ECLI:NL:RBOBR:2026:4840

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
71/273050-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van uitvoer van ruim 45 kilogram MDMA via PostNL-pakketpunt

Op 13 maart 2024 heeft verdachte samen met anderen drie dozen met in totaal 45.592 gram MDMA afgeleverd bij een PostNL-pakketpunt in Rotterdam, bestemd voor Maleisië. De dozen werden onderschept door de douane voordat ze Nederland verlieten. Uit onderzoek bleek dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dozen verboden middelen bevatten, waarmee zij zich schuldig maakte aan medeplegen van de uitvoer van MDMA.

Het onderzoek startte in april 2022 onder de naam 26Newent, waarbij onder meer chatberichten via het ANOM-platform werden gebruikt. Verdachte werd gezien als de 'zwakste schakel' in het netwerk, maar speelde een wezenlijke rol door de dozen af te geven en de verzending te betalen. De verdediging stelde dat verdachte slechts een vriendendienst verrichtte en geen opzet had, maar de rechtbank verwierp dit op grond van de omstandigheden en bewijsmiddelen.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, een alleenstaande moeder met gezondheidsproblemen, en haar ondergeschikte rol. Daarom werd een taakstraf van 240 uur en een gevangenisstraf van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar opgelegd. De gevangenneming werd afgewezen omdat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf werd opgelegd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een gevangenisstraf van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar voor medeplegen van uitvoer van ruim 45 kilogram MDMA.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 71.273050.24
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [1988] ,
wonende te [adres] .

1.Algemene inleiding.

Op 8 april 2022 werd onder leiding van de officier van justitie van het Landelijk Parket, Team Den Bosch, door het Cluster Synthetische Drugs van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies, een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam 26Newent.
Ten behoeve van het onderzoek werd vanuit het onderzoek 26Eagles toestemming verleend tot het gebruik van veiliggestelde chatberichten, gevoerd via het telefonie encryptie platform ANOM.
Door het onderzoeksteam 26Newent werd de informatie uit de ANOM-databerichten nader
onderzocht. Uit deze informatie bleek volgens het onderzoeksteam dat [medeverdachte 1] zich bezighield met de handel in synthetische drugs (alsook ketamine) én daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen en betalingen. Op basis van de inhoud van de genoemde ANOM-berichten, observaties, taps en camerabeelden werden lopende het onderzoek meerdere (nader te noemen) personen als (mede)verdachten aangemerkt die volgens het Openbaar Ministerie op enigerlei wijze strafbare betrokkenheid hebben gehad bij de (pre)productie en export van synthetische drugs en ketamine naar verschillende Oost- en Zuidoost-Aziatische landen.
Voor een aantal verdachten in dit onderzoek geldt dat zij (ook) worden verdacht van het plegen van oplichting en/of witwassen.
Binnen onderzoek 26Newent zijn de volgende elf personen als verdachte aangemerkt: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [verdachte] .
Dit vonnis ziet op de zaak die naar aanleiding van onderzoek 26Newent tegen [verdachte] aanhangig is gemaakt.
De rechtbank zal in dit vonnis eerst aandacht besteden aan enkele formaliteiten (hoofdstuk 2 tot en met 4), waarna zij in hoofdstuk 5 de vraag zal bespreken of de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. In hoofdstuk 6 zal de bewezenverklaring volgen en in hoofdstuk 7 de beantwoording van de vraag of dat wat bewezen is ook strafbaar is en of [verdachte] daarvoor strafbaar is. In hoofdstuk 8 wordt aandacht besteed aan de vraag wat een passende straf is. Na nog een hoofdstuk over de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen volgt de uitspraak.

2.Het onderzoek ter terechtzitting.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 januari 2025, 30 september 2025, 12 mei 2026, 19 mei 2026 en 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: het Openbaar Ministerie) en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

3.De beschuldiging in de tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 december 2024. Aan [verdachte] is – kort en zakelijk weergegeven – ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van 45.592 gram MDMA, op 13 maart 2024 Capelle aan den IJssel en/of Rotterdam.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

4.De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en het Openbaar Ministerie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

5.De beslissingen over het bewijs.

