ECLI:NL:RBOBR:2026:4885

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
01.005919.26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 14e SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en vernieling met voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 6 januari 2026 heeft verdachte in Gemert zijn vriendin met forse kracht de keel dichtgeknepen, waardoor haar ademhaling en bloedtoevoer werden belemmerd. Dit gebeurde in het bijzijn van minderjarige kinderen. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, maar sprak hem vrij van poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs van aanmerkelijke kans op overlijden.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor het vernielen van een hor van het slachtoffer, maar vrijgesproken van vernieling van een raam wegens gebrek aan bewijs. Verdachte had tijdens het plegen van de feiten een verleden van huiselijk geweld en liep een proeftijd.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 15 maanden op, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, deelname aan behandeling en alcoholverbod. De straf houdt rekening met de ernst van de feiten, het recidiverisico en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank wees het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af en verklaarde de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf gelast.

De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 13 juli 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaar voor poging tot zware mishandeling en vernieling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.005919.26
Parketnummer vordering: 10.173983.23
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
wonende te [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: P.I. [vestigingsplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 april 2026 en 29 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 februari 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 29 juni 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1 primair:
hij op of omstreeks 6 januari 2026 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer] ,
van het leven te beroven,
(met kracht) de keel en/of hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden, (aldus) gedurende enige tijd de ademhaling en/of bloedtoevoer van en/of naar de hersenen heeft belet en/of belemmerd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 6 januari 2026 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer] ,
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
(met kracht) de keel en/of hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden, (aldus) gedurende enige tijd de ademhaling en/of bloedtoevoer van en/of naar de hersenen heeft belet en/of belemmerd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 6 januari 2026 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel
[slachtoffer] ,
heeft mishandeld, door
- (met kracht) de keel en/of hals van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of
- die [slachtoffer] te slaan,

