ECLI:NL:RBOBR:2026:4887

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
01.241275.23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging in caféomgeving

Op 27 mei 2023 vond in Asten een geweldsincident plaats nabij een café waarbij verdachte samen met medeverdachten meerdere personen heeft aangevallen. Verdachte sloeg een slachtoffer bewusteloos met een harde vuistslag tegen het hoofd, wat leidde tot zwaar lichamelijk letsel zoals gebroken tanden en littekens.

De rechtbank oordeelde dat verdachte voorwaardelijke opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en veroordeelde hem voor poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging. De medeverdachten werden veroordeeld voor openlijke geweldpleging, maar niet voor poging tot zware mishandeling.

De rechtbank legde een taakstraf van 220 uur op, te vervangen door 110 dagen hechtenis, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd verdachte hoofdelijk veroordeeld tot betaling van materiële en immateriële schadevergoedingen aan meerdere slachtoffers, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident.

De rechtbank benadrukte de ernst van het geweld en de impact op de slachtoffers en de samenleving, maar hield ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het ontbreken van eerdere soortgelijke veroordelingen en de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 220 uur, te vervangen door 110 dagen hechtenis, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.241275.23
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 mei 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1 primair:
hij op of omstreeks 27 mei 2023 te Asten
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal
- vast te hebben gepakt en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te hebben geslagen en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te hebben geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 27 mei 2023 te Astenopenlijk, te weten in/ter hoogte van [café], [adres] te Asten, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniginggeweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1]door die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal- vast te pakken en/of- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en/of- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen,terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weteneen of meer afgebroken en/of loszittende tanden en/of een of meer hechtingen bij de wenkbrauw en/of neus, voor slachtoffer ten gevolge heeft gehad;
Ten aanzien van feit 2:
hij op of omstreeks 27 mei 2023 te Asten
openlijk, te weten, in/ter hoogte van [café], [adres] te Asten, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]
door voornoemde personen meerdere malen, althans eenmaal
- vast te pakken en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair (het medeplegen van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] ) en feit 2 (openlijke geweldpleging tegen personen).
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 in zowel de primaire als de subsidiaire variant (openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] met letsel tot gevolg) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 2 heeft zij verzocht verdachte vrij te spreken van openlijke geweldpleging tegen aangevers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] omdat verdachte geen aandeel heeft gehad in het geweld jegens hen van significante en wezenlijke aard. Ten aanzien van de aangever [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
Het oordeel van de rechtbank.
Overwegingen ten aanzien van feit 1.
Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling.
Het geweldsincident.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de terechtzitting en in raadkamer de camerabeelden van het geweldsincident, kort gezegd de beveiligingsbeelden van het terras van [café] en de beveiligingsbeelden van [restaurant], meerdere keren bekeken. De rechtbank neemt de door haar waargenomen beelden tot uitgangspunt bij de beoordeling van het geweldsincident. In dit verband is mede van belang dat verdachte zijn herkenning op de beelden heeft bevestigd.
Op de beelden van het terras is te zien dat medeverdachte [medeverdachte 1] met aangever [slachtoffer 1] in gevecht raakt. Op een gegeven moment mengt medeverdachte [medeverdachte 2] zich in het gevecht. Daarna is te zien dat verdachte aangever [slachtoffer 1] van achteren benaderd. Aangever [slachtoffer 1] is op dat moment in confrontatie met medeverdachte [medeverdachte 1] . Vervolgens is te zien dat verdachte met zijn linkerarm naar achteren strekt en in een vloeiende beweging en met kracht een harde vuistslag met zijn linkerhand tegen het hoofd van aangever uitdeelt die daarop volledig verstijfd voorover gestrekt neergaat met de voorzijde van zijn hoofd/gezicht tegen de grond.
Opzet op zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte dat doel heeft beoogd. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake.
Dat ligt evenwel anders voor het aannemen van voorwaardelijke opzet. Hiervan is sprake indien verdachte bij zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat
aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregel aanmerkelijk is te achten. Hieronder moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Bij de beantwoording van de vervolgvraag of de aanmerkelijke kans ook bewust is aanvaard, spelen de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht eveneens een rol. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm als zozeer gericht op een bepaald gevolg zijn dat het – behoudens contra-indicaties voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.
