ECLI:NL:RBOBR:2026:4839

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
71/108178-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a OpiumwetArt. 10, vierde en vijfde lid Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs voorbereidingshandelingen synthetische drugs

In het strafrechtelijk onderzoek 26Newent werd verdachte verdacht van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor productie en handel in synthetische drugs tussen juli 2022 en april 2024. Het Openbaar Ministerie baseerde haar bewijs op observaties, OVC-gesprekken en andere bewijsmiddelen. De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van de OVC-gesprekken, waarop de rechtbank het NFI inschakelde voor nader onderzoek.

Het NFI concludeerde dat de OVC-opnames slecht verstaanbaar waren en dat de transcripties niet zonder meer als accuraat konden worden beschouwd. De rechtbank oordeelde dat de door het NFI onderzochte gesprekken niet als bewijs konden dienen en dat ook de overige gesprekken niet zonder meer bruikbaar waren vanwege mogelijke sturing door contextinformatie en slechte geluidskwaliteit.

De rechtbank beoordeelde per tenlastegelegde handeling het bewijs en concludeerde dat geen van de voorbereidingshandelingen wettig en overtuigend bewezen kon worden. Ook het gebruik van cryptotelefoons door verdachte kon niet worden vastgesteld. De rechtbank sprak verdachte daarom integraal vrij van het ten laste gelegde en gelastte de teruggave van inbeslaggenomen goederen. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs voor voorbereidingshandelingen synthetische drugs.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 71.108178.24
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [1983] ,
wonende te [adres 1] .

1.Algemene inleiding.

Op 8 april 2022 werd onder leiding van de officier van justitie van het Landelijk Parket, Team Den Bosch, door het Cluster Synthetische Drugs van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies, een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam 26Newent.
Ten behoeve van het onderzoek werd vanuit het onderzoek 26Eagles toestemming verleend tot het gebruik van veiliggestelde chatberichten, gevoerd via het telefonie encryptie platform ANOM.
Door het onderzoeksteam 26Newent werd de informatie uit de ANOM-databerichten nader
onderzocht. Uit deze informatie bleek volgens het onderzoeksteam dat [medeverdachte 1] zich bezighield met de handel in synthetische drugs (alsook ketamine) én daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen en betalingen. Op basis van de inhoud van de genoemde ANOM-berichten, observaties, taps en camerabeelden werden lopende het onderzoek meerdere (nader te noemen) personen als (mede)verdachten aangemerkt die volgens het Openbaar Ministerie op enigerlei wijze strafbare betrokkenheid hebben gehad bij de (pre)productie en export van synthetische drugs en ketamine naar verschillende Oost- en Zuidoost-Aziatische landen.
Voor een aantal verdachten in dit onderzoek geldt dat zij (ook) worden verdacht van het plegen van oplichting en/of witwassen.
Binnen onderzoek 26Newent zijn de volgende elf personen als verdachte aangemerkt: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] .
Dit vonnis ziet op de zaak die naar aanleiding van onderzoek 26Newent tegen [verdachte] aanhangig is gemaakt.

2.Het onderzoek ter terechtzitting.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 augustus 2024, 8 januari 2025, 29 september 2025, 2 oktober 2025, 11 mei 2026, 12 mei 2026, 18 mei 2026 en 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: het Openbaar Ministerie) en van hetgeen van de zijde van [verdachte] naar voren is gebracht.

3.De beschuldiging in de tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juli 2024. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 januari 2025 is gewijzigd, is aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort en zakelijk weergegeven:
- het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van en handel in synthetische drugs, in de periode van 8 juli 2022 tot en met 8 april 2024 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Tilburg en/of Breda en/of Waalwijk en/of een of meer (overige) plaatsen in Nederland.
De volledige tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

4.De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en het Openbaar Ministerie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

5.Beslissing over het bewijs.

5.1.
Inleiding.
[verdachte] wordt verweten dat hij zich in de periode van 8 juli 2022 tot en met 8 april 2024 samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het voorbereiden of bevorderen van Opiumwetfeiten. De feitelijke verwijten zien – verkort weergegeven - op het voorhanden hebben van cryptotelefoons, het communiceren daarmee en het hebben van ontmoetingen waarbij is gesproken over grondstoffen voor en productie van synthetische drugs, de handel daarin en opbrengstpercentages en geldstromen daarvan. Daarnaast bestaan de feitelijke verwijten uit het verwerven en voorhanden hebben van hiervoor bedoelde grondstoffen, het omzetten daarvan, het huren en ter beschikking hebben van een loods (aan de [adres 2] te Ter Aar), het onderhouden van contact met laboranten, transporteurs en/of expediteurs en het regelen en verzendklaar maken van dekladingen.
