ECLI:NL:RBOBR:2026:4877

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
82-017856-23 en 82-323236-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 36f SrArt. 3:307 BWArt. 6:6:26 SvArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit arbeidsuitbuiting

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 13 juli 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die tevens is veroordeeld voor mensenhandel. De ontnemingsvordering betrof het vaststellen en opeisen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat is behaald uit arbeidsuitbuiting.

De officier van justitie stelde het voordeel op €396.716,56, gebaseerd op een financieel strafrechtelijk onderzoek. De verdediging voerde aan dat geen sprake was van loonbetaling en dat het voordeel lager moest worden vastgesteld, mede vanwege de verjaring en onjuiste berekening van arbeidsuren. De rechtbank verwierp het verzoek tot contra-expertise en oordeelde dat de verjaring niet van toepassing was.

De rechtbank baseerde zich op gedetailleerde bewijsmiddelen, waaronder verklaringen, camerabeelden en een deskundigenrapport. Zij stelde het voordeel vast op €249.937,14, rekening houdend met minder arbeidsuren in eerdere jaren, aftrek van reeds betaalde werkgeverslasten, huurinkomsten en stallingskosten.

De betalingsverplichting aan de staat werd vastgesteld op hetzelfde bedrag, met de mogelijkheid tot vermindering indien reeds aan de benadeelde is betaald. De rechtbank bepaalde tevens de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen.

Deze uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 36e Sr voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit mensenhandel en arbeidsuitbuiting.

Uitkomst: De rechtbank legt een betalingsverplichting tot ontneming van €249.937,14 op wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit arbeidsuitbuiting.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_parketnummer][jw.sys.1.verdachte_voornamen] [jw.sys.1.verdachte_voorv_naam]
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 82-017856-23 en 82-323236-23 (ter terechtzitting gevoegd) (ontneming)
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1970] ,
ingeschreven in de Basisregistratiepersonen op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2025, 8 juni 2026, 9 juni 2026 en 2 juli 2026 (sluiting). De behandeling van de vordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak tegen verdachte (hierna: veroordeelde) eveneens met parketnummers 82-017856-23 en 82-323236-23.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door veroordeelde en haar raadslieden, mrs. M.E. Broekert en H.M. Dunsbergen, op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie van 16 december 2024 strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 396.716,56 en aan veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3.De grondslag voor ontneming

Veroordeelde is gelijktijdig met de uitspraak van dit ontnemingsvonnis door deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld wegens het volgende strafbare feit:
mensenhandel.
Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezenverklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat om voordeel dat zou zijn verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit mensenhandel waarvoor veroordeelde is veroordeeld.