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

Ten aanzien van feit 2:
hij op of omstreeks 6 januari 2026 te Gemert, gemeente Gemert-Bakelopzettelijk en wederrechtelijkeen raam en/of hor, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 10.173983.23 is aangebracht bij vordering van 23 januari 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te Rotterdam van 29 april 2025.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair (poging tot doodslag [slachtoffer] ) en het onder feit 2 ten laste gelegde (vernieling van een raam).
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft vrijspraak van verdachte bepleit voor het onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair (poging tot zware mishandeling [slachtoffer] ) ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder feit 1 meer subsidiair (mishandeling [slachtoffer] ) ten laste gelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit voor vernieling van het raam en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft vernieling van de hor.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
Het oordeel van de rechtbank.
Feit 1 (poging doodslag, poging zware mishandeling, eenvoudige mishandeling).
Inleiding.
Verdachte, [slachtoffer] (hierna: aangeefster), de baby van verdachte en aangeefster, en de minderjarige kinderen uit de vorige relatie van aangeefster zaten in de nacht van 5 op 6 januari 2026 met elkaar in de woonkamer. Verdachte had gedronken, begon te schelden op aangeefster en heeft aangeefster bij haar keel gepakt.
Aangeefster verklaart in haar aangifte dat verdachte haar keel met zijn beide handen heeft dichtgeknepen, dat zij geen lucht meer kreeg en dat haar dochters hem van haar hebben moeten af trekken en dat zij later van haar dochter heeft gehoord dat verdachte bijna 20 seconden haar keel had dichtgeknepen. Verdachte verklaart dat hij haar keel niet heeft dichtgeknepen, maar dat hij haar keel ongeveer 2 à 3 seconden heeft vastgehouden. Hij heeft daarna zelf losgelaten. Hij weet niet of hij haar met 1 of 2 handen heeft gepakt.
De feitenvaststelling.
De rechtbank stelt op grond van de gebruikte bewijsmiddelen de volgende feiten vast.
De rechtbank gaat uit van de verklaring van aangeefster in de aangifte dat verdachte haar keel met beide handen heeft dichtgeknepen. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de berichten van de dochter van aangeefster die zij tijdens het gebeurde aan haar vader stuurde. Zij heeft die nacht aan haar vader gestuurd: “Papa bel de politie.” en daarna “hij stikt mama af”. Ook wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de bevindingen van de forensisch arts in de LOEF-rapportage, het forensisch medisch onderzoek naar het letsel van aangeefster. Het volgende letsel kon door de forensisch arts worden vastgesteld: onderhuidse bloeduitstortingen rechts en laag in het midden van de hals, krasletsels in de hals (links, rechts en laag in het midden) en de nek, roodheid onder het linkeroog en onderhuidse zwellingen bij de rechterwang en linksvoor in de hals. Het letsel (bloeduitstortingen, krasletsel en een onderhuidse zwelling) is volgens de forensisch arts waarschijnlijker onder de verklaring van aangeefster dan onder de verklaring van verdachte. De forensisch arts concludeert dat het vastgestelde letsel kan worden verklaard door een samendrukkende kracht op de hals.
De duur van het dichtknijpen van de keel is volgens de forensisch arts op basis van het forensisch medisch onderzoek naar het letsel niet vast te stellen. Aangeefster zegt in de aangifte dat zij geen benul van tijd had, maar dat haar dochter heeft gezegd dat het 20 seconden heeft geduurd. De rechtbank acht deze verklaring over de 20 seconden bruikbaar voor het bewijs, maar neemt deze exacte seconden niet als uitgangspunt omdat deze tijdswaarneming erg subjectief is. Wel is op basis daarvan en de overige bewijsmiddelen vast te stellen dat het dichtknijpen een aanmerkelijke tijd, in ieder geval langer dan de door verdachte gestelde 2 a 3 seconden, geduurd heeft. Uit de verklaring van aangeefster in de aangifte blijkt namelijk dat zij geen adem kreeg en zij heeft bij de forensisch arts verklaard dat zij zwart voor haar ogen werd en haar urine liet lopen. Dat het een aanmerkelijke tijd heeft geduurd wordt ook bevestigd door de verklaringen van aangeefster en een van de dochters zoals vastgelegd in de beschrijving van de bodycambeelden van de politie. Aangeefster zegt tegen de agent dat haar dochters hem eraf probeerden te trekken, waarna één van de dochters dit bevestigt. Aangeefster verklaart in haar aangifte daarover dat het haar dochters bijna niet lukte om verdachte van haar af te trekken, maar dat hij uiteindelijk achterover viel.
De rechtbank stelt over de intensiteit van het dichtknijpen van de keel het volgende vast. De forensisch arts komt tot de conclusie dat er forse kracht voor nodig is om de bij aangeefster geconstateerde letsels te veroorzaken. Ook heeft aangeefster bij de forensisch arts verteld dat zij nog steeds pijn heeft aan haar keel, slikken pijnlijk is en moeizaam en ze regelmatig moet keelschrapen en hoesten. De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte de keel van aangeefster met forse kracht heeft dichtgeknepen.
De kwalificatie.
De rechtbank moet beslissen of de handeling van verdachte poging tot doodslag, hetzij poging tot zware mishandeling, hetzij eenvoudige mishandeling oplevert.
Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het overlijden van het aangeefster, respectievelijk het toebrengen op zwaar lichamelijk letsel aan het aangeefster. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De forensisch arts heeft antwoord gegeven op de vraag wat de gevolgschade (de gevaarzetting) van de samendrukkende kracht (de verwurging) is geweest. Het antwoord is dat de gevaarzetting afhangt van de kracht, de duur en de frequentie van de verwurging. De duur van de uitoefening van de kracht(en) kan volgens de forensisch arts niet op basis van de vastgestelde letsels worden bepaald. Op basis van de vastgestelde letsels en subjectieve keelklachten kan de gevaarzetting van de handeling volgens de forensisch arts worden benaderd. Deze benadering resulteert in een categorie 2 van de Plattner-classificatie, een matige verwurging, mogelijk levensbedreigend. De Plattner-classificatie moet volgens de forensisch arts met voorzichtigheid worden benaderd.
De rechtbank ziet gelet op de feitenvaststelling, met name de omstandigheid dat de duur van de verwurging niet vast te stellen is, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster heeft aanvaard. De
LOEF-rapportage biedt ook onvoldoende basis om als ondersteunend bewijs voor de aanmerkelijke kans op de dood te dienen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Wel is de rechtbank van oordeel dat er een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het met forse kracht dichtdrukken van de keel kan ook in een relatief kortere tijd zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de keel een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, waarin zich onder andere de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader bevinden. Het met kracht dichtdrukken van de keel kan leiden tot een (tijdelijke) belemmering van de bloedtoevoer (bloedverwurging), met naar algemene ervaringsregels ernstige risico’s. Ook kan het dichtknijpen van de keel gedurende slechts enkele seconden leiden tot een zuurstofgebrek (luchtverwurging), wat weer direct kan leiden tot een gebrek aan zuurstof in de hersenen en daarmee tot hersenletsel.
Het handelen van de verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dit letsel bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarmee het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2 (vernieling)
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen de tenlastegelegde vernieling wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de vernieling van het raam. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging bevat het dossier en verhandelde ter terechtzitting onvoldoende bewijs, zodat de verdachte van de vernieling van het raam wordt vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1:
(subsidiair)
omstreeks 6 januari 2026 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten
[slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met kracht de keel en/of hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden, aldus gedurende enige tijd de ademhaling en bloedtoevoer van en naar de hersenen heeft belet en belemmerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 2:
op 6 januari 2026 te Gemert, gemeente Gemert-Bakelopzettelijk en wederrechtelijk een hor, die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Voors heeft zij verzocht de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het is voor verdachte belangrijk dat hij abstinent blijft van alcohol. Verzocht is aan verdachte een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel in combinatie met een werkstraf. Verzocht wordt aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft, in het bijzijn van vijf minderjarige kinderen, zijn partner met twee handen bij de keel gegrepen en haar keel enige tijd dichtgeknepen. Aan deze ‘niet fatale strangulatie’ is een einde gekomen omdat de oudste twee dochters van het slachtoffer verdachte van haar af hebben getrokken. Verdachte heeft door zijn handelen een vergaande inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Zowel het slachtoffer als haar kinderen moeten zeer beangstigende momenten hebben beleefd. De rechtbank neemt het verdachte daarnaast zeer kwalijk dat hij slechts minimaal verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. Hij wijst vooral naar de ex-partner van het slachtoffer die de veroorzaker van de problemen tussen hem en het slachtoffer zou zijn. De rechtbank rekent verdachte deze houding zwaar aan.
Verdachte heeft verder bij zijn vlucht voor de politie een hor in een raam van het slachtoffer vernield.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Uit het strafblad van verdachte van 4 mei 2026 komt naar voren dat hij eerder met justitie in aanraking is gekomen en in 2025 is veroordeeld voor huiselijk geweld. Verdachte liep tijdens het plegen van de onderhavige feiten in een proeftijd en had twee weken gevangenisstraf boven zijn hoofd hangen. Van deze voorwaardelijk opgelegde straf is de tenuitvoerlegging gevorderd.
In het adviesrapport van de reclassering van 3 juni 2026 staat beschreven dat er volgens hen sprake is van een beginnend delict- en gedragspatroon wat betreft geweldsdelicten. Partnerrelatie, alcoholgebruik, gebrekkige zelfbeheersing, emotieregulatieproblematiek en de houding van verdachte worden door de reclassering aangemerkt als delictgerelateerde factoren. Het recidiverisico wordt – anders dan door de rechtbank – ingeschat als laag-gemiddeld. Bij een veroordeling wordt geadviseerd aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij De Rooyse Wissel en een alcoholverbod. Er zijn geen (zwaarwegende) contra-indicaties die aan de oplegging van een gevangenisstraf in de weg staan.
De rechtbank schat het recidiverisico in als hoog. De rechtbank ziet aanwijzingen voor ‘intieme terreur’. De gedragingen van verdachte staan niet op zichzelf. Uit het dossier blijkt van een patroon van agressie van verdachte jegens het slachtoffer. De rechtbank acht het dan ook zeer zorgelijk dat verdachte en slachtoffer hebben verklaard met elkaar verder te gaan.
Strafoplegging.
Gelet op de ernst van feit 1 subsidiair is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andersoortige straf dan een gevangenisstraf. Omdat de rechtbank ten aanzien van feit 1 uitgaat van een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan gevorderd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, zoals door de verdediging bepleit, doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Het verzoek van de raadsvrouw tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte bij einduitspraak wordt dan ook afgewezen.
Gelet op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 7 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. De tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf. De rechtbank zal de na te noemen voorwaarden opleggen, zoals geadviseerd door de reclassering.
Dadelijke uitvoerbaarheid.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.
Gelet op de ernst van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde, de houding van verdachte en de aanwijzingen die de rechtbank heeft voor steeds verdergaande geweldsfeiten jegens zijn partner(s), is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank gekomen tot het bepalen van een proeftijd van 3 jaar.