Zoals hiervoor weergegeven wordt [verdachte] verweten dit feit samen met anderen te hebben gepleegd. De rechtbank zal in het navolgende de medeverdachten – voor zover aan de orde – aanduiden bij hun achternaam.
In het navolgende zal eerst het standpunt van het Openbaar Ministerie worden weergegeven, daarna dat van de verdediging. De rechtbank zal daarna eerst stilstaan bij de reikwijdte van de verdenking, waarna zij het te hanteren juridisch kader zal opnemen, om vervolgens per verweten handeling te beoordelen of die op zichzelf bewijsbaar is en zo ja, of deze, getoetst aan het juridische kader, ook een voorbereidingshandeling betreft als bedoeld in artikel 10a Opiumwet. Daarna zal de rechtbank conclusies trekken.
5.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit.
Daartoe heeft het Openbaar Ministerie – verkort weergegeven – aangevoerd dat op basis van observaties en meerdere opgenomen gesprekken op openbare plaatsen en in de auto van [medeverdachte 2] kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] zich bezighoudt met het verwerven van grondstoffen voor de productie van synthetische drugs en deze afzet aan [medeverdachte 5] en [verdachte] , die er op hun beurt voor zorgen dat deze grondstoffen worden omgezet in synthetische drugs. [medeverdachte 5] en [verdachte] hebben contacten met laboranten. Een deel van de geproduceerde drugs, met name MDMA, zou worden teruggeleverd aan [medeverdachte 1] , die deze middelen vervolgens exporteert. Het Openbaar Ministerie ziet [medeverdachte 2] als de rechterhand van [medeverdachte 1] . Zij hebben veelvuldig contact met elkaar, hij rijdt [medeverdachte 1] naar ontmoetingen met [medeverdachte 5] en [verdachte] en voert werkzaamheden voor [medeverdachte 1] uit, bestaande uit het verzendklaar maken van dekladingen met daarin verdovende middelen. [medeverdachte 4] is betrokken voor de logistiek, de bedrijven, loodsen, dekladingen en het transport van smokkelzendingen.
Er is, na betwisting door sommige advocaten, in opdracht van de rechtbank door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzoek gedaan naar de opnamen vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC) en de verslaglegging daarvan in het dossier. De passages die zijn onderzocht en niet verstaan door het NFI zullen door het Openbaar Ministerie niet worden gebruikt in de bewijsconstructie. De conclusie dat de uitwerking van het gehele gesprek niet klopt, of dat de uitwerking van de andere gesprekken niet klopt, kan niet worden getrokken. De rode draad in al deze gesprekken is dat er telkens gesproken wordt over activiteiten die te maken hebben met de productie van en handel in verdovende middelen. Bovendien passen de gesprekken naadloos in de context van het hele dossier, dat ook over drugs gaat.
De gesprekken die [verdachte] voerde over PMA, ketamine en apaan maken dat hij voorbereidingshandelingen ten aanzien van de handel in en productie van synthetische drugs heeft gepleegd.
Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen wettig en overtuigend te bewijzen zijn.
5.3.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging van [verdachte] heeft vrijspraak voor dit feit bepleit. Daartoe is – onder meer – aangevoerd dat, zeker gelet op de NFI-rapportage over de OVC-gesprekken, niet zomaar uitgegaan kan worden van de weergave van de gesprekken in het dossier. Sterker nog, van de meest cruciale uitwerkingen voor de onderbouwing van de tenlastelegging kan juist niet worden uitgegaan. Het is de verantwoordelijkheid van de rechtbank om een bewezenverklaring enkel te baseren op betrouwbare bewijsmiddelen. Nu van de betrouwbaarheid van de tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] opgenomen gesprekken niet onverkort en zonder meer kan worden uitgegaan, kunnen deze niet gebruikt worden voor het bewijs. Er zijn voorts geen andere bevindingen die onderbouwen dat de strekking van de ontmoetingen valt binnen de strafbaarstelling van artikel 10a van de Opiumwet. Daarbij is van belang dat een gesprek over Opiumwetmisdrijven niet meteen strafbaar is. Enkel die gesprekken die bestemd zijn om Opiumwetmisdrijven daadwerkelijk voor te bereiden of bevorderen zijn dat. Het enkele samenspannen, het overeenkomen tussen twee of meer personen om een misdrijf te plegen, is niet voldoende.
5.4.
Het oordeel van de rechtbank.
5.4.1.
Reikwijdte van de verdenking.
De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging ten aanzien van de verdenking van de voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet behoorlijk algemeen is geformuleerd. De ten laste gelegde periode is fors en de verweten handelingen zijn generiek geformuleerd. Tegen de achtergrond van een enorm einddossier in onderzoek 26Newent, waarin sprake is van verschillende zaaksdossiers met beschreven voltooide delicten, zoals de export van xtc, bestaat bij een dergelijke redactie van de tenlastelegging het risico dat onduidelijk is waar de tenlastelegging precies op ziet.