4.De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 31 oktober 2023 naar aanleiding van het strafrechtelijk financieel onderzoek dat naar veroordeelde is ingesteld. De conclusie van dit rapport is, dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 396.716,56 bedraagt. De officier van justitie heeft zich, zoals uitgewerkt in het schriftelijk requisitoir van 8 juni 2026, op het standpunt gesteld dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom moet worden geschat op een bedrag van € 396.716,56.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadslieden van veroordeelde hebben overeenkomstig de inhoud van hun pleitnota van 9 juni 2026 het woord gevoerd en zich, indien de rechtbank komt tot een veroordeling van de mensenhandel, primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), was geen werkneemster van veroordeelde en veroordeelde was haar daarom geen loon verschuldigd. De stoeterij van veroordeelde was hobbymatig en [slachtoffer] werkte voor haar plezier mee aan de verzorging van de paarden bij veroordeelde.
Het subsidiaire standpunt van de verdediging is dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat rekening gehouden moet worden met de verjaringstermijn van 5 jaar ex artikel 3:307 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de uitgangspunten voor de berekening in het rapport niet juist zijn. Bij de berekening moet worden uitgegaan van een lager aantal gemiddelde arbeidsuren dat [slachtoffer] heeft gewerkt. Dat [slachtoffer] , gemiddeld 7,25 uren per dag werkte voor veroordeelde, vindt – kort gezegd – onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] regelmatig hulp kreeg van bijvoorbeeld stagiaires, en jarenlang ook van [betrokkene] .
Bovendien is het in de paardenwereld geenszins normaal om loon te betalen aan personen die werkzaamheden verrichten op een stoeterij. De stoeterij zou zich de loonkosten van [slachtoffer] niet hebben kunnen veroorloven. Alleen al om die reden liepen er stagiaires rond, en werden vaste helpers als [betrokkene] en [slachtoffer] stevig ontzien in de huisvestingskosten, als ware het een betaling in natura voor de hand en spandiensten op de stoeterij. Het rapport van Paard en Advies bevat geen concrete en verifieerbare berekening van de duur van de werkzaamheden op de stoeterij. De uiteenzetting van Paard en Advies wordt door meerdere personen, onafhankelijk van elkaar, op basis van kennis dan wel eigen ervaring weerlegd. Daarmee is het onderdeel wederrechtelijk verkregen voordeel door besparing van loonkosten van de vordering onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Verder zouden de huurinkomsten die veroordeelde heeft ontvangen niet als wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden aangemerkt. [slachtoffer] heeft daarnaast door het lage huisvestingsbedrag en het gratis stallen van haar paard minimaal € 760,- per maand bespaard, dit moet van het te betalen bedrag worden afgetrokken.
Als de rechtbank al oordeelt dat loon verschuldigd was, zou dat ten hoogste loon voor drie uur per dag moeten zijn.
Van het te betalen bedrag moet ook nog het bedrag van € 8.701,- dat veroordeelde aan de Belastingdienst als werkgeverslasten voor [slachtoffer] heeft betaald worden afgetrokken.
Verder zou nog eventueel het nettosalaris in mindering moeten worden gebracht als dat aan [slachtoffer] in haar hoedanigheid als benadeelde partij wordt betaald.
Indien de rechtbank het rapport van Paard en Advies als uitgangspunt neemt voor de ontnemingsvordering, dan verzoekt de verdediging om de benoeming van een deskundige voor een contra-expertise.
4.3.
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.
1. De gebruikte bewijsvoering in het op 13 juli 2026 gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen veroordeelde. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over en is (voor de leesbaarheid) als
bijlageaan dit vonnis gehecht (hierna: de Bijlage). De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan deze bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak.
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport) dat op 31 oktober 2023 is opgemaakt.
