feiten en omstandigheden worden vervat in de in een bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen. Die zal dan als bijlage II aan dit vonnis worden gehecht en maakt dan deel uit van het vonnis.
Ten behoeve van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van het vonnis zal de rechtbank bij de bespreking van de feiten telkens (enkel) de achternaam van de specifieke verdachte weergeven. Met [verdachte] wordt telkens [verdachte] bedoeld.
5.2.
Identificatie van de gebruikers van ANOM-accounts in onderzoek 26Newent.
Voor de bewijsvoering komt het onder meer aan op de inhoud van het ter beschikking gekomen berichtenverkeer, gevoerd via het telefonie encryptie platform ANOM. Enkele zaaksdossiers zijn hierop volledig gestoeld. De rechtbank zal in dit deelhoofdstuk de identificaties van de gebruikers van de verschillende ANOM-accounts ten aanzien van de in het dossier vervatte chatgesprekken bespreken.
De rechtbank zal bij de verdere bespreking van de feiten, waarbij het bewijs voortvloeit uit (onder meer) het ANOM-berichtenverkeer, telkens de eigennaam van de geïdentificeerde gebruiker weergeven.
5.2.1.
[verdachte] .
ANOM-accounts [naam ANOM account 1] , [naam ANOM account 2] en [naam ANOM account 3]
In het proces-verbaal van bevindingen (identificatie
[naam ANOM account 1],
[naam ANOM account 2]en
[naam ANOM account 3]) van 19 mei 2022 zijn meerdere bevindingen uiteengezet die hebben geleid tot de identificatie van de gebruiker van de Chat-ID’s:
[naam ANOM account 1],
[naam ANOM account 2]en
[naam ANOM account 3]. Volgens de politie kan de gebruiker van voornoemde ANOM-accounts worden geïdentificeerd als [verdachte] . Deze identificatie is (uiteindelijk) in het pleidooi van de raadsman van [verdachte] niet betwist. [verdachte] heeft de vraag of de identificatie van de politie juist is geen antwoord willen geven. De rechtbank heeft in het dossier geen aanleiding gezien om aan de bevindingen van de politie met betrekking tot identificatie van [verdachte] als gebruiker van de genoemde accounts te twijfelen. De rechtbank stelt aldus vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van de voornoemde ANOM-accounts.
5.2.2.
[medeverdachte 2] .
ANOM-account [naam ANOM account 4]
In het proces-verbaal van bevindingen (identificatie [medeverdachte 2] gebruiker ANOM account
[naam ANOM account 4]) van 5 januari 2022 zijn meerdere feiten en omstandigheden beschreven waaruit kan worden afgeleid dat [medeverdachte 2] de gebruiker was van voornoemd ANOM-account. De inhoud van het betreffende proces-verbaal van bevindingen is door de verdediging ter discussie gesteld noch anderszins weersproken. Daarbij legt de op 29 september 2025 ter terechtzitting afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] eveneens gewicht in de schaal: ‘het kan kloppen dat de berichten die verstuurd werden door ANOM-account
[naam ANOM account 4]van mijn hand waren.’, verklaarde hij ten overstaan van de rechtbank. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van het bedoelde ANOM-account.
5.2.3.
[medeverdachte 1] .
ANOM-accounts [naam ANOM account 5] en [naam ANOM account 6]
In het proces-verbaal onderzoeksbevindingen (identificatie
[naam ANOM account 5]en
[naam ANOM account 6]) van 22 augustus 2022 zijn meerdere bevindingen beschreven die hebben geleid tot de identificatie van de gebruiker van de Chat-ID’s
[naam ANOM account 5]en
[naam ANOM account 6]. Volgens de politie kan de gebruiker van voornoemde ANOM-accounts worden geïdentificeerd als [medeverdachte 1] . De inhoud van het betreffende proces-verbaal van bevindingen is door de verdediging niet betwist of anderszins tegengesproken. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting van 29 september 2025 bovendien verklaard dat hij waarschijnlijk een ANOM-account tot zijn beschikking heeft gehad. ‘Het zou kunnen kloppen dat het ANOM-account
[naam ANOM account 6]aan mij toebehoorde.’, voegde hij daaraan toe. Daarnaast kwamen de met het ANOM-account
[naam ANOM account 6]verstuurde berichten naar zijn zeggen overeen met hetgeen waarmee hij zich toen bezighield. De rechtbank begrijpt dat [medeverdachte 1] daarmee goeddeels doelde op de aan hem verweten feiten. Alles bij elkaar stelt rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker was van de hiervoor genoemde ANOM-accounts.
5.2.4.
[medeverdachte 3] .
ANOM-accounts [naam ANOM account 7] en [naam ANOM account 8]
De raadsman van [medeverdachte 3] heeft zich ter terechtzitting van 19 mei 2026 – bij gelegenheid van het pleidooi – op het standpunt gesteld dat er kort gezegd te weinig concrete en individualiseerbare informatie in de aan de genoemde ANOM-accounts gekoppelde berichten is die duidelijkheid verschaffen over de persoon van de gebruiker. Op basis van de in dat verband door het Openbaar Ministerie aangehaalde gegevens kan daarom niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van de betreffende ANOM-accounts.
Bovendien ontkent [medeverdachte 3] een ANOM-account te hebben gehad.
De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
In het proces-verbaal van bevindingen (Identificatie [medeverdachte 3] als gebruiker ANOM-accounts
[naam ANOM account 7]en
[naam ANOM account 8]) van 9 januari 2024 zijn meerdere bevindingen uiteengezet die hebben geleid tot de identificatie van de gebruiker van de Chat-ID’s
[naam ANOM account 7]en
[naam ANOM account 8]. Volgens de politie is het zeer aannemelijk dat deze ANOM-accounts bij een en dezelfde persoon in gebruik zijn geweest en [medeverdachte 3] daarvan de gebruiker was. Gelet op het samenstel van de geverbaliseerde en aan [medeverdachte 3] te relateren feiten en omstandigheden, die bron vinden in voornoemd proces-verbaal, is de rechtbank van oordeel dat achter beide accounts één en dezelfde gebruiker schuilging en dat [medeverdachte 3] die gebruiker was.
Naar aanleiding van het standpunt van de verdediging merkt de rechtbank het volgende op. In beginsel zijn de genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf bezien – geabstraheerd van het geheel, zoals de raadsman bij gelegenheid van pleidooi heeft gedaan – onvoldoende om zonder meer een identificatie te construeren. Voor de identificatie moet echter niet uitsluitend naar de afzonderlijke bevindingen worden gekeken. Die moeten worden bezien in onderling verband. De rechtbank merkt verder op dat [medeverdachte 3] op geen enkel moment, ook niet nadat hem daartoe meerdere keren de gelegenheid werd geboden, tekst en uitleg heeft gegeven. Zijn steeds weerkerende antwoord was: ‘ik verwijs naar mijn advocaat’, waarna er verder het zwijgen werd toegedaan.
De rechtbank stelt al met al vast dat [medeverdachte 3] de gebruiker was van de genoemde accounts.
De raadsman van [medeverdachte 3] heeft naast het hiervoor besproken verweer tevens aangevoerd dat de lokalisatie van het toestel van [naam ANOM account 8] op 31 mei 2021 lijkt te hebben plaatsgevonden, voor de start van onderzoek 26Newent. Onderliggende stukken met betrekking tot de inzet van de IMSI-catcher zouden naar de vaststelling van de verdediging ontbreken, in die zin dat een aanvraag of bevel voor de inzet niet terug te vinden is in het dossier.
De rechtbank merkt hierover op dat de constatering van de raadsman niet (althans, niet volledig) voldoet aan de criteria van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (UOS), zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan en deze verder onbesproken zal laten.
5.2.5.
[medeverdachte 5] .
ANOM-account [naam ANOM account 9]Verspreid over het dossier is in enkele zinnen beschreven dat [medeverdachte 5] werd geïdentificeerd als de gebruiker van ANOM-account
[naam ANOM account 9]. Hieraan ligt – anders dan bij de hiervoor besproken verdachten – geen proces-verbaal van identificatie of andersoortig schriftelijk bescheid ten grondslag. Het Openbaar Ministerie heeft ter terechtzitting van 12 mei 2026 bevestigd dat die stukken zich niet in het dossier bevinden en daar desgevraagd de redenen voor gegeven. Dat laat echter onverlet dat de rechtbank niet kan vaststellen dat het bedoelde account in gebruik was bij een en dezelfde gebruiker en – nog belangrijker – evenmin kan vaststellen dat [medeverdachte 5] de gebruiker is geweest van dat account.
5.3.
Zaaksdossier 03 (Export 1.07 miljoen XTC-pillen).
5.3.1.
Inleiding.
Onder feit 1 op de dagvaarding is de kern van het verwijt dat [verdachte] zich in de periode van 14 augustus 2020 tot en met 15 maart 2024 samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van drie partijen xtc. De rechtbank bespreekt eerst in deze paragrafen de export 1.07 miljoen (xtc) pillen, bevattende MDMA.
5.3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de ANOM-communicatie blijkt dat [verdachte] de organisator en opdrachtgever van de export van 1,07 miljoen xtc-pillen was, zodat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
5.3.3.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5.3.4.
Het oordeel van de rechtbank.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich in de periode van 14 augustus 2020 tot en met 10 oktober 2020 hebben beziggehouden met het organiseren van een transport van circa 1,07 miljoen pillen (xtc) bevattende MDMA, verzonden door middel van luchtvracht vanaf luchthaven Schiphol naar de luchthaven van Kuala Lumpur in Maleisië. De xtc-pillen werden verstopt in een lading boorkopjes. De bevindingen over de organisatie, uitvoer en realisatie van deze export zijn goeddeels gestoeld op ANOM-communicatie, gevoerd tussen ANOM-accounts waarvan de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat deze werden gebruikt door [verdachte] en [medeverdachte 1] .
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 1] daar als medepleger (mede) voor verantwoordelijk waren én dat zij wetenschap hadden van het feit dat de betreffende pillen naar Maleisië zouden worden geëxporteerd.
5.3.5.
De conclusie.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de export van 1,07 miljoen xtc-pillen, zoals hierna in hoofdstuk 6 bewezen zal worden verklaard.
5.4.
Zaaksdossier 01 (1,06 miljoen XTC-pillen)
5.4.1.
Inleiding.
Onder feit 1 op de dagvaarding wordt [verdachte] voorts verweten dat hij zich in de periode van 14 augustus 2020 tot en met 15 maart 2024 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 1,06 miljoen xtc-pillen.
5.4.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring, nu uit de (ANOM) communicatie is gebleken dat [verdachte] de organisator en opdrachtgever was voor de export van 1,06 miljoen xtc-pillen.
5.4.3.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5.4.4.
Het oordeel van de rechtbank.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] zich binnen de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van een zeer grote hoeveelheid xtc-pillen (1,06 miljoen) naar Maleisië. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] een centrale en sturende rol heeft vervuld bij de organisatie en uitvoering van het betreffende transport. [verdachte] onderhield contacten met betrokkenen, gaf aanwijzingen over de wijze waarop de uitvoer diende plaats te vinden en nam beslissingen over de bestemming en logistieke afhandeling van de zending – waaraan door anderen, elk vanuit een specifieke rol, gevolg werd gegeven. Bezien vanuit dit feitencomplex kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden tegengesproken dat sprake was een nauwe en bewuste samenwerking; eenieder leverde een eigen bijdrage – al dan niet op basis van zijn expertise – aan de voorbereiding en uitvoering van het transport (van de logistieke afhandeling van de zending tot het verrichten van hand en spandiensten (lees: inpakken) in de betreffende loods). Getuige de intensiteit, de verschillende rollen die werden vervuld en duurzaamheid van deze samenwerking is genoegzaam gebleken dat sprake is van medeplegen.
5.4.5.
Conclusie.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het buiten het grondgebied brengen van 1,06 miljoen xtc-pillen naar Maleisië, zoals hierna in hoofdstuk 6 bewezen zal worden verklaard.
5.5.
Zaaksdossier 05 (Export 3 dozen XTC-pillen)
5.5.1.
Inleiding.
Onder feit 1 wordt [verdachte] tot slot verweten dat hij zich in de periode van 12 maart 2024 tot en met 15 maart 2024 samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] heeft schuldig gemaakt aan het exporteren van 45.592 gram MDMA naar Maleisië.
5.5.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van de verlengde export van deze partij MDMA. [verdachte] heeft over deze partij gecommuniceerd via de telefoon en in persoon, voor en na het inleveren van de pakketten. Ook zijn er foto’s van verzendbewijzen en
track & tracecodes op zijn telefoons aangetroffen. Dit in combinatie met het feit dat [verdachte] en [medeverdachte 3] al geruime tijd samen bezig zijn met de export van verdovende middelen, maakt dat het Openbaar Ministerie ook de export van deze partij wettig en overtuigend bewezen acht.
5.5.3.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5.5.4.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat op 19 maart 2024 op luchthaven Schiphol drie kartonnen dozen met xtc-pillen in beslag zijn genomen. Op deze dozen stond omschreven dat er “
cocao beans” in zaten met daarbij een afleveradres in Maleisië. Zij waren op 13 maart 2024 ingeleverd bij een PostNL punt in Rotterdam. In deze dozen zaten 24 zakken met daarin blauwe gleuftabletten, met in totaal een nettogewicht van 45.592 gram. Uit onderzoek door het NFI blijkt dat alle monsters van tabletten afkomstig uit deze dozen MDMA bevatten.