Verschillende verdachten worden ter zake voltooide transporten van xtc én voorbereidingshandelingen vervolgd. Juridisch toelaatbaar is dat voor eenzelfde partij drugs zowel de in artikel 10a van de Opiumwet bedoelde voorbereiding of bevordering van een feit uit artikel 10, vierde of vijfde lid, als het voltooide feit uit artikel 10, vierde of vijfde lid van de Opiumwet wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard. In dat geval zal van eendaadse samenloop sprake zijn. De vraag is echter of dat hier ook is beoogd.
De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat het allereerst het zaaksdossier zelf is (in casu Zaaksdossier Voorbereidingshandelingen, Artikel 10 a Opiumwet) waar de verdenking op is gebaseerd. Daarnaast kan de bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging, het Openbaar Ministerie, ook een rol spelen om de reikwijdte van de verdenking te beoordelen. Deze bedoeling is mede kenbaar door uitlatingen van het Openbaar Ministerie tijdens het onderzoek ter terechtzitting, in het bijzonder het requisitoir.
Het zaaksdossier Voorbereidingshandelingen, Artikel 10a Opiumwet ziet niet op de andere ten laste gelegde, voltooide transporten. Het requisitoir gaat hier niet expliciet op in. Daarbij wreekt zich dat het Openbaar Ministerie niet precies verwoordt welke handelingen zij per verdachte bewezen acht, maar volstaat met de stelling ‘De tenlastegelegde voorbereidingshandelingen kunnen voor alle verdachten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.’ Uit de daarvoor gegeven onderbouwing leidt de rechtbank echter af dat de verweten voorbereidingshandelingen niet zien op handelingen die ook deel uitmaken van tevens ten laste gelegde voltooide delicten. De rechtbank zal deze verdenking dan ook aldus beoordelen.
5.4.2.
Juridisch kader.
In dit zaaksdossier spelen ontmoetingen in openbare horecagelegenheden een grote rol. Van de gesprekken die tijdens die ontmoetingen plaatsvonden zijn door de politie geluidsopnamen gemaakt, die zijn uitgeluisterd en in het dossier beschreven. Gelet op de betwisting van de juistheid van die beschrijvingen zal de rechtbank stil moeten staan bij de bruikbaarheid voor het bewijs van die uitgeschreven gesprekken. De rechtbank zal daarom allereerst het juridisch kader voor het gebruik van OVC-gesprekken geven. Daarna zal de rechtbank aandacht besteden aan het juridisch kader dat geldt in zaken waarin voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet zijn ten laste gelegd.
Vervolgens zal de rechtbank per handeling beoordelen of deze is te bewijzen, waarna zij, met toepassing van het juridisch kader, zal vaststellen of die handelingen ook te kwalificeren zijn als voorbereidingshandelingen. Tot slot zal de rechtbank conclusies trekken over de bewezenverklaring.
5.4.2.1.
Juridisch kader gebruik OVC-gesprekken.
In de rechtspraak is vaker de vraag aan de orde gekomen wat de bewijswaarde is van (OVC-)gesprekken. In lijn met die jurisprudentie hanteert de rechtbank het volgende als juridisch uitgangspunt.
De rechter kan meestal niet zonder meer aannemen dat in het dossier opgenomen gesprekken over bepaalde strafbare gedragingen gaan, als de verdachte dat ontkent. Dat kan alleen dan, als die gesprekken maar voor één uitleg vatbaar zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als de verdachte daarin zelf met zoveel woorden zegt dat hij die strafbare gedragingen heeft gepleegd. Als dat niet zo is, zijn die gesprekken dus voor meerdere uitleg vatbaar. Dat hoeft die gesprekken niet onbruikbaar te maken voor het bewijs, maar wel moet de rechter dan voorzichtig zijn bij het geven van een interpretatie van die gesprekken. Die voorzichtigheid brengt mee dat goed moet worden gekeken naar de inhoud en het onderling verband van die gesprekken en naar het verband met andere bewijsmiddelen. Bij dat onderzoek kan ook van belang zijn wat er over de deelnemers aan de gesprekken, of over anderen die in die gesprekken ter sprake komen, nog meer is gebleken. Bijvoorbeeld als is gebleken dat zij op de één of andere manier bij het strafbare feit betrokken zijn, kan dat meewegen bij de interpretatie van de gesprekken. Verder kan het feit dat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht soms in zijn nadeel werken. Dat kan ook zo zijn als hij een verklaring over de gesprekken aflegt die niet te verifiëren is. Ook het moment waarop hij die verklaring aflegt kan van belang zijn. Zo kan een verdachte, als hij het dossier kent, zijn verklaring daarop afstemmen. Of de rechter het zwijgen van de verdachte of het afleggen van een ongeloofwaardige verklaring echt in zijn nadeel laat meewegen, hangt ook af van de vraag hoeveel bewijs er tegen hem in het dossier zit.