Verdachte heeft aangever [slachtoffer 1] een harde vuistslag tegen het hoofd gegeven. Verder is van belang dat aangever [slachtoffer 1] de door verdachte uitgedeelde vuistslag – zoals gezegd – niet zag aankomen en hij deze klap tegen zijn hoofd totaal onverwacht incasseerde met als gevolg een val met het hoofd tegen de grond. Onder deze omstandigheden bestond naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans dat aangever [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Uit de gedecideerde en doelgerichte wijze waarop verdachte de vuistslag heeft uitgedeeld leidt de rechtbank voorts af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging zware mishandeling, zoals primair tenlastegelegd.
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte de poging zware mishandeling in vereniging heeft gepleegd. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Hoewel alle drie de verdachten geweld hebben gepleegd tegen aangever [slachtoffer 1] , kan, anders dan bij verdachte, niet worden vastgesteld dat de medeverdachten ook voorwaardelijk opzet hadden op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [slachtoffer 1] en het feit in nauwe en bewuste samenwerking met verdachte hebben gepleegd.. Het dossier biedt daarvoor te weinig aanknopingspunten. De rechtbank heeft de handelingen van de medeverdachten wel gekwalificeerd als openlijke geweldpleging. De rechtbank houdt de medeverdachten echter niet verantwoordelijk voor het door verdachte op aangever [slachtoffer 1] uitgeoefende geweld, voor zover dit geweld ziet op de vuistslag waardoor aangever bewusteloos werd geslagen.
Het letsel van aangever [slachtoffer 1] .
Aangever [slachtoffer 1] heeft als gevolg van het geweld lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit onder andere twee gebroken voortanden en een snee in zijn gezicht. De rechtbank acht aannemelijk dat dit letsel is veroorzaakt door de vuistslag van verdachte tegen het hoofd van aangever [slachtoffer 1] en de daarop volgende val met zijn hoofd op de grond. Aangever zag de vuistslag niet aankomen en heeft deze vuistslag tegen het hoofd dus volkomen onverwacht geïncasseerd. Gezien de armbeweging van verdachte en de manier waarop aangever [slachtoffer 1] na de klap op de grond valt (geheel verstijfd met zijn gezicht plat op de grond), is de conclusie gerechtvaardigd dat de vuistslag met dusdanig veel kracht is uitgedeeld dat aangever [slachtoffer 1] knock-out en dus in bewusteloze toestand met zijn hoofd op de grond terecht is gekomen, met lichamelijk letsel tot gevolg. De rechtbank is van ook van oordeel dat verdachte degene is die dit letsel heeft toegebracht.
Overwegingen ten aanzien van feit 2.
Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor de openlijke geweldpleging tegen aangevers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] . Voldoende is dat bewezen kan worden dat verdachte opzet heeft gehad op het in vereniging plegen van openlijk geweld en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Daarbij is niet van belang welke specifieke geweldshandelingen verdachte zelf heeft verricht. Verdachten zijn met zijn drieën de in de tenlastelegging genoemde personen te lijf gegaan en hielpen elkaar waar nodig. De rechtbank houdt de verdachten over en weer verantwoordelijk voor elkaars gedragingen in deze context nu de aard en de ernst daarvan niet uiteenloopt. Verdachte is daarmee dus ook verantwoordelijk voor de geweldshandelingen die in dit kader door de medeverdachten zijn verricht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
(primair)
op 27 mei 2023 te Asten
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
die [slachtoffer 1]
- tegen het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 2:
op 27 mei 2023 te Asten
openlijk, te weten, in/ter hoogte van [café], [adres],
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]
door voornoemde personen
- vast te pakken en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 te veroordelen tot:
- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar onder de algemene voorwaarden en
- een werkstraf voor de duur van 220 uur, te vervangen door 110 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan hem geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen. De feiten hebben meer dan drie jaar geleden plaatsgevonden en verdachte heeft in de afgelopen jaren geen soortgelijke feiten meer gepleegd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en zoals door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich op 27 mei 2023 samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging in (de buurt van) een café. Ook wordt hij verantwoordelijk gehouden voor een poging tot zware mishandeling van één van de aangevers. Aanleiding voor het geweld was dat verdachte en zijn medeverdachten een café uit werden gezet omdat zij vrouwen lastig vielen en er met drankjes zou zijn gegooid. Nadat de medeverdachten de beveiliger tegen de grond hadden gewerkt, brak er een gevecht uit waarbij ook verdachte rake klappen en trappen uitdeelde.