5.1.
Enkele opmerkingen vooraf.
In dit hoofdstuk zal de rechtbank beoordelen of zij de in de tenlastelegging neergelegde beschuldiging tegen [verdachte] wettig en overtuigend bewezen acht.
De rechtbank zal eerst het standpunt van het Openbaar Ministerie en de verdediging weergeven. Daarna zal het oordeel van de rechtbank worden uiteengezet. Als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, zullen de redengevende feiten en omstandigheden worden vervat in de in een bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen. Die zal dan als bijlage II aan dit vonnis worden gehecht en zal dan deel uitmaken van dit vonnis.
Ten behoeve van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van het vonnis zal de rechtbank bij de bespreking van de feiten telkens (enkel) de achternaam van de specifieke verdachte weergeven. Met [medeverdachte 1] wordt telkens [medeverdachte 1] bedoeld.
5.2.
Zaaksdossier 05 (Export 3 dozen XTC-pillen).
5.2.1.
Inleiding.
[verdachte] wordt verweten dat zij zich samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan het exporteren van 45.592 gram MDMA naar Maleisië.
5.2.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van de verlengde export van deze partij MDMA. Uit observaties blijkt dat [medeverdachte 4] drie dozen bij [verdachte] heeft gebracht en dat [verdachte] een half uur later als bijrijder instapt om van haar woonplaats Capelle aan den IJssel naar een PostNL punt in Rotterdam te rijden. Daar levert zij drie dozen in en betaalt zij voor verzending per luchtpost. [medeverdachte 4] brengt [verdachte] daarna weer naar huis. Door meer dan 45 kilogram MDMA in dozen voor verzending aan te bieden bij een postpakketpunt is zij medeverantwoordelijk voor de uitvoer hiervan. De werkwijze waarop de verzending tot stand is gekomen en de zichtbare verzendlabels op de dozen hadden bij haar het vermoeden moeten doen rijzen dat er iets niet in de haak was. Zij heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de dozen die zij naar Maleisië stuurde een verboden inhoud hadden.
5.2.3.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat van medeplegen van de export van de ten laste gelegde hoeveelheid MDMA geen sprake is. Er is geen sprake van (voorwaardelijk) opzet. [verdachte] verrichtte een vriendendienst voor [medeverdachte 4] door de dozen in te leveren bij het PostNL punt. Die enkele uitvoeringshandeling is onvoldoende voor een bewezenverklaring. De dozen zijn dichtgeplakt bij [verdachte] afgegeven en zij ontkent dat ze wist of een vermoeden had dat in die dozen MDMA of andere verdovende middelen zaten. Ze heeft geen heimelijk gedrag getoond en het is duidelijk dat [medeverdachte 4] misbruik maakte van haar vertrouwen in hem. Bovendien is er geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, zoals vereist is voor medeplegen.
5.2.4.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat op 19 maart 2024 op luchthaven Schiphol drie kartonnen dozen met xtc-pillen in beslag zijn genomen. Op deze dozen stond omschreven dat er “
cocao beans” in zaten, met daarbij een afleveradres in Maleisië. Deze waren op 13 maart 2024 ingeleverd bij een PostNL punt in Rotterdam. In deze dozen zaten 24 zakken met daarin blauwe gleuftabletten, met in totaal een nettogewicht van 45.592 gram. Uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat alle monsters van tabletten afkomstig uit deze dozen MDMA bevatten.
Niet ter discussie staat dat [verdachte] degene is geweest die de drie dozen met xtc-pillen voor verzending naar Maleisië heeft afgegeven bij het PostNL punt in Rotterdam. De hamvraag is of zij wist of had moeten vermoeden dat de dozen verdovende middelen bevatten.
De rechtbank stelt voorop dat op basis van het dossier niet zonder meer kan worden vastgesteld dat [verdachte] wist dat de er xtc-pillen in de dozen zaten.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of [verdachte] daarop bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank het volgende.