Overigens geldt dat de interpretatie van de inhoud van een gesprek (‘waar gaat dit gesprek over?’) niet hetzelfde is als het beoordelen van de bewijswaarde daarvan (‘wat bewijst dit gesprek?’). Zelfs als de verdachte zegt dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd, hoeft dat nog niet de waarheid te zijn. De interpretatie van de woorden van het gesprek en de betekenis van de inhoud van dat gesprek voor het bewijs zijn twee verschillende dingen. Die moeten daarom afzonderlijk worden beoordeeld.
5.4.2.2.
Juridisch kader voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet.
Artikel 10a van de Opiumwet somt een aantal voorbereidings- of bevorderingshandelingen op ten aanzien van de misdrijven bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid van de Opiumwet. Hiermee zijn opzettelijke voorbereidings- en bevorderingshandelingen strafbaar gesteld van het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren, vervaardigen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van lijst I-middelen. Dit artikel is dus niet van toepassing op ketamine, dat niet op één van de in de Opiumwet opgenomen lijsten staat.
Er is sprake van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet indien de verdachte opzettelijk (1) een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daar daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid middelen of lichtingen te verschaffen (2), zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen, en/of (3) voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstig moet vermoeden dat deze bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Er moet worden beoordeeld of deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met deze handelingen voor ogen had.
Artikel 10a van de Opiumwet betreft een ‘opzetdelict’. Het opzet in deze bepaling omvat alle gradaties van opzet, inclusief het voorwaardelijk opzet. Het opzet ziet zowel op het voorbereiden of bevorderen van een feit als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, als de hiervoor onder 1 tot en met 3 genoemde handelingen. Niet vereist is dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze dienen, wel dienen zij met een voorgenomen concreet misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid van de Opiumwet in verband te staan.
Over het bewijs van de bestemming van de voorhanden zijnde voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen zei de wetgever het volgende: ‘De bestemming zal uit alle ter zake relevante omstandigheden kunnen worden afgeleid. Men denke bij voorbeeld aan het geval dat een auto is aangeschaft en een koerier is geworven, die voorzien van geld en opdrachten op het punt staat naar het buitenland te vertrekken om daar heroïne in te kopen’ (Kamerstukken II 1982/83, 17975, 3, p. 13). Voor het bewijzen van de bestemming komt het aan op de vraag of de voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had.
5.4.3.
Beoordeling van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen.
De rechtbank zal per verweten handeling hieronder beoordelen of er voldoende bewijs bestaat dat [verdachte] zich daaraan heeft schuldig gemaakt. Daarna zal in een aparte overweging worden beoordeeld of de te bewijzen handelingen ook zijn te kwalificeren als voorbereidingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.
5.4.3.1.
Voorhanden hebben van (crypto)telefoon(s).
Het dossier bevat voldoende bewijs om te concluderen dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de ten laste gelegde periode de gebruikers waren van ANOM-accounts. De rechtbank leidt daaruit af dat zij in die periode voor het gebruik daarvan ook een cryptotelefoon voorhanden hebben gehad.
Het dossier bevat geen bewijsmiddelen dat [medeverdachte 5] of [verdachte] een cryptotelefoon voorhanden hebben gehad. Weliswaar wordt er in het dossier melding gemaakt van het feit dat [verdachte] gebruik zou hebben gemaakt van het ANOM-account Teamvast, maar stukken die dat onderbouwen heeft de rechtbank niet aangetroffen.
Hoewel het woord ‘crypto’ in de tenlastelegging tussen haakjes is geplaatst, houdt de rechtbank het ervoor dat wel specifiek cryptotelefoons worden bedoeld door het Openbaar Ministerie. Dit leidt de rechtbank mede af uit het requisitoir, waar in dit verband met geen woord wordt gerept over het gebruik van normale telefoons. Bovendien speelt communicatie via gewone telefoons in het dossier niet of nauwelijks een rol.
5.4.3.2.
Via die (crypto)telefoon(s) communiceren.
In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] via cryptotelefoons communiceerden. Voor de andere verdachten kan dat niet worden vastgesteld.
5.4.3.3.
Ontmoetingen waarbij is gesproken over (levering van) grondstoffen voor de productie van synthetische drugs en/of het productieproces en/of de handel van/in synthetische drugs en /of de opbrengstpercentages/geldstromen en/of dekladingen en/of productie-/verpaklocatie(s).