Verdachte heeft een van de cafébezoekers (slachtoffer [slachtoffer 1] ) bewusteloos tegen de grond geslagen, met alle gevolgen van dien. Terwijl dit slachtoffer roerloos op de grond lag, hebben verdachte en de medeverdachten alsnog flink op hem ingetrapt en -geslagen. Dat een geringe aanleiding heeft geleid tot deze geweldsexplosie, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Alle cafébezoekers die de beveiliger wilden helpen, moesten het bekopen met buitensporig geweld dat op hen werd uitgeoefend. Gelet op de aard en intensiteit van het geweld had het voor alle slachtoffers veel ernstiger kunnen aflopen. Deze vorm van openlijke geweldpleging draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De gebeurtenissen hebben de bezoekers van het café geschokt en een diepe indruk achtergelaten, zo blijkt uit de op de zitting voorgehouden getuigenverklaringen en voorgelezen slachtofferverklaringen.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 juni 2026 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten. Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Uit het advies van de reclassering van 22 juni 2026 volgt dat de reclassering aanwijzingen ziet voor agressie- en impulscontroleproblemen in combinatie met alcoholgebruik. Dit wordt door verdachte gebagatelliseerd en de reclassering verwacht dan ook dat een reclasseringstoezicht of het inzetten van interventies onvoldoende meerwaarde zal hebben omdat verdachte geen problemen ervaart en niet openstaat voor hulp of begeleiding. Bij een veroordeling wordt geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Voor de oplegging van een taakstraf worden geen contra-indicaties gezien.
Strafoplegging.
Bij het bepalen van de op te leggen straf zal de rechtbank als uitgangspunt nemen de LOVS- oriëntatiepunten voor ‘openlijke geweldpleging, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend’, te weten een taakstraf van 150 uur. De aard en ernst van het geweld en de hoeveelheid slachtoffers weegt de rechtbank mee als een (fors) strafverzwarende omstandigheid.
De rechtbank constateert echter ook dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM Pro (van twee jaar), is overschreden met bijna tien maanden (uitgaande van de dag van inverzekeringstelling op 21 september 2023 als aanvangsdatum en 20 juli 2026 als datum eindvonnis), welke overschrijding niet aan de verdediging te wijten is.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte rekening met deze overschrijding van de redelijke termijn.
Hoewel de ernst van de feiten de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel rechtvaardigt ziet de rechtbank in het tijdverloop en de overschrijding van de redelijke termijn zoals voornoemd aanleiding hiervan af te zien.
De rechtbank acht, alles afwegende, passend en geboden de oplegging van een taakstraf van 220 uur subsidiair 110 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Hiermee wil de rechtbank enerzijds de ernst van de bewezen verklaarde feiten benadrukken en anderzijds verdachte de mogelijkheid bieden de door hem geschetste positieve lijn in zijn leven voort te zetten.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De rechtbank heeft overwogen differentiatie aan te brengen in de op te leggen straffen gezien de veroordeling van verdachte voor het onder feit 1 primair ten laste gelegde en de veroordeling van zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde. Echter, iedere verdachte heeft zijn eigen rol vervuld. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft het vuurtje aangewakkerd, medeverdachte [medeverdachte 2] heeft zich als een ware vechtmachine gepresenteerd en verdachte heeft – na aanvankelijk te hebben gepoogd de boel in de hand te houden – het geweld laten escaleren en iemand met één klap knock-out geslagen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend strekkende tot vergoeding van
€ 1.815,36 aan materieel geleden schade (posten: ‘tandheelkundige kosten’ € 1.430,36 en ‘eigen risico zorgverzekering ambulancevervoer’ € 385,-) en € 5.750,- aan immaterieel geleden schade.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd en voor toewijzing vatbaar.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht de immaterieel geleden schade dat ziet op het verlies of beschadiging van twee voortanden te matigen. Ook heeft zij verzocht de vordering ten aanzien van het secundaire letsel, te weten de littekens, te matigen.