Naar aanleiding van observaties in dit onderzoek ontstond het vermoeden dat deze zending met xtc-pillen toebehoorden aan verdachten uit onderzoek 26Newent. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] op 4 maart 2024 app-contact heeft met [medeverdachte 3] over een offerte en dat ‘ze’ KLM willen. [verdachte] reageert daarop dat ze de 15e willen beginnen met de bonen. Er worden op 11, 12 en 13 maart 2024 afspraken gemaakt om elkaar te treffen. Op 12 maart 2024 vindt een ontmoeting plaats tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in horecagelegenheid [bedrijf 1] aan [adres 1] in Rotterdam. Daar is OVC ingezet en door [medeverdachte 3] gesproken over cacao, het afgeven is geen probleem. Uit de berichten die zijn aangetroffen op een telefoon van [verdachte] , concludeert de rechtbank dat [verdachte] informeert naar en geïnformeerd wordt over de bonen, KLM, het treffen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] voor het overladen van de drie dozen, het moment van inleveren bij PostNL, de verzendbewijzen,
track & tracecodes en wanneer de afgifte bij PostNL is afgerond. [verdachte] heeft zicht op iedere schakel in de keten en weet wie voor welk deel verantwoordelijk is voor de uitvoering van deze verzending. Kortom, [verdachte] wist van de inhoud van de dozen, wist van de bestemming en heeft de regie over de verzending. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het buiten Nederland brengen van 45.592 gram MDMA.
5.6.
Zaaksdossier 02 (Traject Ketamine)
5.6.1.
Inleiding.
Onder feit 2 op de dagvaarding is de kern van het verwijt dat [verdachte] zich in de periode van 10 februari 2021 tot en met 3 oktober 2022 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het, zonder registratie, opzettelijk uitvoeren, dan wel buiten het grondgebied van Nederland brengen van 102, 104 en 108 kilogram ketamine. Hierbij zij opgemerkt dat de zending van 108 kilogram ketamine op 3 oktober 2022 door de douane op de luchthaven Schiphol is onderschept.
5.6.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Op de gronden zoals verwoord in het schriftelijke requisitoir heeft het Openbaar Ministerie ten aanzien van de export van 102 kilogram ketamine gerekwireerd tot een bewezenverklaring. Dat geldt eveneens voor de export van 104 kilogram ketamine: [verdachte] was de organisator van het betreffende transport en verantwoordelijk voor het verkrijgen van de ketamine, die vervolgens werd uitgevoerd. Ook ten aanzien van de export van 108 kilogram ketamine heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat die wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu kan worden geconcludeerd dat [verdachte] – gelet op zijn rol bij eerdere zendingen, de contacten met [medeverdachte 1] alsook het in zijn woning aangetroffen Proton e-mailadres (inclusief bijlagen) – ook de opdrachtgever is geweest van de genoemde export. Dat [verdachte] gedurende de periode van de bedoelde zending in het buitenland verbleef maakt zijn betrokkenheid niet anders.
5.6.3.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van [verdachte] heeft zich ten aanzien van de export van 102 en 104 kilogram ketamine gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de export van 108 kilogram ketamine heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu het belastend materiaal tegen [verdachte] – bij elkaar – onvoldoende is om te komen tot de vaststelling dat [verdachte] betrokkenheid had bij dit transport.
5.6.4.
Het oordeel van de rechtbank.
5.6.4.1.
Algemene overweging.
Niet ter discussie staat dat binnen de ten laste gelegde periode 102 en 104 kilogram ketamine is geëxporteerd naar Taiwan. Evenmin is in geding dat op 3 oktober 2022, op luchthaven Schiphol, door de douane 108 kilogram ketamine is onderschept. Deze had – wederom – Taiwan als bestemming.
5.6.4.2.
Export van 102 en 104 kilogram ketamine
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen – die bron vinden in de verschillende persoonsdossiers (met betrekking tot de identificatie van de ANOM-accounts) en zaaksdossier 2 – af dat [verdachte] als opdrachtgever en organisator (met anderen) betrokken is geweest bij de export van 102 en 104 kilogram ketamine naar Taiwan. De rechtbank acht die delen van het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
5.6.4.3.
Betrokkenheid bij de partij van 108 kilogram ketamine.
Uit de bewijsmiddelen – in het bijzonder de in het zaaksdossier weergegeven en beschreven observaties – volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 20 juli 2022 én 24 augustus 2022 – nádat zij samen het terrein bij de loods aan [adres 5] te Rotterdam verlieten – de woning van [verdachte] te Rotterdam bezochten. Afgaande op de ter terechtzitting van 29 september 2025 afgelegde verklaring van [medeverdachte 1] (‘Een paar jaren geleden ben ik in de woning van de heer [verdachte] geweest. (…) Ik kwam wel eens op bezoek bij [verdachte] .’) vond die beide keren daadwerkelijk een ontmoeting plaats met [verdachte] . Nadien werden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] nog meerdere keren, telkens in elkaars gezelschap, door de politie gezien bij de loods aan [adres 5] te Rotterdam. Ook op 3 oktober 2022 bevonden zij zich in de loods – op de dag en (rondom) het tijdstip waarop de lading ketamine door middel van een bestelbus bij de loods werd opgehaald, naar luchthaven Schiphol werd vervoerd en later door de douane werd onderschept. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben beiden op voornoemde terechtzitting verklaard dat zij ten behoeve van de export van 108 kilogram ketamine in de betreffende loods inpakwerkzaamheden hebben verricht; [medeverdachte 2] heeft hiervoor € 2000,00 ontvangen. Overigens heeft [medeverdachte 2] ook verklaard dat hij eerder – ten tijde van de export van 1,06 miljoen xtc-pillen – inpakwerkzaamheden heeft verricht met dito verdiensten. Ook [medeverdachte 1] was daar – naast de eerdere export van 1,07 miljoen xtc-pillen – bij betrokken. [verdachte] was (telkens) verantwoordelijk voor die transporten, zoals hiervoor reeds door de rechtbank is besproken.
In het voorgaande zijn redenen gelegen waarom de rechtbank van oordeel is dat [verdachte] ook verantwoordelijk was voor de export van 108 kilogram ketamine. De hiervoor beschreven gang van zaken past immers bij de eerdere transporten van synthetische drugs (MDMA) waarbij [verdachte] , samen met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] (en anderen), als opdrachtgever betrokken is geweest. Hoewel de fysieke ontmoetingen tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] kennelijk niet louter een ‘zakelijk’ karakter droegen, valt binnen onderhavig zaaksdossier met name op dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beide keren in gezamenlijkheid [verdachte] hebben bezocht. Niet is gebleken dat [medeverdachte 2] een vriendschappelijke relatie met [verdachte] onderhield, zodat de samenstelling van het bezoek aan [verdachte] in het oog springt. Daarbij komt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , op 24 augustus 2022, nog voor hun ontmoeting met [verdachte] , op het terrein van [adres 5] zijn gezien – het terrein van de loods waarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ten behoeve van de export van 108 kilogram ketamine inpakwerkzaamheden hebben verricht. De rechtbank betrekt daarbij ook dat de gebruikmaking van deklading, de inhoud daarvan (vis, dan wel krab), de hoeveelheid ketamine (108 kilogram) en de voorgenomen bestemming daarvan (Taiwan) overeenkomt met de eerdere, hiervoor besproken geëxporteerde ladingen ketamine (102 en 104 kilogram) waarbij [verdachte] als opdrachtgever en initiatiefnemer betrokkenheid had.
Naast de hiervoor beschreven overeenkomsten met eerdere transporten en de ontmoetingen bij [verdachte] thuis is er ook concreet bewijs dat [verdachte] aan het transport van 108 kilogram ketamine linkt. Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] is een papier aangetroffen met daarop genoteerd een e-mailadres met bijbehorend wachtwoord, waarop (na veiligstelling) een e-mailbericht stond inclusief bijlagen. Die bijlagen bevatten onder meer een luchtvrachtbrief (
airwaybill) van 3 oktober 2022 – zijnde de datum waarop de 108 kilogram bij de loods werd opgehaald, naar luchthaven Schiphol werd vervoerd en aldaar werd onderschept. Dat laatste houdt dan weer verband met het eveneens in de genoemde bijlagen aangetroffen stopzetting van de douane. Getuige de luchtvrachtbrief betrof de inhoud van de vracht levende krab, met als eindbestemming Taiwan. Als aanbieder van deze vracht stond genoemd: [bedrijf 2] te Rotterdam. Dat bedrijf stond op naam van mevrouw [naam 1] , eerder binnen onderzoek 26Newent als verdachte aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat de betreffende loods is gehuurd op naam van [bedrijf 2] . Mevrouw [naam 1] wist van niets, zo blijkt uit haar politieverhoor. Blijkens eerdere zendingen gaf [verdachte] aan [medeverdachte 3] – hoewel laatstgenoemde in dit zaaksdossier niet als verdachte is aangemerkt – opdracht de logistieke aspecten van de export te initiëren. Een dergelijke modus operandi – de gebruikmaking van een op naam van een ander staand bedrijf om deklading aan te kopen, overige betalingen te verrichten en met (expeditie)bedrijven te corresponderen – is ook bij de export van 108 kilogram ketamine gehanteerd.
Alles overwegende heeft de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat [verdachte] als opdrachtgever, net als de eerdere zendingen, (met anderen) betrokken is geweest bij de export van 108 kilogram ketamine, met als bestemming Taiwan. Op grond van de bewijsmiddelen volgt tevens genoegzaam dat [verdachte] dit feit in vereniging met anderen heeft gepleegd.
5.6.4.4.
Uitvoer van 108 kilogram ketamine.
Voor de export van deze partij van 108 kilogram ketamine geldt dat de ten laste gelegde uitvoer van ketamine niet bewezen kan worden verklaard, nu de lading met 108 kilogram ketamine op luchthaven Schiphol is onderschept nog voordat deze Nederland had verlaten. De ketamine is dus niet daadwerkelijk uitgevoerd. De rechtbank merkt in dit verband op dat de Geneesmiddelenwet, anders dan de Opiumwet, geen afzonderlijke strafbaarstelling van ‘verlengde uitvoer’ kent. Dat betekent [verdachte] wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde ‘uitvoer’ en van het ‘anderszins buiten het grondgebied van Nederland brengen’.
5.6.4.5.
In voorraad hebben.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat [verdachte] , zonder registratie, opzettelijk 108 kilogram in voorraad heeft gehad. [verdachte] kon de feitelijke macht over de ketamine uitoefenen doordat hij er – niettegenstaande zijn fysieke afwezigheid in de loods – als opdrachtgever over kon beschikken.
5.6.5.
De conclusie.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] als medepleger, zonder registratie, opzettelijk 108 kilogram ketamine in voorraad heeft gehad, zoals hierna in hoofdstuk 6 bewezen zal worden verklaard.
5.7.
Zaaksdossier 04 (Voorbereidingshandelingen Opiumwet).
5.7.1.
Inleiding.
Onder feit 3 op de dagvaarding wordt [verdachte] verweten dat hij zich in de periode van 19 juli 2020 tot en met 8 april 2024 samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het voorbereiden of bevorderen van Opiumwetfeiten. De feitelijke verwijten zien – verkort weergegeven - op het voorhanden hebben van cryptotelefoons, het communiceren daarmee en het hebben van ontmoetingen waarbij is gesproken over grondstoffen voor en productie van synthetische drugs, de handel daarin en opbrengstpercentages en geldstromen daarvan. Daarnaast bestaan de feitelijke verwijten uit het verwerven en voorhanden hebben van hiervoor bedoelde grondstoffen, het omzetten daarvan, het huren en ter beschikking hebben van een loods (aan [adres 2] te Ter Aar), het onderhouden van contact met laboranten, transporteurs en/of expediteurs en het regelen en verzendklaar maken van dekladingen.
In het navolgende zal eerst het standpunt van het Openbaar Ministerie worden weergegeven, daarna dat van de verdediging. De rechtbank zal daarna eerst stilstaan bij de reikwijdte van de verdenking, waarna zij het te hanteren juridisch kader zal opnemen, om vervolgens per verweten handeling te beoordelen of die op zichzelf bewijsbaar is en zo ja, of deze, getoetst aan het juridische kader, ook een voorbereidingshandeling betreft als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Daarna zal de rechtbank conclusies trekken.
5.7.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit.
Daartoe heeft het Openbaar Ministerie – verkort weergegeven – aangevoerd dat uit observaties en meerdere opgenomen gesprekken op openbare plaatsen en in de auto van [medeverdachte 1] kan worden vastgesteld dat [verdachte] zich bezighoudt met het verwerven van grondstoffen voor de productie van synthetische drugs en deze afzet aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , die er op hun beurt voor zorgen dat deze grondstoffen worden omgezet in synthetische drugs. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben contacten met laboranten. Een deel van de geproduceerde drugs, met name MDMA, zou worden teruggeleverd aan [verdachte] , die deze middelen vervolgens exporteert. Het Openbaar Ministerie ziet [medeverdachte 1] als de rechterhand van [verdachte] . Zij hebben veelvuldig contact, hij rijdt [verdachte] naar ontmoetingen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en voert werkzaamheden voor [verdachte] uit, bestaande uit het verzendklaar maken van dekladingen met daarin verdovende middelen. [medeverdachte 3] is betrokken voor de logistiek, de bedrijven, loodsen, dekladingen en het transport van smokkelzendingen.