Uit observaties blijkt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] op 13 maart 2024 rond 12:45 uur in Amsterdam drie bruine kartonnen dozen van de auto van [medeverdachte 2] overtillen in de auto van [medeverdachte 4] . Uit een OVC gesprek blijkt dat [medeverdachte 4] daarbij tegen [medeverdachte 2] zegt dat ‘die vrouw, die dame’ in dit traject ‘de zwakste schakel is’. Gelet op de overige bewijsmiddelen acht de rechtbank aannemelijk dat [medeverdachte 4] het hier over [verdachte] heeft. De rechtbank maakt daaruit op dat [verdachte] dan dus al is benaderd en bereid gevonden om de drie dozen later die middag bij PostNL in te leveren. Na het overtillen van de dozen in de auto van [medeverdachte 4] rijdt [medeverdachte 4] naar de woning van [verdachte] in Capelle aan den IJssel. De drie dozen worden daar uitgeladen door [medeverdachte 4] en [verdachte] .
Enige tijd later wordt [verdachte] door een haar onbekende chauffeur opgehaald om de drie dozen in te leveren. Dat doet zij niet in haar woonplaats, waar ook meerdere PostNL punten zijn, maar zij rijden daarvoor naar een PostNL punt in een sigarenzaak in Rotterdam.
Op de drie dozen staat als verzender de naam [naam], uit Rotterdam, en niet de naam van [medeverdachte 4] . De ontvanger bevindt zich in Kuala Lumpur, Maleisië, zo blijkt uit het handgeschreven etiket en het verzendlabel van PostNL. [verdachte] verstuurt de drie dozen aangetekend, dat kost € 141,50 per doos en zij betaalt het totaalbedrag contant met negen briefjes van € 50,00. Aan het einde van de middag brengt [medeverdachte 4] [verdachte] weer thuis. Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft [verdachte] overigens verklaard dat zij geen auto heeft.
[verdachte] stelt zich op het standpunt dat zij slechts een vriendendienst heeft verricht voor [medeverdachte 4] en dat zij -door het vertrouwen dat zij in hem stelde- bij de gang van zaken geen vraagtekens heeft geplaatst. De rechtbank gaat daar niet in mee. De gang van zaken van deze vriendendienst is zo onlogisch en roept zoveel vragen op, dat zij op zijn minst had moeten vermoeden dat het niet in de haak was. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat voor het afgeven van dozen met daadwerkelijk cacaobonen bij een PostNL punt in Rotterdam een dergelijk omslachtige keten wordt opgezet, waarbij een vrouw wordt ingeschakeld die meer dan veertien kilometer verderop woont en geen auto heeft. Op de dozen staat bovendien niet de naam van [medeverdachte 4] vermeld als afzender maar een voor [verdachte] onbekende naam. De chauffeur die haar thuis heeft opgehaald kent zij ook niet. Op de dozen stond goed leesbaar Kuala Lumpur Maleisië en er zijn meerdere manieren van verzenden. [verdachte] koos voor aangetekend versturen “Non EU” en daarvoor heeft zij contant een bedrag van maar liefst € 424,50 betaald (meer dan het zesvoudige van wat verzending binnen Nederland met PostNL zou kosten). Gezien de labels op de dozen, de door haar gekozen verzendwijze en de kosten voor verzending had zij kunnen vermoeden dat het geen binnenlandse verzending betrof.
Gelet op het voorgaande bestond naar het oordeel van de rechtbank de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid en dus een aanmerkelijke kans, dat de dozen die naar Maleisië werden verstuurd een verboden inhoud, zoals verdovende middelen, bevatten. Uit het voorgaande blijkt ook dat [verdachte] die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.
[verdachte] heeft daarmee voorwaardelijk opzet op het uitvoeren van de xtc-pillen gehad.
De rechtbank acht ook het medeplegen wettig en overtuigend te bewijzen. Er is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen (naast anderen) in ieder geval [medeverdachte 4] en [verdachte] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij [verdachte] een wezenlijke rol vervulde.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] op 13 maart 2024 zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het buiten Nederland brengen van 45.592 gram MDMA.