4.4.
Oordeel van de rechtbank
Voorwaardelijk verzoek
Voor de beoordeling van het verzoek tot de benoeming van een deskundige voor een contra-expertise hanteert de rechtbank het noodzaakscriterium, nu dit verzoek – in de ontnemingszaak – voor het eerst ter terechtzitting van 9 juni 2026 is gedaan. De rechtbank wijst dit verzoek af aangezien de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht en geen noodzaak ziet tot het doen uitvoeren van een contra-expertise. De voorliggende vragen worden in het rapport afdoende beantwoord en de verdediging heeft reeds in de strafzaak de kans gekregen om aanvullende vragen te stellen aan de opsteller van het rapport. Die beantwoording maakt eveneens deel uit van het dossier.
Verjaring?
De rechtbank stelt voorop dat artikel 3:307 lid 1 BW Pro in het onderhavige geval niet van toepassing is en dat dit artikel daarom niet tot gevolg heeft dat de verplichting tot het betalen van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel niet meer geldt. Van verjaring is dan ook geen sprake.
Het aantal gewerkte uren
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in beginsel uit van de berekening als weergegeven in het ontnemingsrapport.
De berekening
Tabel 1: Tijdschema 'normale' werkdag [slachtoffer] (maandag t/m zaterdag)
Tijd
Werkzaamheden
Uren t.b.v. [bedrijf] /veroordeelde
5.00 - 06.45 uur
Kranten rond brengen
-
6.45 - 07.00 uur
Paarden voeren
0,25
07.00 - 07.30 uur
Paarden naar buiten brengen
0,50
07.30 - 08.00 uur
Ontbijten
-
08.00 - 10.00 uur
Stallen uitmesten, gang uitvegen
2,00
10.00 - 10.30 uur
Ochtendpauze
-
10.30 - 12.00 uur
Paarden voeren, diversen
1,50
12.00 - 13.00 uur
Lunchpauze
-
13.00 - 15.00 uur
Paarden buiten water geven, paddock uitmesten, longeren, schoonmaken
2,00
15.00 - 18.00 uur
Kranten rond brengen
-
18.00 - 19.00 uur
Avondeten
-
19.00 - 20.00 uur
Paarden voeren, naar binnen brengen
1,00
Totaal
7,25
Het uitgangspunt van de naar beneden afgerond 7 (gemiddelde) gewerkte uren per dag, met uitzondering van zondag, volgt uit de gedetailleerde verklaringen van [slachtoffer] . De verklaring van [slachtoffer] dat zij gedurende de gehele pleegperiode van maandag tot en met zaterdag ongeveer 7 uur en op zondag ongeveer 4 uur aan het werk was op de stoeterij wordt ondersteund door camerabeelden, een deskundigenrapport van Paard en Advies en getuigenverklaringen, een en ander als nader weergegeven in de bewijsvoering in het strafvonnis. Daarmee komt een gemiddelde werkweek uit op 46 werkuren per week (namelijk zes dagen van zeven uur en één dag van vier uur).
Veroordeelde was [slachtoffer] bovendien loon verschuldigd voor de door [slachtoffer] verrichte werkzaamheden, omdat zij naar het oordeel van de rechtbank als werkgever van [slachtoffer] kan worden aangemerkt. Voor de motivering van dat oordeel verwijst de rechtbank ook naar de bewijsvoering van het strafvonnis. Of veroordeelde/de stoeterij al dan niet in staat zou zijn geweest om loon aan [slachtoffer] te betalen is in het kader van het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet relevant.
De rechtbank komt wel tot een andere berekening en een ander totaalbedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat dan het Openbaar Ministerie. De rechtbank houdt in het voordeel van veroordeelde, in afwijking van het ontnemingsrapport, rekening met het volgende.
Minder arbeidsuren tot en met 2018
Zoals blijkt uit de Bijlage hielp [betrokkene] [slachtoffer] tot en met 2018 met het uitmesten van stallen. Daardoor werkte [slachtoffer] volgens haar eigen verklaring die de rechtbank als uitgangspunt neemt (gemiddeld) 1 tot 2 uur minder per dag. De rechtbank zal daarom voor de periode tot en met 2018 voor maandag tot en met zaterdag uitgaan van 5,5 werkuren per dag (7 – 1,5) en voor zondag van 2,5 uur werkuren per dag (4 – 1,5). Dit heeft gevolgen voor de gehele berekening, omdat het onbetaalde vakantiegeld en de vergoeding voor niet-genoten vakantie uren worden berekend op grond van het aantal gewerkte arbeidsuren. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat en hoeveel uren verder nog in mindering zouden moeten worden gebracht op het aantal uren van [slachtoffer] vanwege werkzaamheden van eventuele derden.