Er is, na betwisting door sommige advocaten, in opdracht van de rechtbank door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzoek gedaan naar de opgenomen vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC) en de verslaglegging daarvan in het dossier. De passages die zijn onderzocht en niet verstaan door het NFI zullen door het Openbaar Ministerie niet worden gebruikt in de bewijsconstructie. De conclusie dat de uitwerking van het gehele gesprek niet klopt, of dat de uitwerking van de andere gesprekken niet klopt, kan niet worden getrokken. De rode draad in al deze gesprekken is dat er telkens gesproken wordt over activiteiten die te maken hebben met de productie van en handel in verdovende middelen. Bovendien passen de gesprekken naadloos in de context van het hele dossier, dat ook over drugs gaat.
Uit observaties, opgenomen gesprekken en aangetroffen goederen blijkt dat [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] bezig waren met het treffen van voorbereidingshandelingen voor het smokkelen van een partij verdovende middelen in een dieselgenerator vanuit de loods aan [adres 2] te Ter Aar naar Cambodja. Deze loods werd met bemiddeling van [medeverdachte 3] gehuurd door [bedrijf 3] , een bedrijf van [medeverdachte 9] . Bij de oplevering waren [medeverdachte 3] en [medeverdachte 9] aanwezig en is hen een tweetal sleutels overhandigd. In deze loods werd op 8 april 2024 een dieselgenerator aangetroffen, die door [medeverdachte 3] is besteld met leveringsadres [adres 2] in Ter Aar en verzenddatum 10 januari 2024. Op 26 en 30 januari 2024 spreekt [medeverdachte 1] hardop in zijn auto over ‘even die motors eruit halen’. Ter zitting heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij naar die dieselgenerator in de loods in Ter Aar is gaan kijken. Bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 3] zijn ook allerlei bedrijfspapieren aangetroffen van bedrijven van [medeverdachte 9] , waaronder [bedrijf 3] .
Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen wettig en overtuigend te bewijzen zijn.
5.7.3.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5.7.4.
Het oordeel van de rechtbank.
5.7.4.1.
Reikwijdte van de verdenking.
De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging ten aanzien van de verdenking van de voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet behoorlijk algemeen is geformuleerd. De ten laste gelegde periode is fors en de verweten handelingen zijn generiek geformuleerd. Tegen de achtergrond van een enorm einddossier in onderzoek Newent, waarin sprake is van verschillende zaaksdossiers met beschreven voltooide delicten, zoals de export van xtc, bestaat bij een dergelijke redactie van de tenlastelegging het risico dat onduidelijk is waar de tenlastelegging precies op ziet.
Verschillende verdachten worden terzake voltooide transporten van xtc én voorbereidingshandelingen vervolgd. Juridisch toelaatbaar is dat voor eenzelfde partij drugs zowel de in artikel 10a van de Opiumwet bedoelde voorbereiding of bevordering van een feit uit artikel 10, vierde of vijfde lid, als het voltooide feit uit artikel 10, vierde of vijfde lid van de Opiumwet wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard. In dat geval zal van eendaadse samenloop sprake zijn. De vraag is echter of dat hier ook beoogd is.
De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat het allereerst het zaaksdossier zelf is (in casu Zaaksdossier Voorbereidingshandelingen Opiumwet) waar de verdenking op is gebaseerd. Daarnaast kan de bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging, het Openbaar Ministerie, ook een rol spelen om de reikwijdte van de verdenking te beoordelen. Deze bedoeling is mede kenbaar door uitlatingen van het Openbaar Ministerie tijdens het onderzoek ter terechtzitting, in het bijzonder het requisitoir.
Het zaaksdossier Voorbereidingshandelingen Opiumwet ziet niet op de andere ten laste gelegde, voltooide transporten. Het requisitoir gaat hier niet expliciet op in. Daarbij wreekt zich dat het Openbaar Ministerie niet precies verwoordt welke handelingen zij per verdachte bewezen acht, maar volstaat met de stelling ‘De tenlastegelegde voorbereidingshandelingen kunnen voor alle verdachten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.’ Uit de daarvoor gegeven onderbouwing leidt de rechtbank echter af dat de verweten voorbereidingshandelingen niet zien op handelingen die ook deel uitmaken van tevens ten laste gelegde voltooide delicten. De rechtbank zal deze verdenking dan ook aldus beoordelen.
5.7.4.2.
Juridisch kader.
In dit zaaksdossier spelen ontmoetingen in openbare horecagelegenheden een grote rol. Van de gesprekken die tijdens die ontmoetingen plaatsvonden zijn door de politie geluidsopnamen gemaakt, die zijn uitgeluisterd en in het dossier beschreven. Gelet op de betwisting van de juistheid van die beschrijvingen zal de rechtbank stil moeten staan bij de bruikbaarheid voor het bewijs van die uitgeschreven gesprekken. De rechtbank zal daarom allereerst het juridisch kader voor het gebruik van OVC-gesprekken geven. Daarna zal de rechtbank aandacht besteden aan het juridisch kader dat geldt in zaken waarin voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet zijn ten laste gelegd.
Vervolgens zal de rechtbank per handeling beoordelen of deze is te bewijzen, waarna zij, met toepassing van het juridisch kader, zal vaststellen of die handelingen ook te kwalificeren zijn als voorbereidingshandelingen. Tot slot zal de rechtbank conclusies trekken over de bewezenverklaring.
5.7.4.2.1.
Juridisch kader gebruik OVC-gesprekken.
In de rechtspraak is vaker de vraag aan de orde gekomen wat de bewijswaarde is van (OVC-) gesprekken. In lijn met die jurisprudentie hanteert de rechtbank het volgende als juridisch uitgangspunt.
De rechter kan meestal niet zonder meer aannemen dat in het dossier opgenomen gesprekken over bepaalde strafbare gedragingen gaan, als de verdachte dat ontkent. Dat kan alleen dan, als die gesprekken maar voor één uitleg vatbaar zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als de verdachte daarin zelf met zoveel woorden zegt dat hij die strafbare gedragingen heeft gepleegd. Als dat niet zo is, zijn die gesprekken dus voor meerdere uitleg vatbaar. Dat hoeft die gesprekken niet onbruikbaar te maken voor het bewijs, maar wel moet de rechter dan voorzichtig zijn bij het geven van een interpretatie van die gesprekken. Die voorzichtigheid brengt mee dat goed moet worden gekeken naar de inhoud en het onderling verband van die gesprekken en naar het verband met andere bewijsmiddelen. Bij dat onderzoek kan ook van belang zijn wat er over de deelnemers aan de gesprekken, of over anderen die in die gesprekken ter sprake komen, nog meer is gebleken. Bijvoorbeeld als is gebleken dat zij op de één of andere manier bij het strafbare feit betrokken zijn, kan dat meewegen bij de interpretatie van de gesprekken. Verder kan het feit dat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht soms in zijn nadeel werken. Dat kan ook zo zijn als hij een verklaring over de gesprekken aflegt die niet te verifiëren is. Ook het moment waarop hij die verklaring aflegt kan van belang zijn. Zo kan een verdachte, als hij het dossier kent, zijn verklaring daarop afstemmen. Of de rechter het zwijgen van de verdachte of het afleggen van een ongeloofwaardige verklaring echt in zijn nadeel laat meewegen, hangt ook af van de vraag hoeveel bewijs er tegen hem in het dossier zit.
Overigens geldt dat de interpretatie van de inhoud van een gesprek (‘waar gaat dit gesprek over?’) niet hetzelfde is als het beoordelen van de bewijswaarde daarvan (‘wat bewijst dit gesprek?’). Zelfs als de verdachte zegt dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd, hoeft dat nog niet de waarheid te zijn. De interpretatie van de woorden van het gesprek en de betekenis van de inhoud van dat gesprek voor het bewijs zijn twee verschillende dingen. Die moeten daarom afzonderlijk worden beoordeeld.
5.7.4.2.2.
Juridisch kader voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet.
Artikel 10a van de Opiumwet somt een aantal voorbereidings- of bevorderingshandelingen op ten aanzien van de misdrijven bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid van de Opiumwet. Hiermee zijn opzettelijke voorbereidings- en bevorderingshandelingen strafbaar gesteld van het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren, vervaardigen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van lijst I-middelen. Dit artikel is dus niet van toepassing op ketamine, dat niet op één van de in de Opiumwet opgenomen lijsten staat.
Er is sprake van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet indien de verdachte opzettelijk (1) een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daar daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid middelen of lichtingen te verschaffen (2), zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen, en/of (3) voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstig moet vermoeden dat deze bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Er moet worden beoordeeld of deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met deze handelingen voor ogen had.
Artikel 10a van de Opiumwet betreft een ‘opzetdelict’. Het opzet in deze bepaling omvat alle gradaties van opzet, inclusief het voorwaardelijk opzet. Het opzet ziet zowel op het voorbereiden of bevorderen van een feit als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, als de hiervoor onder 1 tot en met 3 genoemde handelingen. Niet vereist is dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze dienen, wel dienen zij met een voorgenomen concreet misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid van de Opiumwet in verband te staan.
Over het bewijs van de bestemming van de voorhanden zijnde voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen zei de wetgever het volgende: ‘De bestemming zal uit alle ter zake relevante omstandigheden kunnen worden afgeleid. Men denke bij voorbeeld aan het geval dat een auto is aangeschaft en een koerier is geworven, die voorzien van geld en opdrachten op het punt staat naar het buitenland te vertrekken om daar heroïne in te kopen’ (Kamerstukken II 1982/83, 17975, 3, p. 13). Voor het bewijzen van de bestemming komt het aan op de vraag of de voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had.
5.7.4.3.
Beoordeling van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen.
De rechtbank zal per verweten handeling hieronder beoordelen of er voldoende bewijs bestaat dat [verdachte] zich daaraan heeft schuldig gemaakt. Daarna zal in een aparte overweging worden beoordeeld of de te bewijzen handelingen ook zijn te kwalificeren als voorbereidingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.
5.7.4.3.1.
Voorhanden hebben van (crypto)telefoon(s).
Het dossier bevat voldoende bewijs om te concluderen dat [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde periode de gebruikers waren van een ANOM-account. De rechtbank leidt daaruit af dat zij in die periode voor het gebruik daarvan ook een cryptotelefoon voorhanden hebben gehad.
Het dossier bevat geen bewijsmiddelen dat [medeverdachte 4] of [medeverdachte 5] een cryptotelefoon voorhanden hebben gehad. Weliswaar wordt er in het dossier melding gemaakt van het feit dat [medeverdachte 5] gebruik zou hebben gemaakt van het ANOM-account [naam ANOM account 9] , maar stukken die dat onderbouwen heeft de rechtbank niet aangetroffen.
Hoewel het woord ‘crypto’ in de tenlastelegging tussen haakjes is geplaatst, houdt de rechtbank het er voor dat wel specifiek cryptotelefoons worden bedoeld door het Openbaar Ministerie. Dit leidt de rechtbank mede af uit het requisitoir, waar in dit verband met geen woord wordt gerept over het gebruik van normale telefoons. Bovendien speelt communicatie via gewone telefoons in het dossier niet of nauwelijks een rol.
5.7.4.3.2.
Via die (crypto)telefoon(s) communiceren.
In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] via cryptotelefoons communiceerden. Voor de andere verdachten kan dat niet worden vastgesteld.
5.7.4.3.3.
Ontmoetingen waarbij is gesproken over (levering van) grondstoffen voor de productie van synthetische drugs en/of het productieproces en/of de handel van/in synthetische drugs en /of de opbrengstpercentages/geldstromen en/of dekladingen en/of productie-/verpaklocatie(s).
Het dossier bevat voldoende bewijs om te concluderen dat er in de ten laste gelegde periode diverse ontmoetingen hebben plaatsgevonden tussen verdachten. Uit observatieverslagen blijkt dat [verdachte] regelmatig contact heeft met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Deze ontmoetingen vonden vaak plaats in restaurants nabij een snelweg. Af en toe was [medeverdachte 1] daar ook bij aanwezig. Ook waren er wel eens andere mensen bij, die niet als verdachte in onderzoek 26Newent zijn vervolgd. Uit het dossier volgt ook dat er ontmoetingen waren tussen [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . De ontmoetingen op zichzelf zijn niet betwist, op één enkele ontmoeting na, op een terras in Oirschot, waarbij [medeverdachte 5] heeft betwist aanwezig te zijn geweest.
Cruciaal voor de duiding van deze ontmoetingen in het licht van de tenlastelegging is wat er tijdens deze ontmoetingen is besproken. De enige kenbron van wat tijdens de ontmoetingen besproken is, wordt, behoudens summiere verklaringen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , gevormd door de OVC-gesprekken en de schriftelijke vastlegging daarvan in het dossier.
Nadat de advocaten in de gelegenheid zijn gesteld de OVC-gesprekken te beluisteren hebben enkelen van hen de rechtbank er op gewezen dat de beschrijving van de gesprekken in het dossier niet (volledig) overeenkomt met wat op de opnames te horen is. De rechtbank besloot daarop zelf naar de betwiste gesprekken te luisteren. De rechtbank kwam na het luisteren tot de conclusie dat de uitwerking in het dossier niet onverkort en zonder meer als een accurate weergave van de afgeluisterde gesprekken kan worden beschouwd en heeft het noodzakelijk geacht het NFI nader onderzoek naar de OVC-gesprekken te laten doen.