Beslag.

Het op de op de beslaglijst genoemde in beslag genomen geldbedrag van 1.015,- euro is (in eerste instantie) conservatoir in beslag genomen. De rechtbank kan en zal daarop daarom geen beslissing nemen. Het staat het Openbaar Ministerie vrij het geldbedrag terug te geven aan verdachte, voor zover deze wordt aangemerkt als rechthebbende.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 10.173983.23.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 45, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Bewezenverklaring.
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Kwalificatie en strafbaarheid.
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende misdrijven oplevert:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
poging tot zware mishandeling
Ten aanzien van feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Strafoplegging.
- veroordeelt verdachte tot:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2:
 een
gevangenisstrafvoor de duur van
15 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht waarvan
7 maanden voorwaardelijken een
proeftijd van 3 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
- dat veroordeelde deelneemt aan een behandeling bij de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
- dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, zolang de reclassering een alcoholverbod noodzakelijk vindt. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. Mocht dit gedurende de proeftijd noodzakelijk blijken, dan werkt veroordeelde mee aan een ambulante behandeling voor alcoholproblematiek.
De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
- geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
- beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 29 april 2025, gewezen onder parketnummer 10-173983-23, te weten:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 weken.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.M. Rinzema, voorzitter,
mr. H.M. Hettinga en mr. E.M.J. Raeijmaekers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,
en is uitgesproken op 13 juli 2026.