Het dossier bevat voldoende bewijs om te concluderen dat er in de ten laste gelegde periode diverse ontmoetingen hebben plaatsgevonden tussen verdachten. Uit observatieverslagen blijkt dat [medeverdachte 1] regelmatig contact heeft met [medeverdachte 5] en [verdachte] . Deze ontmoetingen vonden vaak plaats in restaurants nabij een snelweg. Af en toe was [medeverdachte 2] daar ook bij aanwezig. Ook waren er wel eens andere mensen bij, die niet als verdachte in onderzoek 26Newent zijn vervolgd. Uit het dossier volgt ook dat er ontmoetingen waren tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . De ontmoetingen op zichzelf zijn niet betwist, op één enkele ontmoeting in Oirschot na, waarbij [verdachte] heeft betwist aanwezig te zijn geweest.
Cruciaal voor de duiding van deze ontmoetingen in het licht van de tenlastelegging is wat er tijdens deze ontmoetingen is besproken. De enige kenbron van wat tijdens de ontmoetingen besproken is, wordt, behoudens summiere verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 5] , gevormd door de OVC-gesprekken en de schriftelijke vastlegging daarvan in het dossier.
Nadat de advocaten in de gelegenheid zijn gesteld de OVC-gesprekken te beluisteren hebben enkelen van hen de rechtbank erop gewezen dat de beschrijving van de gesprekken in het dossier niet (volledig) overeenkomt met wat op de opnames te horen is. De rechtbank besloot daarop zelf naar de betwiste gesprekken te luisteren. De rechtbank kwam na het luisteren tot de conclusie dat de uitwerking in het dossier niet onverkort en zonder meer als een accurate weergave van de afgeluisterde gesprekken kan worden beschouwd en heeft het noodzakelijk geacht het NFI nader onderzoek naar de OVC-gesprekken te laten doen.
Bij twee rapporten van 2 april 2026 heeft het NFI verslag gedaan van de bevindingen van de onderzoekers naar aanleiding van de onderzoeksvraag van de rechtbank. In die rapporten heeft het NFI onder meer het volgende opgeschreven:
Over het geheel genomen is het spraakmateriaal in deze OVC-opnames slecht te verstaan. Voor de NFI-onderzoekers geldt dit des te meer, omdat zij niet beschikken over enige contextkennis. Echter, ook uit de liggende politie-uitwerkingen valt af te leiden hoe slecht verstaanbaar de opnames zijn. Het valt misschien in eerste instantie niet direct op, maar het aantal keren dat delen ook door de politie niet zijn verstaan is bijzonder groot. Delen die niet verstaan zijn in deze uitwerkingen zijn destijds door de politie gemarkeerd als ‘NTV’, ‘ntv’ of ‘onverstaanbaar’.
Het feit dat de onderzoekers niet over contextinformatie beschikten is van belang. Het NFI rapporteert:
Het verstaan van spraak wordt door meerdere aspecten beïnvloed. Uiteraard is het spraaksignaal van invloed op wat er gehoord wordt, maar de verwachtingen van de luisteraar spelen ook een rol. De verwachtingen van de luisteraar kunnen gevormd worden door de inhoud van de opnamen, de bredere context van de situatie waarin gesproken is en wereldkennis van de luisteraar. Dat een luisteraar daarmee meer dan alleen de spraakinformatie zelf gebruikt om goed te verstaan, is normaal en is zelfs noodzakelijk om goed te verstaan in natuurlijke omstandigheden die vaak suboptimaal zijn.
Een verschijnsel waaruit blijkt dat verwachtingen invloed hebben op het verstaan is de ‘mondegreen’, in Nederland ook bekend vanwege een radiorubriek ‘Mama Appelsap’. Daarin werden vooraf onjuiste, Nederlandstalige uitwerkingen voor gedeelten van vaak Engelstalige liedjes aangegeven. Omdat de luisteraar de verwachting van een Nederlandstalige uitwerking opgedrongen krijgt, lukt het de luisteraar ook vaak dat te verstaan als het liedje daarna afgespeeld wordt. Dus ondanks dat de audio die Nederlandstalige klanken niet bevat en ondanks dat de luisteraar weet dat het onjuist is, verstaat de luisteraar het toch zoals gesuggereerd, op grond van de gecreëerde verwachtingen. Die kunnen bovendien zó sterk zijn dat het daarna moeilijk is de juiste tekst te horen.