Bij twee rapporten van 2 april 2026 heeft het NFI verslag gedaan van de bevindingen van de onderzoekers naar aanleiding van de onderzoeksvraag van de rechtbank. In die rapporten heeft het NFI onder meer het volgende opgeschreven:
Over het geheel genomen is het spraakmateriaal in deze OVC-opnames slecht te verstaan. Voor de NFI-onderzoekers geldt dit des te meer, omdat zij niet beschikken over enige contextkennis. Echter, ook uit de liggende politie-uitwerkingen valt af te leiden hoe slecht verstaanbaar de opnames zijn. Het valt misschien in eerste instantie niet direct op, maar het aantal keren dat delen ook door de politie niet zijn verstaan is bijzonder groot. Delen die niet verstaan zijn in deze uitwerkingen zijn destijds door de politie gemarkeerd als ‘NTV’, ‘ntv’ of ‘onverstaanbaar’.
Het feit dat de onderzoekers niet over contextinformatie beschikten is van belang. Het NFI rapporteert:
Het verstaan van spraak wordt door meerdere aspecten beïnvloed. Uiteraard is het spraaksignaal van invloed op wat er gehoord wordt, maar de verwachtingen van de luisteraar spelen ook een rol. De verwachtingen van de luisteraar kunnen gevormd worden door de inhoud van de opnamen, de bredere context van de situatie waarin gesproken is en wereldkennis van de luisteraar. Dat een luisteraar daarmee meer dan alleen de spraakinformatie zelf gebruikt om goed te verstaan, is normaal en is zelfs noodzakelijk om goed te verstaan in natuurlijke omstandigheden die vaak suboptimaal zijn.
Een verschijnsel waaruit blijkt dat verwachtingen invloed hebben op het verstaan is de ‘mondegreen’, in Nederland ook bekend vanwege een radiorubriek ‘Mama Appelsap’. Daarin werden vooraf onjuiste, Nederlandstalige uitwerkingen voor gedeelten van vaak Engelstalige liedjes aangegeven. Omdat de luisteraar de verwachting van een Nederlandstalige uitwerking opgedrongen krijgt, lukt het de luisteraar ook vaak dat te verstaan als het liedje daarna afgespeeld wordt. Dus ondanks dat de audio die Nederlandstalige klanken niet bevat en ondanks dat de luisteraar weet dat het onjuist is, verstaat de luisteraar het toch zoals gesuggereerd, op grond van de gecreëerde verwachtingen. Die kunnen bovendien zó sterk zijn dat het daarna moeilijk is de juiste tekst te horen.
Een ander voorbeeld waarmee geïllustreerd kan worden dat een luisteraar meer gebruikt om spraak te verstaan dan alleen de informatie uit de audio blijkt uit het welslagen van telefoongesprekken. De audiokwaliteit van telefoongesprekken is vaak zo laag dat het onderscheid tussen klanken als ‘m’ en ‘n’ niet goed meer overkomt. Dat wordt pas gemerkt als een voor de luisteraar onbekende naam ‘ [naam 4] ’ wordt genoemd. Dan ontbreekt de context en moet expliciet gemaakt worden wat de laatste klank van de naam is (door bijvoorbeeld “met de ‘m’ van Marie” toe te voegen). In de rest van het gesprek kunnen de gesprekspartners elkaar goed verstaan, kennelijk zonder dat elke klank afzonderlijk juist gehoord wordt. Dat komt doordat ze daar wel steun hebben aan hun verwachtingen op grond van de context, waarmee ze missende of onduidelijke audio-informatie invullen.
Als een spreker niet heel duidelijk spreekt of als de kwaliteit van de opgenomen spraak niet optimaal is, kan de spraakinformatie daarin ontoereikend zijn om eenduidig te verstaan. Wanneer bij een luisteraar verwachtingen over het gesprokene bestaan (bijvoorbeeld door voorkennis van context of andermans uitwerking), kan het gebeuren dat een luisteraar, zonder dat die het zelf doorheeft, bij het verstaan die context en verwachting sterk mee laten wegen. Een andere luisteraar, met andere contextkennis en verwachtingen, hoort wellicht weer wat anders met dezelfde zekerheid.
Hoewel contextinformatie ongewenste sturing kan opleveren, kan het ook juist behulpzaam zijn, als het de verwachtingen van de luisteraar de goede kant op stuurt. Omdat contextkennis een dubbelrol kan spelen, is het van belang de methode voor het maken van transcripties zorgvuldig in te richten. Daarmee is rekening gehouden in het huidige onderzoek, in dit geval door de transcribenten geen contextkennis te geven (…)
De onderzoekers hebben veelal geconstateerd dat de opmerkingen van de verdediging bij de uitwerking van de politie van de OVC-gesprekken terecht waren. Wat volgens de politie door de deelnemers aan de gesprekken is gezegd, is in veel gevallen niet te verstaan. De rechtbank concludeert dat wat de onderzoekers als wel verstaanbaar hebben opgeschreven, niet leidt tot een samenhangend gesprek. De rechtbank is het met het Openbaar Ministerie eens dat de door het NFI onderzochte gesprekken daarom niet kunnen worden gebezigd voor het bewijs.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overige, niet door het NFI onderzochte gesprekken, wel voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Daartoe heeft het Openbaar Ministerie er op gewezen dat de politie wél over contextinformatie beschikte, waardoor het verstaan gemakkelijker was en het heeft gewezen op de samenhang van de gesprekken met het gehele dossier.
Anders dan het Openbaar Ministerie heeft betoogd, acht de rechtbank de niet door het NFI onderzochte gesprekken niet zonder meer bruikbaar voor het bewijs. Dat de politie meer hoorde dan de verdediging, de rechtbank en het NFI, kan samenhangen met de contextinformatie waarover zij beschikte. De vraag is hoe dat gewaardeerd moet worden. Dat kan een voordeel zijn, om zo de gesprekken beter te verstaan, maar contextinformatie kan ook tot ongewenste en/of onbewuste sturing leiden. De rechtbank kan niet uitsluiten dat dat bij de door het NFI onderzochte fragmenten bij de politie is gebeurd, maar evenmin dat dat bij de overige fragmenten ook het geval is geweest. Daarbij komt dat de kwaliteit van de geluidsfragmenten over het algemeen al slecht is. De rechtbank ziet niet in hoe de vraag die allereerst beantwoord moet worden (zie hiervoor het uiteengezette juridische kader): ‘waar gaat dit gesprek over?’, met voor wettig en overtuigend bewijs voldoende mate van zekerheid beantwoord kan worden.
Daarbij is ook het volgende van belang. De deelnemers aan de gesprekken hebben over de inhoud van de gesprekken gezwegen ( [verdachte] ), of hebben gezegd dat ze wel aanwezig waren bij gesprekken en dat die gesprekken ook over drugs gingen, maar dat ze daar geen actieve bijdrage aan hadden. “Ik ben misschien bij gesprekken over drugs geweest en dat is niet goed, maar ik heb niets geproduceerd of verkocht”, aldus [medeverdachte 4] . En [medeverdachte 5] heeft verklaard: “Ik heb niet over ketamine en MDMA gesproken. Ik heb enkel iets gezegd om iets te weten te komen” en: “U zegt mij dat er op 30 januari een gesprek heeft plaatsgevonden tussen mij en [verdachte] en dat ik daar onder meer iets zeg over bepaalde hoeveelheid PMA. U vraagt mij om daarop te reageren. Ik heb geen PMA. Ik wilde een balletje opgooien. Ik heb het gehoord. Ik heb het niet in mijn bezit. Ik wilde een balletje opgooien, maar ik heb het niet. Ik begrijp het zelf ook niet waarom ik het heb gevraagd. Als ik het niet heb, dan kan ik het ook niet afgeven.” Ter terechtzitting heeft [medeverdachte 5] verklaard: “Ik heb geen strafbare feiten gepleegd. Daar houd ik het bij. Bij Van der Valk at en dronk ik. Wat ik met vrienden ook doe. Ik weet niet meer hoe vaak ik dat heb gedaan.” Deze verklaringen maken niet heel goed duidelijk waar de gesprekken precies over gingen. Andere bewijsmiddelen die de inhoud van de gesprekken stutten zijn in het dossier nauwelijks voorhanden.
De OVC-gesprekken die in de auto van [medeverdachte 1] zijn opgenomen hebben niet het mankement van slechte verstaanbaarheid zoals de gesprekken in openbare horecagelegenheden, waar vele gesprekken tegelijk plaatsvinden. Enkele in die auto gevoerde gesprekken, waarbij [medeverdachte 1] alleen tegen zichzelf praat of samen met [verdachte] een gesprek voert, hebben mogelijk te maken met een daaraan voorafgaand gesprek tijdens een ontmoeting met andere verdachten. De inhoud daarvan is echter onvoldoende om het hiervoor geconstateerde gebrek te repareren.
Gelet op de behoedzaamheid die betracht moet worden bij het gebruik van OVC-gesprekken, zoals hiervoor uiteen gezet onder het kopje ‘Juridisch kader gebruik OVC-gesprekken’ leidt het gebrek aan stutting van een potentieel bewijsmiddel waarbij twijfels bestaan aan de betrouwbaarheid daarvan tot de slotsom dat niet wettig en overtuigend te bewijzen is dat er tijdens de ontmoetingen gesprekken zijn gevoerd over (levering van) grondstoffen voor de productie van synthetische drugs en/of het productieproces en/of de handel van/in synthetische drugs en /of de opbrengstpercentages/geldstromen en/of dekladingen en/of productie-/verpaklocatie(s).
5.7.4.3.4.
Verwerven en/of voorhanden hebben van grondstoffen voor de productie van synthetische drugs.
Het Openbaar Ministerie heeft in het requisitoir niet per handeling aangegeven waar het bewijs ter zake die handeling op is gebaseerd. Uit de inleiding bij het onderwerp ‘Voorbereidingshandelingen Opiumwet’ in het requisitoir leidt de rechtbank af dat het Openbaar Ministerie het verwerven en voorhanden hebben van grondstoffen voor de productie van synthetische drugs ook baseert op de OVC-gesprekken. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen en stelt vast dat die gesprekken geen basis kunnen vormen voor bewijs van deze handelingen. Voorts bevat het dossier geen bewijsmiddelen van het verwerven of voorhanden hebben van grondstoffen voor de productie van synthetische drugs, zodat deze handeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
5.7.4.3.5.
Deze grondstoffen laten omzetten en/of omgezet en/of ter omzetting aangeleverd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan ook deze handeling niet wettig en overtuigend bewezen worden.
5.7.4.3.6.
Locatie(s)/loods(en) (waaronder de loods [adres 2] Ter Aar) gehuurd en/of geregeld en/of ter beschikking gehad.
Het dossier bevat geen bewijs dat duidt op betrokkenheid van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] bij de loods aan [adres 2] in Ter Aar of enige andere loods. Dat is anders voor de andere verdachten in dit zaaksdossier. Het Openbaar Ministerie heeft in het requisitoir toegelicht dat de verdenking bestaat dat deze loods gebruikt werd om in een daar gestalde dieselgenerator verdovende middelen te plaatsen, om deze naar Cambodja te versturen. Nog afgezien van de vraag wat ieders rol daarbij was, zal de rechtbank eerst aandacht besteden aan dit in potentie strafbare scenario.
Het Openbaar Ministerie baseert zich op wat is aangetroffen, op observaties en OVC-gesprekken. In het voorgaande heeft de rechtbank al uitgebreid stilgestaan bij de bewijswaarde van de OVC-gesprekken. In lijn met wat hiervoor is overwogen zal de rechtbank van die gesprekken geen gebruik maken voor het bewijs. Maar zelfs indien de OVC-gesprekken zoals die zich in het dossier bevinden zouden worden gebruikt, blijft het voor de rechtbank onduidelijk wat precies de bedoeling was van deze loods. Er zijn aanwijzingen dat daar een dieselgenerator werd gebracht waarin mogelijk verdovende midden zouden kunnen worden gestopt. De rechtbank ziet zich echter geconfronteerd met een dossier waarin dezelfde verdachten ook betrokken zijn bij de export van ketamine, telkens verstopt onder een deklading. De rechtbank kan niet vaststellen dat het in het geval van de loods aan [adres 2] niet om ketamine ging. Zoals in het juridisch kader is beschreven, vallen handelingen met het oog op de bevordering of voorbereiding van handel of export in ketamine niet onder de bepalingen van de Opiumwet. Tegen deze achtergrond bestaat er twijfel of de huur en het gebruik van de loods aan [adres 2] in Ter Aar (of andere, niet genoemde loodsen) als een voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet zijn te beschouwen. Deze handeling kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden.
5.7.4.3.7.
Contacten onderhouden met een of meer laboranten.
De rechtbank heeft in het dossier geen wettig en overtuigend bewijs voor deze handeling aangetroffen. Het requisitoir van het Openbaar Ministerie biedt wat deze handeling betreft ook geen richting.
5.7.4.3.8.
Contacten onderhouden met een of meer transporteur(s) en/of expediteur(s).