Nabetaling werkgeverslasten aan Belastingdienst
Bij de inhoudelijke behandeling van de ontnemingsvordering is door veroordeelde en haar raadslieden aangevoerd dat veroordeelde reeds € 8.701,- aan werkgeverslasten heeft (na)betaald aan de Belastingdienst. De raadslieden hebben deze betaling aannemelijk gemaakt door onderbouwende stukken aan de rechtbank toe te sturen. De rechtbank zal dit bedrag daarom aftrekken van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Huurinkomsten
De rechtbank oordeelt dat de huurinkomsten die veroordeelde heeft genoten geen wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Het is niet in strijd met het recht om een vergoeding te vragen en ontvangen voor woongenot, zoals in dit geval is gebeurd. Dat [slachtoffer] terwijl zij daar woonde werd uitgebuit, betekent niet dat door [slachtoffer] afgedragen huurkosten daarmee wederrechtelijk voordeel hebben opgeleverd. De rechtbank zal de
€ 46.800,- aan financieel voordeel door huurinkomsten dan ook niet aanmerken als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Stallingskosten
Naar het oordeel van de rechtbank dienen de stallingskosten als aftrekpost in aanmerking te worden genomen. Immers, indien [slachtoffer] op een reguliere wijze zou zijn verloond, waar in onderhavige berekening vanuit wordt gegaan, zou ze ook de stallingskosten van haar paard Sultan hebben moeten betalen. De rechtbank stelt de stallingskosten vast op
€ 300,- per maand.
Woonkosten
De rechtbank overweegt dat onvoldoende is gebleken dat en in welke mate de door [slachtoffer] betaalde vergoeding voor het chalet onvoldoende dekkend was en dat veroordeelde derhalve extra kosten heeft gehad hiervoor die in het kader van het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden meegewogen.
Tabel 2: Onbetaalde uren [slachtoffer]
Aantal gewerkte weken
aantal onbetaalde uren
2010
26
923
2011
52
1.846
2012
52
1.846
2013
52
1.846
2014
52
1.846
2015
52
1.846
2016
52
1.846
2017
52
1.846
2018
52
1.846
2019
52
2.392
2020
52
2.392
2021
52
2.392
2022
52
2.392
2023
25
1.15
Totaal
26.409
Opmerking tabel 2: over de periode 2010 tot en met 2018 rekent de rechtbank in bovenstaande tabel voor maandag tot en met zaterdag met 5,5 gemiddelde arbeidsuren per dag en voor zondag met 2,5 gemiddelde arbeidsuren per dag. Dit aangezien [betrokkene] in die periode [slachtoffer] voortdurend hielp met het uitmesten van de stallen, en daarmee (gemiddeld) 1,5 uur arbeid voor [slachtoffer] bespaarde. Tot en met 2018 wordt daarom gerekend met 35,5 gemiddelde arbeidsuren per week, en vanaf 2019 tot en met 2023 met 46 gemiddelde arbeidsuren per week.
Tabel 3: Uurtarieven
Jaar
Semester
Leeftijd [slachtoffer]
Minimum uurloon
2010
H2
19
€ 4,29
2011
H1
20
€ 5,05
H2
20
€ 5,09
2012
H1
21
€ 6,05
H2
21
€ 6,09
2013
H1
22
€ 7,21
H2
22
€ 7,25
2014
H1
23
€ 8,57
H2
23
€ 8,63
2015
H1
€ 8,66
H2
€ 8,70
2016
H1
€ 8,80
H2
€ 8,87
2017
H1
€ 8,96
H2
€ 9,04
2018
H1
€ 9,11
H2
€ 9,20
2019
H1
€ 9,33
H2
€ 9,44
2020
H1
€ 9,54
H2
€ 9,70
2021
H1
€ 9,72
H2
€ 9,82
2022
H1
€ 9,96
H2
€ 10,14
2023
H1
€ 11,16
Tabel 4: Berekening totaal aan onbetaald salaris [slachtoffer]
Periode
Minimum uurloon
Aantal onbetaalde uren
Onbetaald salaris
H2 2010
€ 4,29
923
€ 3.959,67
H1 2011
€ 5,05
923
€ 4.661,15
H2 2011
€ 5,09
923
€ 4.698,07
H1 2012
€ 6,05
923
€ 5.584,15
H2 2012
€ 6,09
923
€ 5.621,07
H1 2013
€ 7,21
923
€ 6.654,83
H2 2013
€ 7,25
923
€ 6.691,75
H1 2014
€ 8,57
923
€ 7.910,11
H2 2014
€ 8,63
923
€ 7.965,49
H1 2015
€ 8,66
923
€ 7.993,18
H2 2015
€ 8,70
923
€ 8.030,10
H1 2016
€ 8,80
923
€ 8.122,40
H2 2016
€ 8,87
923
€ 8.187,01
H1 2017
€ 8,96
923
€ 8.270,08
H2 2017
€ 9,04
923
€ 8.343,92
H1 2018
€ 9,11
923
€ 8.408,53
H2 2018
€ 9,20
923
€ 8.491,60
H1 2019
€ 9,33
1.196
€ 11.158,68
H2 2019
€ 9,44
1.196
€ 11.290,24
H1 2020
€ 9,54
1.196
€ 11.409,84
H2 2020
€ 9,70
1.196
€ 11.601,20
H1 2021
€ 9,72
1.196
€ 11.625,12
H2 2021
€ 9,82
1.196
€ 11.744,72
H1 2022
€ 9,96
1.196
€ 11.912,16
H2 2022
€ 10,14
1.196
€ 12.127,44
H1 2023
€ 11,16
1.15
€ 12.834,00
Totaal
26.409
€ 225.296,51