Een ander voorbeeld waarmee geïllustreerd kan worden dat een luisteraar meer gebruikt om spraak te verstaan dan alleen de informatie uit de audio blijkt uit het welslagen van telefoongesprekken. De audiokwaliteit van telefoongesprekken is vaak zo laag dat het onderscheid tussen klanken als ‘m’ en ‘n’ niet goed meer overkomt. Dat wordt pas gemerkt als een voor de luisteraar onbekende naam ‘ [naam] ’ wordt genoemd. Dan ontbreekt de context en moet expliciet gemaakt worden wat de laatste klank van de naam is (door bijvoorbeeld “met de ‘m’ van Marie” toe te voegen). In de rest van het gesprek kunnen de gesprekspartners elkaar goed verstaan, kennelijk zonder dat elke klank afzonderlijk juist gehoord wordt. Dat komt doordat ze daar wel steun hebben aan hun verwachtingen op grond van de context, waarmee ze missende of onduidelijke audio-informatie invullen.
Als een spreker niet heel duidelijk spreekt of als de kwaliteit van de opgenomen spraak niet optimaal is, kan de spraakinformatie daarin ontoereikend zijn om eenduidig te verstaan. Wanneer bij een luisteraar verwachtingen over het gesprokene bestaan (bijvoorbeeld door voorkennis van context of andermans uitwerking), kan het gebeuren dat een luisteraar, zonder dat die het zelf doorheeft, bij het verstaan die context en verwachting sterk mee laten wegen. Een andere luisteraar, met andere contextkennis en verwachtingen, hoort wellicht weer wat anders met dezelfde zekerheid.
Hoewel contextinformatie ongewenste sturing kan opleveren, kan het ook juist behulpzaam zijn, als het de verwachtingen van de luisteraar de goede kant op stuurt. Omdat contextkennis een dubbelrol kan spelen, is het van belang de methode voor het maken van transcripties zorgvuldig in te richten. Daarmee is rekening gehouden in het huidige onderzoek, in dit geval door de transcribenten geen contextkennis te geven (…)
De onderzoekers hebben veelal geconstateerd dat de opmerkingen van de verdediging bij de uitwerking van de politie van de OVC-gesprekken terecht waren. Wat volgens de politie door de deelnemers aan de gesprekken is gezegd, is in veel gevallen niet te verstaan. De rechtbank concludeert dat wat de onderzoekers als wel verstaanbaar hebben opgeschreven, niet leidt tot een samenhangend gesprek. De rechtbank is het met het Openbaar Ministerie eens dat de door het NFI onderzochte gesprekken daarom niet kunnen worden gebezigd voor het bewijs.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overige, niet door het NFI onderzochte gesprekken, wel voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Daartoe heeft het Openbaar Ministerie erop gewezen dat de politie wél over contextinformatie beschikte, waardoor het verstaan gemakkelijker was en het heeft gewezen op de samenhang van de gesprekken met het gehele dossier.
Anders dan het Openbaar Ministerie heeft betoogd, acht de rechtbank de niet door het NFI onderzochte gesprekken niet zonder meer bruikbaar voor het bewijs. Dat de politie meer hoorde dan de verdediging, de rechtbank en het NFI, kan samenhangen met de contextinformatie waarover zij beschikte. De vraag is hoe dat gewaardeerd moet worden. Dat kan een voordeel zijn, om zo de gesprekken beter te verstaan, maar contextinformatie kan ook tot ongewenste en/of onbewuste sturing leiden. De rechtbank kan niet uitsluiten dat dat bij de door het NFI onderzochte fragmenten bij de politie is gebeurd, maar evenmin dat dat bij de overige fragmenten ook het geval is geweest. Daarbij komt dat de kwaliteit van de geluidsfragmenten over het algemeen slecht is. De rechtbank ziet niet in hoe de vraag die allereerst beantwoord moet worden (zie hiervoor het uiteengezette juridische kader): ‘waar gaat dit gesprek over?’, met voor wettig en overtuigend bewijs voldoende mate van zekerheid beantwoord kan worden.
Daarbij is ook het volgende van belang. De deelnemers aan de gesprekken hebben over de inhoud van de gesprekken gezwegen ( [medeverdachte 1] ), of hebben gezegd dat ze wel aanwezig waren bij gesprekken en dat die gesprekken ook over drugs gingen, maar dat ze daar geen actieve bijdrage aan hadden. “Ik ben misschien bij gesprekken over drugs geweest en dat is niet goed, maar ik heb niets geproduceerd of verkocht”, aldus [medeverdachte 5] . En [verdachte] heeft verklaard: “Ik heb niet over ketamine en MDMA gesproken. Ik heb enkel iets gezegd om iets te weten te komen” en: “U zegt mij dat er op 30 januari een gesprek heeft plaatsgevonden tussen mij en [medeverdachte 1] en dat ik daar onder meer iets zeg over bepaalde hoeveelheid PMA. U vraagt mij om daarop te reageren. Ik heb geen PMA. Ik wilde een balletje opgooien. Ik heb het gehoord. Ik heb het niet in mijn bezit. Ik wilde een balletje opgooien, maar ik heb het niet. Ik begrijp het zelf ook niet waarom ik het heb gevraagd. Als ik het niet heb, dan kan ik het ook niet afgeven.” Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard: “Ik heb geen strafbare feiten gepleegd. Daar houd ik het bij. Bij [hotel] at en dronk ik. Wat ik met vrienden ook doe. Ik weet niet meer hoe vaak ik dat heb gedaan.” Deze verklaringen maken niet heel goed duidelijk waar de gesprekken precies over gingen. Andere bewijsmiddelen die de inhoud van de gesprekken stutten zijn in het dossier nauwelijks voorhanden.