Het Openbaar Ministerie heeft in het requisitoir niet uitgelegd wat met deze handeling specifiek wordt bedoeld en wie van de verdachten zich hiermee bezig zou hebben gehouden. Dat wat het Openbaar Ministerie over [medeverdachte 3] heeft gezegd komt het meest in de buurt: “ [medeverdachte 3] is de man die betrokken is bij het organiseren van de logistiek, de bedrijven, de loodsen, de dekladingen en het transport van smokkelzendingen”. Tot slot somt het Openbaar Ministerie op wat er bij [medeverdachte 3] is aangetroffen. Daaronder een
invoice, een a
irwaybillen een factuur, allen met betrekking tot de verzending van boorkoppen naar Kuala Lumpur, begin 2020. Daaruit trekt het Openbaar Ministerie de volgende conclusie: “Hieruit blijkt dat [medeverdachte 3] al in 2020 bezig was met dekladingen boorkoppen en contacten met [naam 2] .” Het Openbaar Ministerie besluit ten aanzien van [medeverdachte 3] : “Het huren van loodsen waar inpakactiviteiten van verdovende middelen plaatsvinden, het regelen van dekladingen en het regelen van het vervoer van de verdovende middelen naar de expediteur vallen allemaal onder de voorbereidingshandelingen.”
De rechtbank stelt vast dat de door het Openbaar Ministerie genoemde documenten van ruim voor de ten laste gelegde periode zijn en ziet niet in hoe die bewijs voor voorbereidingshandelingen in de ten laste gelegde periode kunnen opleveren. Te minder daar niet bewezen kan worden dat die documenten daadwerkelijk verband hielden met een ‘deklading’ waaronder harddrugs zouden zijn verstopt.
De rechtbank stelt vast dat de omschreven handeling zo algemeen is dat die, zonder nadere duiding van de steller van de tenlastelegging, die ontbreekt, tegen de achtergrond van een zeer omvangrijk zaaksdossier, onvoldoende duidelijk maakt met het oog op welke verdachte en welke concrete handelingen een verwijt gemaakt wordt. Daarbij betrekt de rechtbank hetgeen hiervoor ten aanzien van de reikwijdte van de verdenking.
De handeling kan gelet op het voorgaande niet wettig en overtuigend worden bewezen.
5.7.4.3.9.
Dekladingen geregeld en/of verzendklaar gemaakt.
De rechtbank stelt vast dat de omschreven handeling zo algemeen is dat die, zonder nadere duiding van de steller van de tenlastelegging, die ontbreekt, tegen de achtergrond van een zeer omvangrijk zaaksdossier, onvoldoende duidelijk maakt met het oog op welke verdachte en welke concrete handelingen een verwijt gemaakt wordt. Daarbij betrekt de rechtbank hetgeen hiervoor ten aanzien van de reikwijdte van de verdenking en over de reikwijdte van voorbereidingshandelingen in relatie tot ketamine is overwogen. De rechtbank komt dan ook niet tot een bewezenverklaring van deze handeling.
5.7.4.4.
Conclusie.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] een cryptotelefoon voorhanden heeft gehad en daarmee communiceerde. Gelet op de aard van een dergelijke telefoon zou dat een aanwijzing kunnen opleveren dat deze wordt gebruikt voor strafbare communicatie. Tegelijk geldt dat dit een zo algemeen voorwerp is, dat niet volgehouden kan worden dat in het enkele bezit van en communicatie met een cryptotelefoon het vereiste opzet besloten ligt op het bevorderen of voorbereiden van een feit als bedoeld in artikel 4 of Pro 5 van artikel 10 van Pro de Opiumwet. Daarvoor zijn bijkomende handelingen of omstandigheden vereist, die iets duidelijk maken over het misdadige doel dat [verdachte] de verdachte met deze handelingen voor ogen had, maar die zijn niet bewezen dan wel niet ten laste gelegd.
Dit betekent dat [verdachte] voor dit feit op de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
5.8.
Zaaksdossier 08 (Witwassen).
5.8.1.
Inleiding.
Vanwege de samenhang tussen de verdenkingen van witwassen tegen [verdachte] en [medeverdachte 6] zal de rechtbank deze feiten gezamenlijk behandelen.
Onder feit 4 op de dagvaarding wordt verdachte [verdachte] verweten dat hij zich op 8 april 2024 als medepleger, althans alleen, heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van luxegoederen die op die dag in de woning aan [adres 1] te Rotterdam zijn aangetroffen en die vermeld staan op een lijst die zich (op pagina 9597) in het dossier bevindt.
Onder feit 2 op de dagvaarding van [medeverdachte 6] wordt haar verweten dat zij zich op 8 april 2024 als medepleger, althans alleen, heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van diezelfde luxegoederen. Daarnaast wordt haar verweten het witwassen van geldbedragen van in totaal € 30.210,00, die eveneens in de woning aan [adres 1] te Rotterdam zijn aangetroffen.
5.8.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van deze feiten op de tenlasteleggingen van [verdachte] en [medeverdachte 6] . Daartoe heeft het Openbaar Ministerie aangevoerd dat uit het zaaksdossier Witwassen blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 6] over veel meer geld konden beschikken dan dat zij legaal hebben verworven. Aangezien [verdachte] en [medeverdachte 6] in de onderzochte periode van 1 januari 2017 tot en met 8 april 2024 een gezamenlijke huishouding voerden, worden zij als economische eenheid beschouwd.
[verdachte] heeft via ondergronds bankieren veel geld verplaatst naar Chinese bankrekeningen, onder andere op naam van [medeverdachte 6] en haar moeder. Vanaf die rekeningen hebben [verdachte] en [medeverdachte 6] veel geld met de omschrijving ‘lening’ ontvangen, terwijl uit onderzoek blijkt dat van een lening geen sprake is. [verdachte] en [medeverdachte 6] hebben de verbouwing van hun woning voor een groot deel contant betaald en hebben, naast het maandelijks contant betalen van de oppas, veel luxegoederen contant aangeschaft. Verspreid in de slaapkamer en in een jaszak is in totaal € 30.210,00 in kleine coupures aangetroffen.
Uit een in beslag genomen document dat is opgesteld door [medeverdachte 6] en ondertekend door [verdachte] , blijkt dat [medeverdachte 6] duizenden euro’s van [verdachte] eist als hij zich niet aan bepaalde voorwaarden houdt. Het Openbaar Ministerie maakt daaruit op dat [medeverdachte 6] wist dat [verdachte] grote contante geldbedragen tot zijn beschikking had. Verder blijkt uit ANOM-berichten dat [verdachte] na verschillende zendingen ketamine of XTC, bankrekeningen doorgaf waarnaar het geld dat met die zendingen verband hield overgemaakt moest worden. Regelmatig betrof dit een bankrekening op naam van [medeverdachte 6] . Uit gesprekken die in de telefoon van [medeverdachte 6] zijn aangetroffen blijkt dat zij met haar moeder correspondeerde over rekeningnummers en gaf zij daarin aan dat het beter was er niet te veel geld op te hebben staan. [medeverdachte 6] gaf ook zelf rekeningnummers door aan [verdachte] , waarna [verdachte] vervolgens opdracht gaf om op die rekeningen geld over te maken. Het Openbaar Ministerie concludeert hieruit dat [verdachte] en [medeverdachte 6] bewust en nauw samen hebben gewerkt om geld dat [verdachte] met strafbare feiten verdiende, wit te wassen.
Het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen om de op de actiedag aangetroffen, contant betaalde luxegoederen onder het feit ‘witwassen’ op de tenlastelegging van [verdachte] en [medeverdachte 6] te zetten en op de tenlastelegging van [medeverdachte 6] ook het contant aangetroffen geldbedrag.
De politie heeft met een eenvoudige kasopstelling aangetoond dat [verdachte] in de onderzochte periode € 96.000,00 aan legale contante inkomsten had. [medeverdachte 6] had in deze periode geen legale contante inkomsten. Zij hadden echter € 347.912,04 meer aan contant geld tot hun beschikking dan op grond van legale contante inkomsten mogelijk was. Daarnaast blijkt dat de ten laste gelegde luxegoederen een getaxeerde totale waarde van € 138.590,00 hadden en dat deze ook contant betaald moeten zijn. Zij zijn namelijk niet op bankafschriften aangetroffen en uit aangetroffen kassabonnen blijkt niet van een girale betaling.
Van [verdachte] en [medeverdachte 6] mag op grond van het in de jurisprudentie ontwikkelde 6-stappenplan onder deze omstandigheden een verklaring worden verlangd voor de bevindingen van de politie. [verdachte] en [medeverdachte 6] hebben deze niet gegeven. Pas op zitting hebben zij hierover iets verklaard. Deze verklaringen gelden als veel te laat, in strijd met bewijsmiddelen uit het dossier, niet met stukken onderbouwd en daarom niet verifieerbaar.
De conclusie is dan dat de ten laste gelegde contant aangetroffen bedragen en luxegoederen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat [verdachte] en [medeverdachte 6] hiervan wetenschap hebben gehad.
De rechtbank leidt hieruit af dat het Openbaar Ministerie kennelijk de aan [verdachte] en [medeverdachte 6] verweten feiten wettig en overtuigend bewezen acht.
5.8.3.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging van [verdachte] heeft aangevoerd dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de op de tenlastelegging aangeduide zaken van misdrijf afkomstig zijn. De zaken zijn voor een deel al langere tijd in het bezit van [verdachte] en [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] heeft verklaard dat zij zaken in het verleden heeft aangeschaft en dat zij toen over gelden beschikte om de aankopen te doen. Zij had ook inkomen, wat kan blijken uit haar aandelen in twee restaurants. Bovendien heeft de verkoop daarvan geld opgeleverd. [verdachte] heeft verklaard dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig was van een geldwissel voor een tante en voorts over inkomsten in het verleden uit niet-criminele bronnen.
Op grond hiervan heeft de verdediging vrijspraak bepleit.
5.8.4.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal allereerst aandacht besteden aan het juridisch kader dat geldt in witwaszaken. Zij zal dat kader daarna toepassen op deze zaak, eerst ten aanzien van de luxegoederen, dan ten aanzien van het contante geld, waarna conclusies worden getrokken.
5.8.4.1.
Juridisch kader.
Voor een veroordeling ter zake van witwassen is allereerst vereist dat aannemelijk is dat het voorwerp waarop de verdenking van witwassen is gebaseerd, afkomstig is uit enig misdrijf. Onder "misdrijf" moet worden verstaan een als misdrijf te kwalificeren strafbaar feit.
Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf (het zogenoemde grondmisdrijf), kan niettemin worden bewezen verklaard dat het voorwerp een criminele herkomst heeft, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo'n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
Voor een bewezen verklaring ter zake medeplegen dient komen vast te staan dat bij het begaan van het strafbare feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
5.8.4.2.
Toepassing juridisch kader ten aanzien van de luxegoederen.
Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen is geen rechtstreeks verband te leggen tussen de in de tenlasteleggingen genoemde luxegoederen en een bepaald misdrijf. Voor een veroordeling voor witwassen dient daarom uit door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden (minst genomen een vermoeden) te kunnen worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat deze luxegoederen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Het Openbaar Ministerie heeft als feiten en omstandigheden in dit verband gewezen op de vermeende criminele activiteiten van [verdachte] , de grote geldstromen die hij dientengevolge tot zijn beschikking had, het gebruik van bankrekeningen om deze geldstromen te kanaliseren en met name de zogenaamde kasopstelling, waaruit volgt dat in de onderzoeksperiode niet voldoende contant geld beschikbaar was om de luxegoederen (contant) aan te schaffen.
Deze bewijsredenering veronderstelt dat de luxegoederen contant zijn aangeschaft. Het Openbaar Ministerie heeft immers feiten en omstandigheden aangevoerd, waaruit zou moeten blijken dat er voor deze contante aanschaf geen legale middelen beschikbaar waren.
Voor een beoordeling van deze door het Openbaar Ministerie gehanteerde bewijsconstructie wreekt zich dat de rechtbank in het duister tast om welke goederen het
preciesgaat en onder welke omstandigheden en wanneer ze zijn verworven. Het dossier bevat immers niet meer dan een in het relaas proces-verbaal opgenomen lijst met goederen met een InBeslagName-code, een voorwerpnummer, een omschrijving en een waarde. Uit het relaasproces-verbaal leidt de rechtbank af dat deze waarde door de Domeinen Roerende Zaken is getaxeerd. Een proces-verbaal waarin van deze taxatie verslag wordt gedaan ontbreekt. Daardoor is niet te toetsen op welke wijze en door wie de waardebepaling heeft plaatsgevonden. Voorts ontbreekt iedere informatie over de wijze waarop de goederen zijn aangetroffen, de staat waarin de goederen verkeerden, de ouderdom van de goederen en een onderzoek naar de echtheid van de goederen. Ook bevat het dossier geen foto’s van de goederen en/of de plaats waar zij werden aangetroffen. Weliswaar zijn er ook kassabonnen aangetroffen en in het dossier opgenomen, maar een link tussen de op de lijst genoemde goederen en de goederen op de kassabonnen ontbreekt, anders dan dat het in sommige gevallen om dezelfde merken gaat. De politie heeft hierover letterlijk opgeschreven:
In de slaapkamer van [verdachte] en [medeverdachte 6] werden ook veel luxegoederen aangetroffen en in beslaggenomen (…). Er is geen onderzoek verricht naar overeenkomsten tussen de aangetroffen bonnen en de in beslaggenomen goederen omdat de omschrijving op de contant bonnen te summier was om deze te herleiden naar een specifiek goed.
Onder deze omstandigheden bestaat er weliswaar een suggestie van de aanwezigheid van kostbare goederen, maar de rechtbank kan niet vaststellen dat het om echte merkproducten gaat en evenmin wat de aanschafwaarde, het aanschaftijdstip en de aanschafwijze was. Daarmee kan de rechtbank ook niet vaststellen dat de goederen zijn aangeschaft in de onderzochte periode waarop ook de kasopstelling is gebaseerd. Dit betekent dat de rechtbank niet kan uitsluiten dat de goederen al voor de aanvang van de periode waarover onderzoek is gedaan zijn verworven en kan niet geconcludeerd worden dat er geen legaal (contant) betaalmiddel voorhanden was om deze goederen te betalen.