Tabel 5: Berekening onbetaald vakantiegeld [slachtoffer]
Periode
Onbetaald salaris
Vakantiegeld (8%)
H2 2010
€ 3.959,67
€ 316,77
H1 2011
€ 4.661,15
€ 372,89
H2 2011
€ 4.698,07
€ 375,85
H1 2012
€ 5.584,15
€ 446,73
H2 2012
€ 5.621,07
€ 449,69
H1 2013
€ 6.654,83
€ 532,39
H2 2013
€ 6.691,75
€ 535,34
H1 2014
€ 7.910,11
€ 632,81
H2 2014
€ 7.965,49
€ 637,24
H1 2015
€ 7.993,18
€ 639,45
H2 2015
€ 8.030,10
€ 642,41
H1 2016
€ 8.122,40
€ 649,79
H2 2016
€ 8.187,01
€ 654,96
H1 2017
€ 8.270,08
€ 661,61
H2 2017
€ 8.343,92
€ 667,51
H1 2018
€ 8.408,53
€ 672,68
H2 2018
€ 8.491,60
€ 679,33
H1 2019
€ 11.158,68
€ 892,69
H2 2019
€ 11.290,24
€ 903,22
H1 2020
€ 11.409,84
€ 912,79
H2 2020
€ 11.601,20
€ 928,10
H1 2021
€ 11.625,12
€ 930,01
H2 2021
€ 11.744,72
€ 939,58
H1 2022
€ 11.912,16
€ 952,97
H2 2022
€ 12.127,44
€ 970,20
H1 2023
€ 12.834,00
€ 1.026,72
Totaal
€ 225.296,51
€ 18.023,72
Tabel 6: Berekening niet genoten vakantie-uren [slachtoffer]
Periode
Minimum uurloon incl. 8% vakantiebijslag
Aantal opgebouwde vakantie-uren
Niet genoten vakantie-uren in €
H2 2010
€ 4,63
71
€ 328,96
H1 2011
€ 5,45
71
€ 387,23
H2 2011
€ 5,50
71
€ 390,30
H1 2012
€ 6,53
71
€ 463,91
H2 2012
€ 6,58
71
€ 466,98
H1 2013
€ 7,79
71
€ 552,86
H2 2013
€ 7,83
71
€ 555,93
H1 2014
€ 9,26
71
€ 657,15
H2 2014
€ 9,32
71
€ 661,75
H1 2015
€ 9,35
71
€ 664,05
H2 2015
€ 9,40
71
€ 667,12
H1 2016
€ 9,50
71
€ 674,78
H2 2016
€ 9,58
71
€ 680,15
H1 2017
€ 9,68
71
€ 687,05
H2 2017
€ 9,76
71
€ 693,19
H1 2018
€ 9,84
71
€ 698,55
H2 2018
€ 9,94
71
€ 705,46
H1 2019
€ 10,08
92
€ 927,03
H2 2019
€ 10,20
92
€ 937,96
H1 2020
€ 10,30
92
€ 947,89
H2 2020
€ 10,48
92
€ 963,79
H1 2021
€ 10,50
92
€ 965,78
H2 2021
€ 10,61
92
€ 975,72
H1 2022
€ 10,76
92
€ 989,63
H2 2022
€ 10,95
92
€ 1.007,51
H1 2023
€ 12,05
88
€ 1.060,65
Totaal
2031
€ 18.711,38
Opmerking tabel 6: in het rapport is het wettelijk aantal vakantiedagen per halfjaar vastgesteld op twee keer het aantal werkuren per week bij een 'regulier' fulltime dienstverband. De rechtbank heeft daarentegen bij de berekening met twee keer het aantal werkelijke werkuren per week gerekend omdat dat meer recht doet aan de feitelijke situatie.
Tabel 7: Overzicht werkgeverslasten
Sector Agrarisch (sectorcode 1)
2010 tm 2017 (%)
2018 (%)
2019 (%)
2020 (%)
2021 (%)
2022 (%)
2023 (%)
Premie AWf (laag)
2,85
3,6
2,94
0,34
2,7
2,64
Premie Aof (laag) / premie WAO/WIA
6,27
6,46
6,77
7,03
5,49
5,82
Opslag Wko / opslag kinderopvang
0,5
0,5
0,5
0,5
0,5
0,5
Premie Whk (Agrarisch bedrijf)
0,95
0,86
0,88
0,89
0,89
0,85
Premie sectorfonds (agrarisch lang) - tot 2020
0,66
0,58
Werkgeversheffing Zvw
6,9
6,95
6,7
7
6,75
6,68
Totaal (%)
15,76
18,13
18,95
17,79
15,76
16,33
16,49
Tabel 8: Berekening werkgeverslasten [slachtoffer]
Periode
Bruto loonkosten
Werkgeverslasten (%)
Werkgeverslasten (€)
H2 2010
€ 4.605,40
15,76
€ 725,81
H1 2011
€ 5.421,28
15,76
€ 854,39
H2 2011
€ 5.464,22
15,76
€ 861,16
H1 2012
€ 6.494,80
15,76
€ 1.023,58
H2 2012
€ 6.537,74
15,76
€ 1.030,35
H1 2013
€ 7.740,08
15,76
€ 1.219,84
H2 2013
€ 7.783,02
15,76
€ 1.226,60
H1 2014
€ 9.200,07
15,76
€ 1.449,93
H2 2014
€ 9.264,48
15,76
€ 1.460,08
H1 2015
€ 9.296,68
15,76
€ 1.465,16
H2 2015
€ 9.339,62
15,76
€ 1.471,92
H1 2016
€ 9.446,98
15,76
€ 1.488,84
H2 2016
€ 9.522,12
15,76
€ 1.500,69
H1 2017
€ 9.618,74
15,76
€ 1.515,91
H2 2017
€ 9.704,62
15,76
€ 1.529,45
H1 2018
€ 9.779,77
18,13
€ 1.773,07
H2 2018
€ 9.876,38
18,13
€ 1.790,59
H1 2019
€ 12.978,40
18,95
€ 2.459,41
H2 2019
€ 13.131,42
18,95
€ 2.488,40
H1 2020
€ 13.270,52
17,79
€ 2.360,83
H2 2020
€ 13.493,09
17,79
€ 2.400,42
H1 2021
€ 13.520,91
15,76
€ 2.130,90
H2 2021
€ 13.660,01
15,76
€ 2.152,82
H1 2022
€ 13.854,76
16,33
€ 2.262,48
H2 2022
€ 14.105,15
16,33
€ 2.303,37
H1 2023
€ 14.921,37
16,49
€ 2.460,53
Totaal
€ 262.031,61
€ 43.406,53
Tabel 9: Opbrengsten
Component
[slachtoffer]
Onbetaald salaris
€ 225.296,51
Onbetaald vakantiegeld (8%)
€ 18.023,72
Niet genoten vakantie-uren
€ 18.711,38
Subtotaal
€ 262.031,61
Werkgeverslasten
€ 43.406,53
Nabetaling werkgeverslasten aan Belastingdienst
-€ 8.701,00
Stallingskosten
-€ 46.800,00
Totaal
€ 249.937,14
4.5.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 249.937,14.