De OVC-gesprekken die in de auto van [medeverdachte 2] zijn opgenomen hebben niet het mankement van slechte verstaanbaarheid zoals de gesprekken in openbare horecagelegenheden, waar vele gesprekken tegelijk plaatsvinden. Enkele in die auto gevoerde gesprekken, waarbij [medeverdachte 2] alleen tegen zichzelf praat of samen met [medeverdachte 1] een gesprek voert, hebben mogelijk te maken met een daaraan voorafgaand gesprek tijdens een ontmoeting met andere verdachten. De inhoud daarvan is echter onvoldoende om het hiervoor geconstateerde gebrek te repareren.
Gelet op de behoedzaamheid die betracht moet worden bij het gebruik van OVC-gesprekken, zoals hiervoor uiteen gezet onder het kopje ‘Juridisch kader gebruik OVC-gesprekken’ leidt het gebrek aan stutting van een potentieel bewijsmiddel, waarbij twijfels bestaan aan de betrouwbaarheid daarvan, tot de slotsom dat niet wettig en overtuigend te bewijzen is dat er tijdens de ontmoetingen gesprekken zijn gevoerd over (levering van) grondstoffen voor de productie van synthetische drugs en/of het productieproces en/of de handel van/in synthetische drugs en /of de opbrengstpercentages/geldstromen en/of dekladingen en/of productie-/verpaklocatie(s).
5.4.3.4.
Verwerven en/of voorhanden hebben van grondstoffen voor de productie van synthetische drugs.
Het Openbaar Ministerie heeft in het requisitoir niet per handeling aangegeven waar het bewijs ter zake die handeling op is gebaseerd. Uit de inleiding bij het onderwerp ‘Voorbereidingshandelingen Opiumwet’ in het requisitoir leidt de rechtbank af dat het Openbaar Ministerie het verwerven en voorhanden hebben van grondstoffen voor de productie van synthetische drugs ook baseert op de OVC-gesprekken. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen en stelt vast dat die gesprekken geen basis kunnen vormen voor bewijs van deze handelingen. Voorts bevat het dossier geen bewijsmiddelen van het verwerven of voorhanden hebben van grondstoffen voor de productie van synthetische drugs, zodat deze handeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
5.4.3.5.
Deze grondstoffen laten omzetten en/of omgezet en/of ter omzetting aangeleverd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan ook deze handeling niet wettig en overtuigend bewezen worden.
5.4.3.6.
Locatie(s)/loods(en) (waaronder de loods [adres 2] Ter Aar) gehuurd en/of geregeld en/of ter beschikking gehad.
Het dossier bevat geen bewijs dat duidt op betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 5] bij de loods aan de [adres 2] in Ter Aar of enige andere loods. Dat is anders voor de andere verdachten in dit zaaksdossier. Het Openbaar Ministerie heeft in het requisitoir toegelicht dat de verdenking bestaat dat deze loods gebruikt werd om in een daar gestalde dieselgenerator verdovende middelen te plaatsen, om deze naar Cambodja te versturen. Nog afgezien van de vraag wat ieders rol daarbij was, zal de rechtbank eerst aandacht besteden aan dit in potentie strafbare scenario.
Het Openbaar Ministerie baseert zich op wat is aangetroffen, op observaties en OVC-gesprekken. In het voorgaande heeft de rechtbank al uitgebreid stilgestaan bij de bewijswaarde van de OVC-gesprekken. In lijn met wat hiervoor is overwogen zal de rechtbank van die gesprekken geen gebruik maken voor het bewijs. Maar zelfs indien de OVC-gesprekken -zoals die zich in het dossier bevinden- zouden worden gebruikt, blijft het voor de rechtbank onduidelijk wat precies de bedoeling was van deze loods. Er zijn aanwijzingen dat daar een dieselgenerator werd gebracht waarin mogelijk verdovende midden zouden kunnen worden gestopt. De rechtbank ziet zich echter geconfronteerd met een dossier waarin dezelfde verdachten ook betrokken zijn bij de export van ketamine, telkens verstopt onder een deklading. De rechtbank kan niet vaststellen dat het in het geval van de loods aan de [adres 2] niet om ketamine ging. Zoals in het juridisch kader is beschreven, vallen handelingen met het oog op de bevordering of voorbereiding van handel of export in ketamine niet onder de bepalingen van de Opiumwet. Tegen deze achtergrond bestaat er twijfel of de huur en het gebruik van de loods aan de [adres 2] in Ter Aar (of andere, niet genoemde loodsen) als een voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet zijn te beschouwen. Deze handeling kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden.