De in het relaasproces-verbaal op pagina 9597 van het dossier opgenomen lijst is al met al een wel erg magere opbrengst van het in twee ordners vastgelegde onderzoek naar witwassen en kan naar het oordeel van de rechtbank niet het vermoeden dragen dat het niet anders kan dan dat deze luxegoederen van misdrijf afkomstig zijn.
5.8.4.3.
Toepassing juridisch kader ten aanzien van de geldbedragen.
Uit het relaas proces-verbaal maakt de rechtbank op dat in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 6] geldbedragen zijn aangetroffen. Een bedrag van € 22.630,00 werd aangetroffen in een papieren zak in een kist bij het bed. Daarvan zijn twee foto’s in het proces-verbaal opgenomen. Een bedrag van € 1.275,00 werd in een jaszak van een jas die aan een kapstok in een andere kamer hing aangetroffen. De overige bedragen werden in verschillende kasten in de slaapkamer van [verdachte] en [medeverdachte 6] aangetroffen. In totaal gaat het om € 30.210,00.
[medeverdachte 6] heeft ter terechtzitting verklaard dat een deel van het aangetroffen geld, een bedrag van ongeveer € 4.000,00 omzet van het hotel betrof. [verdachte] heeft verklaard dat de rest van het aangetroffen contante geld van hem was. Gelet op de omvang van de aangetroffen bedragen gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 6] het bedrag van € 3.355,00 bedoelt, dat (gelet op de code in combinatie met de in het beslagdossier opgenomen legenda) is aangetroffen in het tweede laatje van het dressoir links, in de slaapkamer.
Het Openbaar Ministerie heeft er bij het opstellen van de tenlasteleggingen voor gekozen het totale bedrag aan aangetroffen contant geld alleen op de tenlastelegging van [medeverdachte 6] en niet op de tenlastelegging van [verdachte] terug te laten komen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de verklaring van [verdachte] , voor zover inhoudende dat het overgrote deel van het geldbedrag van hem was, onjuist is. Omdat het dossier niet inzichtelijk maakt of de aanwezigheid van dat deel van het geldbedrag voor iedere gebruiker van de ruimtes waar het werd aangetroffen kenbaar moet zijn geweest en er geen ander bewijsmiddel is waaruit volgt dat [medeverdachte 6] wetenschap had van dat deel van het aangetroffen geldbedrag en zij dat zelf ontkent, houdt de rechtbank het ervoor dat [medeverdachte 6] niet op de hoogte was van de aanwezigheid van dat deel van het geldbedrag. Voor zover er ten aanzien van dat deel van het geldbedrag al sprake is van witwassen, ziet de rechtbank geen beschikbare bewijsmiddelen op basis waarvan zij kan vaststellen dat [medeverdachte 6] in nauwe en bewuste samenwerking met een ander zich aan het witwassen van dat deel van het geldbedrag heeft schuldig gemaakt.
Ten aanzien van het bedrag van € 3.355,00 heeft [medeverdachte 6] gezegd dat het, als omzet van het hotel, aan haar toebehoorde. Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen is geen rechtstreeks verband te leggen tussen dit bedrag en een bepaald misdrijf. Voor een veroordeling voor witwassen dient daarom uit door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden (minst genomen een vermoeden) te kunnen worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Het Openbaar Ministerie heeft als feiten en omstandigheden in dit verband gewezen op de vermeende criminele activiteiten van [verdachte] , de grote geldstromen die hij dientengevolge tot zijn beschikking had, het gebruik van bankrekeningen om deze geldstromen te kanaliseren en met name de zogenaamde kasopstelling, waaruit volgt dat in de onderzoeksperiode niet voldoende contant geld beschikbaar was.
In de door het Openbaar Ministerie gehanteerde kasopstelling is het aangetroffen geldbedrag als deel van het eindsaldo meegenomen. Uit de opstelling volgt dat er door de economische eenheid waar [medeverdachte 6] deel van uitmaakte wel contante inkomsten waren, maar dat die onvoldoende waren om in de contante uitgaven te voorzien. Zelfs al zou [medeverdachte 6] niet geloofd worden in haar verklaring dat het geldbedrag omzet van het hotel betreft, betekent het voorgaande nog niet dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Het eindsaldo van de kasopstelling is immers lager dan het bedrag dat volgens de kasopstelling beschikbaar is voor het doen van contante uitgaven.
Andere feiten en omstandigheden die tot de conclusie (of het vermoeden) dwingen dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag van € 3.355,00 van misdrijf afkomstig is, heeft het Openbaar Ministerie niet naar voren gebracht en zijn voor de rechtbank niet gebleken.
5.8.4.4.
Conclusie.
Het voorgaande betekent dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de in de tenlastelegging bedoelde luxegoederen afkomstig waren uit enig misdrijf, zodat [verdachte] en [medeverdachte 6] voor dat deel van de tenlastelegging zullen worden vrijgesproken. Ook is niet wettig en overtuigend bewezen dat het geldbedrag van in totaal € 30.210,00 door [medeverdachte 6] , alleen of als medepleger, is witgewassen, zodat zij ook voor dat deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
5.9.
Zaaksdossier 09 (aankoop 50 kilogram MDMA).
5.9.1.
Inleiding.
Onder feit 5 wordt [verdachte] verweten dat hij in de periode van 5 augustus 2020 tot en met 6 augustus 2020 als medepleger opzettelijk ongeveer 50 kilo MDMA heeft vervoerd.
5.9.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft – op de gronden zoals verwoord in het schriftelijke requisitoir – gerekwireerd tot een bewezenverklaring, nu uit de ANOM-communicatie blijkt dat [verdachte] 50 kilogram MDMA heeft besteld bij een ander en hij deze partij door een chauffeur heeft laten ophalen in Heerlen. Uit de betreffende berichten volgt dat de genoemde chauffeur weer thuis gekomen is, zodat daaruit kan worden afgeleid dat de transactie is geslaagd en [verdachte] in het bezit is gekomen van die 50 kilogram MDMA.
5.9.3.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van [verdachte] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5.9.4.
Het oordeel van de rechtbank.
Hiervoor heeft de rechtbank al vastgesteld dat [verdachte] de gebruiker was van onder meer het ANOM-account
[naam ANOM account 1]. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank verder af dat [verdachte] 50 kilogram MDMA heeft besteld en door een chauffeur heeft laten ophalen in Heerlen. Nadat [verdachte] door de ‘verkopende partij’ werd gevraagd te laten weten wanneer de chauffeur veilig thuis is, antwoordde hij: ‘Ja maat hij is thuis’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] zich hiermee als medepleger schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 50 kilogram MDMA.
5.9.5.
Conclusie.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen het medeplegen van het vervoer van 50 kilogram MDMA, zoals in hoofdstuk 6 bewezen zal worden verklaard.
5.10.
Zaaksdossier 06 (Hypotheekfraude)
5.10.1.
Inleiding.
Onder feit 6 primair wordt [verdachte] verweten dat hij zich in de periode van 8 augustus 2017 tot en met 8 juni 2018 samen met [medeverdachte 6] schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) en de [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ).
[verdachte] en [medeverdachte 6] zouden ten behoeve van het verkrijgen van een hypothecaire geldlening van
€ 350.000,00 aan [benadeelde 1] een (valse) werkgeversverklaring van [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) op naam van [verdachte] aan [benadeelde 1] hebben verstrekt, terwijl [verdachte] daar niet in dienst was of op het moment van het ondertekenen van de hypotheekakte niet meer in dienst was.
Zij zouden ten behoeve van het verkrijgen van een hypothecaire geldlening van € 405.000,00 aan [benadeelde 2] een werkgeversverklaring en salarisspecificatie van [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ) op naam van [verdachte] en een werkgeversverklaring en salarisspecificatie van [bedrijf 4] op naam van [medeverdachte 6] aan [benadeelde 2] hebben verstrekt. Dit, terwijl zij daar niet in dienst waren of op het moment van het ondertekenen van de hypotheekakte niet meer in dienst waren.
Subsidiair is dit - kort gezegd - ten laste gelegd als het medeplegen van het gebruik maken van valse en/of vervalste documenten.
5.10.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit ten laste gelegde feit.
Ten aanzien van de oplichting van [benadeelde 1] heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] en [medeverdachte 6] [benadeelde 1] voorafgaand aan het ondertekenen van de hypotheekakte niet hebben geïnformeerd dat het dienstverband van [verdachte] was geëindigd. Dat was wel een voorwaarde van [benadeelde 1] . Daarmee hebben zij zich schuldig gemaakt aan oplichting van [benadeelde 1] .
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] en [medeverdachte 6] vals opgemaakte arbeidscontracten en werkgeversverklaringen hebben gebruikt om een hypothecaire lening van [benadeelde 2] te verkrijgen. Ook hebben zij op het moment van het ondertekenen van de hypotheekakte verzwegen dat hun dienstverband was geëindigd.
5.10.3.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde oplichting van [benadeelde 1] . [verdachte] heeft verklaard dat hij werkzaam was bij [bedrijf 4] en op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen [verdachte] en [bedrijf 4] vals is.
De omstandigheid dat [verdachte] ten tijde van het ondertekenen van de hypotheekakte niet meer bij [bedrijf 4] in dienst was, is niet als oplichtingsmiddel te kwalificeren. Deze gedraging heeft namelijk betrekking op het verstrekken van een vals document, dat voor het ondertekenen van de hypotheekakte is verstrekt.
[verdachte] moet in ieder geval worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen, omdat [medeverdachte 6] geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de aanvraag van de hypothecaire lening.
Ten aanzien van de oplichting van [benadeelde 2] heeft de verdediging gesteld dat [verdachte] bij [bedrijf 5] werkzaam is geweest. Voldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat de arbeidsovereenkomst tussen [verdachte] en [bedrijf 5] vals is, ontbreekt.
De omstandigheid dat [verdachte] ten tijde van het ondertekenen van de hypotheekakte niet meer bij [bedrijf 5] in dienst was, is niet als oplichtingsmiddel te kwalificeren. Deze gedraging heeft namelijk betrekking op het verstrekken van een vals document, dat voor het ondertekenen van de hypotheekakte is verstrekt.
[verdachte] heeft erkend dat hij verantwoordelijk is voor het tot stand komen en gebruik maken van de arbeidsovereenkomst tussen [medeverdachte 6] en [bedrijf 4] . Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 6] daar geen enkele betrokkenheid bij heeft gehad. Dit blijkt ook niet uit het dossier. Dat betekent dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.
5.10.4.
Het oordeel van de rechtbank.
In feite zijn onder feit 6 primair twee oplichtingen ten laste gelegd: die van [benadeelde 1] en die van [benadeelde 2] . De rechtbank zal deze oplichtingen afzonderlijk bespreken.
5.10.4.1.
Oplichting [benadeelde 1]
Op 9 augustus 2017 heeft [verdachte] bij [benadeelde 1] een hypothecaire lening voor een bedrag van € 350.000,00 aangevraagd voor de financiering van de aankoop van het appartement aan [adres 1] te Rotterdam. Bij deze aanvraag is door [verdachte] ter onderbouwing van zijn inkomenspositie onder meer een werkgeversverklaring van [bedrijf 4] verstrekt.
Op 16 augustus 2017 is door [benadeelde 1] een hypotheekofferte uitgebracht. Deze offerte is op 17 augustus 2017 door [verdachte] en [medeverdachte 6] ondertekend. Op 21 september 2017 hebben zij deze offerte in het bijzijn van de notaris nogmaals ondertekend bij het passeren van de hypotheekakte. Vervolgens heeft [benadeelde 1] de hypothecaire lening verstrekt. [verdachte] heeft tijdens de terechtzitting erkend dat hij op het moment van het passeren van de hypotheekakte niet meer bij [bedrijf 4] werkzaam was en dat hij [benadeelde 1] hierover niet heeft geïnformeerd.
De vraag die rechtbank gezien de tenlastelegging moet beantwoorden is of [verdachte] een (valse) werkgeversverklaring van [bedrijf 4] aan [benadeelde 1] heeft verstrekt, terwijl hij daar niet werkzaam was.
Net als het Openbaar Ministerie en de verdediging vindt de rechtbank dat deze werkgeversverklaring vragen oproept. De rechtbank kan echter op basis van het dossier niet vaststellen dat deze werkgeversverklaring vals is opgemaakt en evenmin dat [verdachte] niet bij [bedrijf 4] werkzaam was. Dat betekent dat dit deel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen. [verdachte] en [medeverdachte 6] zullen hiervan worden vrijgesproken.
De rechtbank moet gezien de tenlastelegging vervolgens beoordelen of [verdachte] een (valse) werkgeversverklaring heeft overgelegd, terwijl hij ten tijde van het ondertekenen van de hypotheekakte niet langer in dienst was bij [bedrijf 4] .
De rechtbank merkt op dat het woord ‘terwijl’ twee betekenissen heeft. Het kan betekenen dat twee gebeurtenissen gelijktijdig plaatsvinden (gelijktijdigheid) en het wordt gebruikt om twee zaken tegenover elkaar te stellen (tegenstelling). Welke betekentis ‘terwijl’ in een concreet geval heeft, is afhankelijk van de context.