6.De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte]
op 13 maart 2024 te Capelle aan den IJssel en Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, 45592 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

7.De strafbaarheid van het feit en van verdachte.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. [verdachte] is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

8.Motivering van de straf.

8.1.
De eis van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
Het Openbaar Ministerie heeft daarnaast gevorderd de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis dan wel de gevangenneming te bevelen.
Een kopie van de vordering van het Openbaar Ministerie is aan dit vonnis gehecht.
8.2.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij de straftoemeting nadrukkelijk rekening te houden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Zij is een alleenstaande moeder van drie jonge kinderen. Verder wijst de raadsvrouw op de beperkte en ondergeschikte rol van [verdachte] bij het strafbare feit en het ontbreken van relevante antecenten.
De raadsvrouw heeft de rechtbank voorts verzocht de door het Openbaar Ministerie gevorderde vordering tot gevangenneming af te wijzen, nu van één of meerdere gronden voor voorlopige hechtenis geen sprake is. Ingeval van een belangenafweging tussen het strafvorderlijk belang en de persoonlijke omstandigheden, zou de balans naar de visie van de raadsvrouw in het voordeel van [verdachte] moeten omslaan.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Gepleegde feit.
[verdachte] heeft zich op 13 maart 2024 samen met anderen schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van ruim 45 kilogram MDMA door drie kartonnen dozen met daarin xtc-pillen af te geven bij een PostNL-pakketpunt. De bestemming betrof Maleisië, maar de dozen zijn nog voordat deze de landsgrenzen van Nederland over waren door de douane onderschept.
Gevolgen van het feit en de ernst van het feit.
Door het afgeven van de kartonnen dozen met daarin MDMA heeft [verdachte] een bijdrage geleverd aan de uitvoer van verdovende middelen. Dergelijke feiten zijn zeer ernstig; de handel in en verspreiding van verdovende middelen brengen – in potentie – schadelijke gevolgen met zich voor de (internationale) samenleving. Harddrugs zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers daarvan en de productie ervan gaat veelvuldig gepaard met veiligheidsrisico's, milieuschade en ondermijning. [verdachte] is niet louter naïef geweest, maar heeft kennelijk achteloos een opdracht van een bekende uitgevoerd en had zich – gelet op alle tekenen die wezen op strafbaarheid – moeten realiseren dat zij, hoe onbetekenend zij haar rol ook zag, bijdroeg aan de totstandkoming van een ernstig drugsdelict.
Tegenover de ernst van het feit staan echter diverse omstandigheden die in strafmatigende zin dienen te worden meegewogen. Allereerst betreft het een eenmalige gedraging. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] zich structureel of gedurende een langere periode met soortgelijke feiten heeft beziggehouden. Evenmin zijn er aanwijzingen dat zij een organiserende, sturende of anderszins wezenlijke rol heeft vervuld binnen een groter samenwerkingsverband. Haar bijdrage heeft zich beperkt tot het afgeven van drie dozen bij een PostNL-pakketpunt. Daarmee was haar rol, hoewel voor de uitvoer belangrijk, wel ondergeschikt. Zij heeft niet beslist over de inhoud van de pakketten, de bestemming daarvan of de verdere logistieke afhandeling.
De persoon van verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen relevante documentatie heeft. Dit heeft dan ook geen strafverzwarende invloed.
De rechtbank ziet in de door de verdediging aangevoerde persoonlijke omstandigheden aanleiding om hier in strafmatigende zin rekening mee te houden bij de strafoplegging. [verdachte] draagt als alleenstaande moeder de volledige zorg en verantwoordelijkheid voor haar (minderjarige) kinderen. Haar aanwezigheid en beschikbaarheid zijn voor hen van groot belang. Een langdurige vrijheidsbenemende straf zou niet alleen [verdachte] treffen, maar ook aanzienlijke gevolgen hebben voor haar kinderen, die afhankelijk zijn van haar dagelijkse zorg.
Daar komt bij dat [verdachte] kampt met serieuze gezondheidsproblemen. Haar lichamelijke gesteldheid maakt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf haar wellicht zwaarder zal treffen dan gemiddeld. De combinatie van haar medische situatie en haar zorgtaken maken haar persoonlijke omstandigheden zwaarwegend.
De op te leggen straf en de tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend zou zijn.
De rechtbank ziet echter in de ondergeschikte rol van [verdachte] en haar persoonlijke omstandigheden aanleiding om die niet op te leggen en om voor een andere strafmodaliteit te kiezen.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden is. Voor dat laatste geldt dat de rechtbank deze straf voorwaardelijk zal opleggen om [verdachte] ervan te weerhouden zich opnieuw te laten inzetten en strafbare feiten te plegen.
De rechtbank zal daarmee een lichtere straf opleggen dan de door het Openbaar Ministerie gevorderde straf, nu zij van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Voorlopige hechtenis.
Het Openbaar Ministerie heeft zoals hiervoor weergegeven de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis dan wel de gevangenneming van [verdachte] gevorderd.
Het is de rechtbank, gelet op de door het Openbaar Ministerie gekozen formulering, niet duidelijk wat het Openbaar Ministerie precies voor ogen had. Een nadere onderbouwing in dat verband is – ook nadat de rechtbank hierover een verduidelijkingsvraag heeft gesteld – uitgebleven. Het requisitoir welwillend gelezen, heeft het Openbaar Ministerie gevorderd tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaken waar de schorsing van de voorlopige hechtenis niet loopt tot de einduitspraak én waarin de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt. In de overige zaken waarin de rechtbank tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vonnist, is verzocht de gevangenneming te bevelen, indien er geen voorlopige hechtenis aan de orde (meer) is, zoals in de zaak van [verdachte] .
In dat licht gaat de rechtbank ervan uit dat het Openbaar Ministerie in onderhavige zaak heeft gevorderd de gevangenneming van [verdachte] te bevelen.
De rechtbank zal deze vordering afwijzen, nu zij daartoe geen gronden aanwezig acht en overigens geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen.

9.Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht, en;
2 en 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
  • verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:
-
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen:
  • een
  • een
De rechtbank stelt daarbij als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. N. Flikkenschild en mr. C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 9 juli 2026.