Beoordeling.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit waar de vordering op is gebaseerd heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. eImmers, verdachte heeft de finale klap uitgedeeld waardoor de benadeelde partij aanzienlijk letsel heeft opgelopen. Verdachte kan voor het overgrote deel verantwoordelijk worden gehouden voor het toebrengen daarvan. De benadeelde partij ondervindt nog steeds de gevolgen van dit letsel. Naast afgebroken tanden, heeft verdachte twee ontsierende littekens in zijn gezicht. Omdat alle verdachten geweld hebben uitgeoefend op de benadeelde partij, kan in de onderlinge verhouding door de verdachten zelf worden bepaald wie voor welk deel aansprakelijk is.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het
feit werd gepleegd, te weten 27 mei 2023.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend strekkende tot vergoeding van € 350,- aan immaterieel geleden schade.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij duidelijk onderbouwd en het gevorderde bedrag redelijk.
Het standpunt van de verdediging.
Gelet op de bepleite vrijspraak voor het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op de benadeelde partij, heeft de raadsvrouw primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht het bedrag te matigen, aangezien het hier gaat om gering letsel en in de rechtspraak doorgaans voor een blauw oog niet meer dan € 200,-/€250,- aan schadevergoeding wordt toegekend.
Beoordeling.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit waar de vordering op is gebaseerd heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. e
De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 350,- voor een blauw oog en bijkomende pijn aan de bilspier en hamstring ten gevolge van de val redelijk.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het
feit werd gepleegd, te weten 27 mei 2023.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend en deze voorzien van een onderbouwing waarom hij schade heeft geleden. Echter, hij heeft het te bepalen bedrag aan vergoeding van (immaterieel geleden) schade aan het Openbaar Ministerie/de rechtbank overgelaten en geen bedragen ingevuld.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht de schade naar billijkheid vast te stellen en acht
€ 2.500,- een passend bedrag.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Primair omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op de benadeelde partij en subsidiair omdat de vordering niet is onderbouwd en er geen bedragen zijn ingevuld.
Beoordeling.
De rechtbank begrijpt de vordering ten aanzien van de immateriële schade zo dat aan de rechtbank wordt gevraagd om de omvang van deze schadepost te schatten. Dat verzoek acht de rechtbank toewijsbaar. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, en gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, zal de rechtbank de geleden immateriële schade daarom naar billijkheid vaststellen op een bedrag van 1.000,-.
De rechtbank begroot de schade op dit bedrag gelet op het lichamelijk letsel, blijkend uit het dossier.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het
feit werd gepleegd, te weten 27 mei 2023.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover hij een hoger bedrag aan vergoeding van immaterieel geleden schade had beoogd.
De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn medeverdachten samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelden [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schades worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 60a, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Bewezenverklaring.
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Kwalificatie en strafbaarheid.
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende misdrijven oplevert:
Ten aanzien van feit 1 primair:
poging tot zware mishandeling
Ten aanzien van feit 2:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Strafoplegging.
- veroordeelt verdachte tot:
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2:
 een
taakstrafvoor de duur van
220 urensubsidiair
110 dagen hechtenismet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Ten aanzien van feit 1 primair:
- legt aan de verdachte hoofdelijk op:
 de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van
7.565,36 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 1.815,36 euro materiële schade en 5.750,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 7.565,36 euro, bestaande uit 1.815,36 euro materiële schade en 5.750,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn medeverdachten is betaald.;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn medeverdachten aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Benadeelde partij [slachtoffer 5] .
Ten aanzien van feit 2:
- legt aan de verdachte hoofdelijk op:
 de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van
[slachtoffer 5], van een bedrag van
350,00 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 5] , van een bedrag van 350,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn medeverdachten is betaald.
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn medeverdachten aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Benadeelde partij [slachtoffer 2] .
Ten aanzien van feit 2:
- legt aan de verdachte hoofdelijk op:
de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van
1.000,00 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 1.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn medeverdachten is betaald.
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn medeverdachten aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.M. Hettinga, voorzitter,
mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,
en is uitgesproken op 13 juli 2026.