De rechtbank constateert dat het Openbaar Ministerie die context niet heeft geschetst. Die blijkt niet uit de tenlastelegging en heeft het Openbaar Ministerie ook niet tijdens de terechtzitting (bijvoorbeeld bij requisitoir) gegeven. Dat betekent dat voor de rechtbank niet duidelijk is welke betekenis van ‘terwijl’ het Openbaar Ministerie bij het opstellen van de tenlastelegging voor ogen had. Daarom zal de rechtbank beide betekenissen bespreken.
Voor zover het Openbaar Ministerie met het woord ‘terwijl’ gelijktijdigheid tot uitdrukking heeft willen brengen, merkt de rechtbank op dat zij hiervoor heeft vastgesteld dat [verdachte] de werkgeversverklaring op 9 augustus 2017 heeft verstrekt en dat de hypotheekakte vervolgens op 21 september 2017 is ondertekend. Van gelijktijdigheid is dus geen sprake.
Voor zover het Openbaar Ministerie hiermee een tegenstelling tot uitdrukking heeft willen brengen, overweegt de rechtbank het volgende. De gebeurtenissen, namelijk het verstrekken van de werkgeversverklaring van [bedrijf 4] en het ondertekenen van de hypotheekakte, terwijl [verdachte] daar niet meer werkte, zijn in dit geval elkaar opvolgende gebeurtenissen. De rechtbank ziet hierin geen tegenstelling.
Dat betekent dat dit deel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen.
Andere oplichtingsmiddelen zijn niet ten laste gelegd. De rechtbank merkt in dit verband op dat het Openbaar Ministerie in het requisitoir heeft benadrukt dat [verdachte] en [medeverdachte 6] hebben verzwegen dat [verdachte] niet langer bij [bedrijf 4] werkzaam was. De rechtbank constateert dat deze gedraging niet in de tenlastelegging is opgenomen.
Dat betekent dat [verdachte] en [medeverdachte 6] van de tenlastegelegde oplichting van [benadeelde 1] zullen worden vrijgesproken.
5.10.4.2.
Oplichting [benadeelde 2] .
Op 9 april 2018 hebben [verdachte] en [medeverdachte 6] bij [benadeelde 2] een aanvraag voor een hypothecaire lening gedaan. Het gaat om een bedrag van € 405.000,00 voor de financiering van de aankoop van het pand aan de [adres 4] te Schiedam. Bij deze aanvraag zijn twee werkgeversverklaringen en twee salarisspecificaties overgelegd. Het gaat ten aanzien van [verdachte] om een werkgeversverklaring en een salarisspecificatie van [bedrijf 5] en ten aanzien van [medeverdachte 6] om een werkgeversverklaring en een salarisspecificatie van [bedrijf 4] .
Op 30 april 2018 heeft [benadeelde 2] een offerte uitgebracht. [verdachte] en [medeverdachte 6] hebben deze offerte op diezelfde datum ondertekend. Op 8 juni 2018 is de hypotheekakte door hen ondertekend.
De vraag die de rechtbank gezien de tenlastelegging moet beantwoorden is of [verdachte] en [medeverdachte 6] (valse) werkgeversverklaringen en salarisspecificaties aan [benadeelde 2] hebben verstrekt, terwijl zij niet bij [bedrijf 5] ( [verdachte] ) dan wel [bedrijf 4] ( [medeverdachte 6] ) werkzaam waren.
Ten aanzien van de werkgeversverklaring en salarisspecificatie van [bedrijf 5] , die zien op [verdachte] , overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank merkt op dat deze stukken vragen oproepen. De rechtbank kan op basis van dossier echter niet vaststellen dat deze vals zijn opgemaakt, maar ook niet dat [verdachte] op het moment van het verstrekken van deze stukken aan [benadeelde 2] niet bij [bedrijf 5] werkte. Dat betekent dat dit deel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen en dat [verdachte] en [medeverdachte 6] in zoverre zullen worden vrijgesproken.
Ook hier moet de rechtbank gezien de tenlastelegging beoordelen of [verdachte] de (valse) werkgeversverklaring en de salarisspecificatie heeft overgelegd, terwijl hij ten tijde van het ondertekenen van de hypotheekakte niet langer in dienst was bij [bedrijf 5] .
Hier geldt wat de rechtbank hiervoor over de betekenissen van ‘terwijl’ heeft overwogen. Zij zal, nu ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging niet duidelijk is welke betekenis van ‘terwijl’ het Openbaar Ministerie voor ogen had, beide betekenissen bespreken.
Gelijktijdigheid kan ook hier niet worden vastgesteld. [verdachte] en [medeverdachte 6] hebben deze stukken namelijk op 9 april 2018 aan [benadeelde 2] verstrekt. De hypotheekakte is enkele maanden later, op 8 juni 2018 ondertekend.
Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een tegenstelling. De gebeurtenissen, het verstrekken van stukken en het ondertekenen van de hypotheekakte, terwijl [verdachte] daar niet meer werkte, zijn in dit geval elkaar opvolgende gebeurtenissen, maar staan niet tegenover elkaar.
Dat betekent dat dit deel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen.
De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat het Openbaar Ministerie ook hier heeft gewezen op de omstandigheid dat [verdachte] en [medeverdachte 6] hebben verzwegen dat [verdachte] op het moment van het tekenen van de hypotheekakte niet langer bij [bedrijf 5] werkzaam was. De rechtbank constateert dat deze gedraging niet in de tenlastelegging is opgenomen.
[verdachte] en [medeverdachte 6] zullen daarom worden vrijgesproken van het ten laste gelegde voor zover dit - kort gezegd - ziet op het verstrekken van de (valse) werkgeversverklaring en loonstrook van [bedrijf 5] .
Ten aanzien van de werkgeversverklaring en salarisspecificatie van [bedrijf 4] , die zien op [medeverdachte 6] , overweegt de rechtbank als volgt.
In het dossier bevindt zich een werkgeversverklaring van [bedrijf 4] . Deze verklaring is ondertekend door [naam 5] op 16 april 2018. In deze verklaring is onder meer vermeld dat [medeverdachte 6] op dat moment bij [bedrijf 4] in dienst is als manager en dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarnaast bevindt zich een salarisspecificatie van maart 2018 van [bedrijf 4] in het dossier.
[medeverdachte 6] heeft op 30 september 2025 tijdens de zitting verklaard dat zij in 2018 niet bij [bedrijf 4] heeft gewerkt. [verdachte] heeft deze verklaring van [medeverdachte 6] bevestigd. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 6] daar niet werkte en dat hij de werkgeversverklaring voor haar heeft geregeld. Hij heeft deze door een vriend laten opstellen. Ook de salarisspecificatie van [medeverdachte 6] klopt dus niet.
De rechtbank stelt gelet hierop vast dat de werkgeversverklaring en de salarisspecificatie van [bedrijf 4] vals zijn opgemaakt en dat [medeverdachte 6] niet bij [bedrijf 4] werkte.
Hiervoor heeft de rechtbank al vastgesteld dat deze stukken bij de aanvraag zijn overgelegd en dat [benadeelde 2] de hypothecaire lening onder meer op basis van deze stukken heeft verstrekt.
De rechtbank heeft hiervoor ook vastgesteld dat [verdachte] en [medeverdachte 6] samen de hypothecaire geldlening hebben aangevraagd. Zij hebben allebei de hypotheekofferte en de hypotheekakte ondertekend. De handtekeningen van [medeverdachte 6] waren nodig voor het verkrijgen van de hypothecaire geldlening. Verder stelt de rechtbank vast dat op de bankrekening van [medeverdachte 6] betalingen van [bedrijf 4] zijn binnengekomen, terwijl [medeverdachte 6] daar niet werkzaam was. Tijdens de zitting op 30 september 2025 heeft [medeverdachte 6] hierover verklaard dat het door [bedrijf 4] betaalde ‘salaris’ op haar bankrekening binnenkwam en dat zij daarvan afwist. Zij wist ook dat dit bedoeld was om de woning in Schiedam te kunnen kopen en dat [verdachte] deze woning niet alleen kon kopen. Uit de verklaring van [medeverdachte 6] blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat zij – anders dan de verdediging heeft gesteld – wel wetenschap heeft gehad van de handelingen die ertoe hebben gestrekt een hypothecaire lening van [benadeelde 2] te verkrijgen.
Door het ondertekenen van de hiervoor genoemde stukken en het ontvangen van ‘salaris’ op haar bankrekeningen heeft [medeverdachte 6] naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijke bijdrage aan de oplichting van [benadeelde 2] geleverd.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 6] bij de oplichting van [benadeelde 2] bewust en nauw hebben samengewerkt en dat dus sprake is van medeplegen.
Dat betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat [verdachte] en [medeverdachte 6] samen [benadeelde 2] hebben opgelicht. Het onder 6 primair ten laste gelegde is in zoverre bewezen.

6.De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Feit 1.
in de periode van 14 augustus 2020 tot en met 15 maart 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebrachthoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:- ongeveer 1,07 miljoen pillen van een materiaal bevattende MDMA;- ongeveer 1,06 miljoen pillen van een materiaal bevattende MDMA, en;- 45.592 gram van een materiaal bevattende MDMA;
Feit 2.
in de periode van 10 februari 2021 tot en met 3 oktober 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, zonder registratie opzettelijk hoeveelheden van een werkzame stof, te weten- ongeveer 102 kilo en 104 kilo ketamine heeft uitgevoerd, en- ongeveer 108 kilo ketamine in voorraad heeft gehad;
Feit 5.
op 6 augustus 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 50 kilo van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 6.
in de periode van 30 april 2018 tot en met 8 juni 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen, [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 405.000 euro voor een hypothecaire geldlening
hebbende hij, verdachte en/of hebbende zij, zijn mededader met vorenomschreven oogmerk opzettelijk valselijk en listiglijk ten behoeve van die hypothecaire geldlening (aan [benadeelde 2] )- een (valse) werkgeversverklaring en een (valse) loon/salarisspecificatie van [bedrijf 4] (met betrekking tot [medeverdachte 6] ) verstrekt terwijl zijn mededader niet daar in dienst was
waardoor [benadeelde 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

7.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. [verdachte] is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

8.Motivering van de straf.

8.1.
De eis van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren en een geldboete van € 50.000,00.
Een kopie van de vordering van het Openbaar Ministerie is aan dit vonnis gehecht.
8.2.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet dient te worden aangesloten bij de buitengewoon forse eis van het Openbaar Ministerie. De verdediging heeft de rechtbank in dat verband gewezen op de bepleite vrijspraken, de (mogelijke) samenloop tussen verschillende feiten, het feit dat de strafbedreiging van ketamine niet gelijk te schakelen is met die van Opiumwetdelicten – in het bijzonder niet in het geval van export – en dat dit dossier gevrijwaard lijkt van zware vormen van georganiseerde criminaliteit.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door [verdachte] gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Gepleegde feiten.
[verdachte] heeft zich in een periode van ruwweg drie en een half jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan de (aankoop en) vervoer van 50 kilogram MDMA, het buiten het grondgebied brengen van respectievelijk 1,06 en 1,07 miljoen xtc-pillen, alsook de (verlengde) uitvoer van ruim 45 kilogram MDMA. Het eindpunt van de export betrof (telkens) Maleisië, met dien verstande dat de (voorgenomen) export van 45 kilogram MDMA-pillen door de douane werd onderschept. Daarnaast heeft hij achtereenvolgens 102 en 104 kilogram ketamine geëxporteerd naar Taiwan en 108 kilogram ketamine in voorraad gehad. Voor dat laatste geldt dat deze eveneens een Oost-Aziatische bestemming had, ware het niet dat ook deze zending op luchthaven Schiphol door de douane werd tegengehouden.
[verdachte] heeft zich in de periode van 21 september 2017 tot en met 8 juni 2018 ook samen met een ander schuldig gemaakt aan oplichting van [benadeelde 2] teneinde een hypothecaire geldlening te verkrijgen voor de aankoop van een woning.
Gevolgen van de feiten en de ernst van de feiten.
[verdachte] heeft – in georganiseerd verband – een wezenlijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van de (internationale) drugshandel. De handel in verdovende middelen gaat gepaard met vele vormen van criminaliteit en ondermijnt de rechtsorde. Daarnaast brengt deze handel aanzienlijke risico’s voor de volksgezondheid met zich. Hoewel ketamine valt onder de Geneesmiddelenwet en niet onder de Opiumwet is het evident dat dit middel op een vergelijkbare wijze wordt geproduceerd, verhandeld en gebruikt als harddrugs. Het heeft ook vergelijkbare negatieve gevolgen voor de gezondheid van de gebruikers ervan.
[verdachte] vervulde binnen de organisatie een sturende en proactieve rol waarin hij optrad als opdrachtgever. In dat verband onderhield hij de (internationale) contacten met betrokkenen voor de handel in verdovende middelen, regelde hij de benodigde grondstoffen voor de productie van die middelen en gaf hij richting aan de uitvoering van de strafbare activiteiten. Daarmee nam hij een centrale positie in binnen het criminele proces. Kortom: [verdachte] was dé motor achter de diverse drugstransporten. In dat licht passen ook de gesprekken die hij voerde met de partner van [naam 3] ; daaruit volgt dat [verdachte] zich al járen bezighield met de handel in verdovende middelen en zich – op een uitzondering daargelaten – onbespied, haast onaantastbaar, waande.