5.4.3.7.
Contacten onderhouden met een of meer laboranten.
De rechtbank heeft in het dossier geen wettig en overtuigend bewijs voor deze handeling aangetroffen. Het requisitoir van het Openbaar Ministerie biedt wat deze handeling betreft ook geen richting.
5.4.3.8.
Contacten onderhouden met een of meer transporteur(s) en/of expediteur(s).
Het Openbaar Ministerie heeft in het requisitoir niet uitgelegd wat met deze handeling specifiek wordt bedoeld en wie van de verdachten zich hiermee bezig zou hebben gehouden. Dat wat het Openbaar Ministerie over [medeverdachte 4] heeft gezegd komt het meest in de buurt: “ [medeverdachte 4] is de man die betrokken is bij het organiseren van de logistiek, de bedrijven, de loodsen, de dekladingen en het transport van smokkelzendingen”. Tot slot somt het Openbaar Ministerie op wat er bij [medeverdachte 4] is aangetroffen. Daaronder een
invoice, een
airwaybillen een factuur, allen met betrekking tot de verzending van boorkoppen naar Kuala Lumpur, begin 2020. Daaruit trekt het Openbaar Ministerie de volgende conclusie: “Hieruit blijkt dat [medeverdachte 4] al in 2020 bezig was met dekladingen boorkoppen en contacten met Fast Forward Freight.” Het Openbaar Ministerie besluit ten aanzien van [medeverdachte 4] : “Het huren van loodsen waar inpakactiviteiten van verdovende middelen plaatsvinden, het regelen van dekladingen en het regelen van het vervoer van de verdovende middelen naar de expediteur vallen allemaal onder de voorbereidingshandelingen.”
De rechtbank stelt vast dat de door het Openbaar Ministerie genoemde documenten van ruim voor de ten laste gelegde periode zijn en ziet niet in hoe die bewijs voor voorbereidingshandelingen in de ten laste gelegde periode kunnen opleveren. Te minder daar niet bewezen kan worden dat die documenten daadwerkelijk verband hielden met een ‘deklading’ waaronder harddrugs zouden zijn verstopt.
De rechtbank stelt vast dat de omschreven handeling zo algemeen is dat die, zonder nadere duiding van de steller van de tenlastelegging, die ontbreekt, tegen de achtergrond van een zeer omvangrijk zaaksdossier, onvoldoende duidelijk maakt met het oog op welke verdachte en welke concrete handelingen een verwijt gemaakt wordt. Daarbij betrekt de rechtbank hetgeen hiervoor ten aanzien van de reikwijdte van de verdenking is overwogen.
De handeling kan gelet op het voorgaande niet wettig en overtuigend worden bewezen.
5.4.3.9.
Dekladingen geregeld en/of verzendklaar gemaakt.
De rechtbank stelt vast dat de omschreven handeling zo algemeen is dat die, zonder nadere duiding van de steller van de tenlastelegging, die ontbreekt, tegen de achtergrond van een zeer omvangrijk zaaksdossier, onvoldoende duidelijk maakt met het oog op welke verdachte en welke concrete handelingen een verwijt gemaakt wordt. Daarbij betrekt de rechtbank hetgeen hiervoor ten aanzien van de reikwijdte van de verdenking en over de reikwijdte van voorbereidingshandelingen in relatie tot ketamine is overwogen. De rechtbank komt dan ook niet tot een bewezenverklaring van deze handeling.
5.4.4.
Conclusie.
Voor geen van de ten laste gelegde handelingen bestaat wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] die heeft begaan. Dat betekent dat [verdachte] van het hem ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en de rechtbank niet meer toe komt aan andere verweren of gedane voorwaardelijke verzoeken.

6.Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan [verdachte] nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
  • spreekt verdachte integraal vrij van het ten laste gelegde;
  • heft op het tegen verdachte verleende (en reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Beslissing op het beslag:
De rechtbank gelast de
teruggavevan de inbeslaggenomen goederen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijk beslagtitel van 31 maart 2026, te weten:
  • 1 STK Computer 1 STK Computer (Omschrijving: PL2600-LERCF22003_820842 Apple Ipad, grijs);
  • 1 STK Computer (Omschrijving: PL2600-LERCF22003_820839 Apple Ipad grijze achterkant, kapot scherm);
  • 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL2600-LERCF22003_820846, zwart, merk: Google);
aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: [verdachte] , zijnde verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. N. Flikkenschild en mr. C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 9 juli 2026.