5.De vaststelling van de betalingsverplichting

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op hetzelfde bedrag als het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € 396.716,56.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft met betrekking tot de vaststelling van de betalingsverplichting aandacht gevraagd voor het bepaalde in artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
[slachtoffer] heeft het door veroordeelde niet betaalde loon dat deel uitmaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook gevorderd als schadevergoeding in de strafzaak. De rechtbank heeft in de strafzaak een bedrag van € 196.523,71 als schadevergoeding voor niet ontvangen nettoloon aan [slachtoffer] toegewezen. In artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht staat dat bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van een benadeelde als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voor zover die zijn voldaan, in mindering worden gebracht. Nu de in de strafzaak van veroordeelde aan [slachtoffer] in rechte toegekende vordering dan wel de daarmee samenhangende verplichting tot betaling aan de staat nog niet door veroordeelde is voldaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit bedrag in mindering te brengen op de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Indien veroordeelde de toegewezen vordering van [slachtoffer] voor niet ontvangen nettoloon heeft betaald, staat op grond van artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid open om een verzoek tot vermindering van de betalingsverplichting of teruggave van het reeds betaalde bedrag in te dienen. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat veroordeelde hetzelfde bedrag dubbel betaalt.
5.4.
Conclusie vaststelling betalingsverplichting
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 249.937,14.

6.Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 249.937,14.
  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 249.937,14 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
  • waarbij geldt dat indien een andere veroordeelde geheel of gedeeltelijk betaalt, de veroordeelde in zoverre van deze betalingsverplichting zal zijn bevrijd;
  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Bernsen, voorzitter,
mr. A.E. de Kryger en mr. M.J.C. van der Vegte, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.H.A. de Poot, griffier,
en is uitgesproken op 13 juli 2026.