[verdachte] heeft gehandeld uit financieel gewin en heeft zich daarbij geen enkele rekenschap gegeven van de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen.
Daarnaast heeft [verdachte] zich – als gezegd – samen met [medeverdachte 6] schuldig gemaakt aan oplichting van een bank teneinde een hypothecaire geldlening te verkrijgen. Hij heeft samen met [medeverdachte 6] bewust onjuiste gegevens verstrekt met als doel de bank te bewegen tot het verstrekken van financiering waarop zij onder de werkelijke omstandigheden geen aanspraak hadden kunnen maken. [medeverdachte 6] had was immers niet werkzaam bij [bedrijf 4]
Door zo te handelen heeft [verdachte] het vertrouwen dat financiële instellingen moeten kunnen stellen in de juistheid en volledigheid van de door aanvragers verstrekte informatie geschaad. Het hypotheekverkeer is in belangrijke mate gebaseerd op vertrouwen. Wanneer dat vertrouwen wordt misbruikt, wordt niet alleen schade toegebracht aan de betrokken financiële instelling, maar wordt ook de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast.
Dat [verdachte] bereid is geweest financiële instellingen te misleiden om persoonlijk financieel voordeel te behalen, rekent de rechtbank hem aan.
De persoon van verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende [verdachte] . Daaruit volgt dat hij in 2009 door de meervoudige strafkamer in Breda is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Uit het betreffende vonnis (ECLI:NL:RBBRE:2009:BH2386) blijkt dat [verdachte] zich destijds samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van meer dan vier miljoen onveraccijnsde sigaretten. Daarnaast heeft verdachte samen met anderen meer dan 600 kilogram hennep ingevoerd vanuit Thailand. [verdachte] vervulde bij dat transport een organiserende en leidende rol, zo volgt uit de inhoud van het genoemde vonnis. Hoewel dit vonnis van lang geleden is, bevestigt het de eigen opmerkingen van [verdachte] die impliceren dat hij al zeer lang actief is in de handel in verdovende middelen.
In het nadeel van [verdachte] betrekt de rechtbank voorts dat hij – nadat zijn voorlopige hechtenis was geschorst en hij zich conform de schorsingsvoorwaarden wekelijks bij de politie meldde – vlak voor de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting zijn meldplicht bij de politie niet nakwam en (alsnog) de wijk nam. Dat [verdachte] zich destijds bereid toonde zich aan de schorsingsvoorwaarden te houden werd – zo blijkt nu – enkel met de mond beleden. Van [verdachte] ontbreekt nog ieder spoor; tot aan de sluiting van dit vonnis heeft de rechtbank van [verdachte] vernomen noch is duidelijk waar hij zich bevindt.
Redelijke termijn.
De rechtbank neemt in de onderhavige zaak bij de bepaling van de aanvang van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak tot een uitspraak dient te leiden als uitgangspunt 8 april 2024; de dag van inverzekeringstelling. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren stelt de rechtbank vast dat deze met drie maanden (en één dag) is overschreden. De rechtbank is echter van oordeel dat dit gezien de omvang van de zaak een relatief geringe overschrijding is. Er is sprake geweest een zeer omvangrijk onderzoek met elf verdachten en vele zaaksdossiers. De rechtbank zal derhalve volstaan met de vaststelling dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, maar zal hier geen gevolgen aan verbinden.
De rechtbank merkt op dat zij heeft gezien dat [verdachte] de oplichting van [benadeelde 2] in 2018 heeft gepleegd en houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met het aanzienlijke tijdsverloop.
De op te leggen straf en de tenuitvoerlegging daarvan.
Voor de export van tweemaal ruim een miljoen xtc-pillen en ruim 45 kilogram MDMA, het vervoeren van 50 kilogram MDMA, de export van tweemaal ruim 100 kilogram ketamine, het in voorraad hebben van meer dan 100 kilogram ketamine en het oplichten van de bank past in beginsel een gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank baseert dat op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en uitspraken in vergelijkbare zaken.
Hoewel de Geneesmiddelenwet (in verbinding met de Wet economische delicten) een andere maximale strafbedreiging kent dan de Opiumwet, in het bijzonder in geval van uitvoer, zal de rechtbank, uiteraard met inachtneming van die maximale strafbedreiging, in de op te leggen straf voor de feiten die verband houden met ketamine wel aansluiting zoeken bij straffen die voor vergelijkbare hoeveelheden harddrugs worden opgelegd, juist vanwege het overeenkomstige gebruik en schadelijke gevolgen daarvan.
In deze zaak vindt de rechtbank in verband met een juiste normhandhaving de oplegging van een langdurige gevangenisstraf de enige passende straf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de bijzondere omstandigheden met betrekking tot de feiten en de persoon van verdachte, zoals hiervoor is weergegeven.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren met aftrek van de tijd die [verdachte] reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden is. De rechtbank zal daarmee een lichtere straf opleggen dan de door het Openbaar Ministerie gevorderde straf, nu de rechtbank [verdachte] van een aantal feiten zal vrijspreken. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Anders dan het Openbaar Ministerie acht de rechtbank de strafmodaliteit van een geldboete naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet opportuun. Hoewel de rechtbank haar ogen niet sluit voor de in dat verband gegeven argumenten van het Openbaar Ministerie – de aanwijzingen dat [verdachte] uit de bewezen verklaarde feiten financieel voordeel heeft behaald zijn overvloedig – is zij niettemin van oordeel dat de geldboete als strafmodaliteit louter een punitief karakter draagt en in de voorliggende zaak enkel symbolische waarde toekomt. Met andere woorden: daarmee wordt niet beoogd illegaal verkregen voordeel af te pakken om de dader terug te brengen in de financiële positie waarin hij verkeerde vóór het strafbare feit, als ware het een (verkapte) ontneming ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis.
De schorsing van de voorlopige hechtenis is reeds bij bevel van 11 mei 2026 opgeheven, zodat daarop geen beslissing hoeft te worden genomen.

9.De vorderingen van de benadeelde partijen

9.1.
[benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft een vordering ingediend (gedagtekend op 24 september 2025) van een bedrag van € 2.500,00, bestaande uit vergoeding van materiële schade, te weten onderzoekskosten en administratiekosten.
9.1.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij voor volledige toewijzing vatbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De vorderingen kunnen naar de visie van het Openbaar Ministerie hoofdelijk worden opgelegd.
9.1.2.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
9.1.3.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat het betreffende schadevergoedingsformulier is ingevuld door [naam 6] Niet blijkt dat deze persoon gemachtigd is om de benadeelde partij te vertegenwoordigen in verband met het verzoek tot schadevergoeding. Evenmin is duidelijk in welke hoedanigheid de betreffende persoon namens de benadeelde partij optreedt. De benadeelde partij is niet ter terechtzitting verschenen om het voorgaande eventueel – bij monde van een vertegenwoordiger – te herstellen of anderszins te verduidelijken. Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat het verzoek tot schadevergoeding op geen enkele manier is onderbouwd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de door of namens haar ingediende vordering en bepalen dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
9.2.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft een vordering ingediend (gedagtekend 11 september 2025) van een bedrag van € 1.440,00, bestaande uit vergoeding van materiële schade, te weten onderzoekskosten.
9.2.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij voor volledige toewijzing vatbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De vorderingen kunnen naar de visie van het Openbaar Ministerie hoofdelijk worden opgelegd.
9.2.2.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
9.2.3.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien [verdachte] zal worden vrijgesproken van het feit, kort gezegd de oplichting van [benadeelde 1] , waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.
De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

10.Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat dit voorwerpen zijn:
- die aan [verdachte] toebehoorden en die geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten zijn verkregen, en;
- met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan [verdachte] toebehoorden.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat dit voorwerpen zijn die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemene belang.
De rechtbank zal tot slot de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan [verdachte] nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

11.Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet;
1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, en;
38 van de Geneesmiddelenwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
  • spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 en feit 4 ten laste gelegde;
  • verklaart het onder feit 1, feit 2, feit 5 en feit 6 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1, feit 2, feit 5 en feit 6 primair bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde:
-
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:
-
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd
Ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde:
-
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
Ten aanzien van het onder feit 6 primair ten laste gelegde:
-
medeplegen van oplichting
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
- een
gevangenisstrafvoor de duur van
elf jarenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing op het beslag:
De rechtbank legt op de volgende bijkomende straffen:
  • verbeurdverklaringvan de overwaarde (€ 222.960,54) van 1 STK Onroerende registergoederen (Omschrijving: [adres 3] te Schiedam);
  • verbeurdverklaringvan 1 STK GSM (Omschrijving: Samsung telefoon PL2600-LERCF22003_811192);
  • verbeurdverklaringvan 1 STK GSM (Omschrijving: PL2600-LERCF22003_811305 Samsung Galaxy, zwart).
De rechtbank gelast de
onttrekking aan het verkeervan de inbeslaggenomen goederen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijk beslagtitel van 7 januari 2026, te weten:
  • 1 STK Drugs (Omschrijving: PL2600-LERCF22003_811211 wit poeder in zakje);
  • 1 STK Drugs (Omschrijving: PL2600-LERCF22003_811215 5 witte pilletjes)
De rechtbank gelast de
teruggavevan de inbeslaggenomen goederen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijk beslagtitel van 7 januari 2026, te weten:
- 1 STK Onroerende registergoederen (Omschrijving: [adres 1] a te Rotterdam);
  • 1 STK Vorderingen [rekeningnummer 1] tnv [verdachte] valuta: euro (Omschrijving: PL2600-LERCF22003_810494);
  • 1 STK Rechten aan toonder (Omschrijving: 1200,01855800 USDT);
  • 1 STK Rechten aan toonder (Omschrijving: 2,00829501 ETH);
  • 3524 STK Rechten aan toonder, 3524,36 euro, IBN 09-04-24 (Omschrijving: [bank] );
  • 1 STK GSM (Omschrijving: LERCF22003_811124 Apple lphone zilver, Zilver, merk: Apple);
  • 3705 EUR Rechten aan toonder, 811653 (Omschrijving: Saldo account Satos dd 10-04-24 CHENL76 LERCF22003_811653);
  • 1 STK Administratie (Omschrijving: PL2600-LERCF22003_811204 Recovery sheet met woorden);
  • 1 STK Horloge (Omschrijving: LERCF22003_811098 Hologe met merk Patek Philippe, Patek Philippe);
  • 1 DS Doos (Omschrijving: LERCF22003_811177 Doos Patek Phillipe leeg met mapje uitleg);
  • 1 STK Telefoonautomaat (Omschrijving: GPS Trackter PL2600-LERCF22003_811212);
  • 1 STK Administratie (Omschrijving: Papiertjes met nummers en woorden PL2600-LERCF22003_811226);
  • 1 STK Vorderingen (Omschrijving: 1 STK Vorderingen [rekeningnummer 2] tnv [verdachte] valuta: euro);
  • 1 STK Vorderingen (Omschrijving: 1 STK Vorderingen, [rekeningnummer 3] tnv L. [verdachte] PL2600-LERCF22003_808547);
  • 1 STK Stropdas (Omschrijving: LERCF22003_811153 Hermes doos met stropdas);
  • 1 STK Riem (Omschrijving: LERCF22003_811155 Riem met logo Dior);
  • 1 STK Riem (Omschrijving: LERCF22003_811156 Zwarte riem van Hermes);
  • 1 STK Riem (Omschrijving: LERCF22003_811174 Chanel doos zwart met zwarte riem chanel);
  • 1 STK Sieradendoos (Omschrijving: LERCF22003_811176Rolex doos leeg met boekje uitleg);
  • 1 STK Asbak (Omschrijving: LERCF22003_811229 asbak Hermes);
  • 4 PR Servies (Omschrijving: LERCF22003_811230 4 x kop en schotel van merk Hermes);
  • 1 STK Bord (Omschrijving: LERCF22003_811231 Groot rond bord van Hermes);
  • 1 STK Horloge (Omschrijving: LERCF22003_811237 Herenhorloge met de naam Rolex zilver met zwarte kast);
  • 1 STK Ring (Omschrijving: LERCF22003_811239 Zilveren ring Hermes);
  • 1 STK GSM (Omschrijving: Iphone Apple 13 pro max goudkleurig PL2600-LERCF22003_811108, Apple);
  • 1 STK GSM (Omschrijving: Apple Iphone zwart PL2600-LERCF22003_811123);
  • 1 STK GSM (Omschrijving: Apple Iphone zilver PL2600-LERCF22003_811180);
  • 1 STK GSM (Omschrijving: Iphone Apple blauw/zilver PL2600-LERCF22003_811181);
  • 1 STK USB-stick (memorykaart) (Omschrijving: Ledger Zilver met zwart PL2600-LERCF22003_811184);
  • 1 STK GSM (Omschrijving: Apple Iphone blauw PL2600-LERCF22003_811193);
  • 1 STK USB-stick (memorykaart) (Omschrijving: Ledger Zilver met zwart PL2600-LERCF22003_811208);
  • 1 STK USB-stick (memorykaart) (Omschrijving: Ledger Zilver met zwart met woorden PL2600-LERCF22003_811210);
  • 1 STK USB-stick (memorykaart) (Omschrijving: Ledger Zilver met rood PL2600-LERCF22003_811225);
aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: [verdachte] , zijnde verdachte.
Beslissing op de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] :
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de door haar ingediende vordering. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de door haar ingediende vordering. De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. N. Flikkenschild en mr. C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 9 juli 2026.