ECLI:NL:RBOBR:2026:4889

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
01.113978.24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling openlijke geweldpleging met taakstraf en schadevergoeding

Op 27 mei 2023 pleegde verdachte samen met medeverdachten openlijke geweldpleging in de omgeving van een café te Asten. De aanleiding was het uitzetten van verdachte en zijn medeverdachten vanwege hinderlijk gedrag. Verdachte en medeverdachten vielen meerdere slachtoffers aan, waarbij ernstig letsel werd toegebracht.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot zware mishandeling, omdat onvoldoende bewijs was voor bewuste samenwerking gericht op zwaar lichamelijk letsel. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meerdere slachtoffers, waarbij hij een wezenlijke bijdrage leverde.

De rechtbank legde een taakstraf van 220 uur op, te vervangen door 110 dagen hechtenis, rekening houdend met de ernst van het geweld en de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte werd hoofdelijk veroordeeld tot betaling van materiële en immateriële schadevergoedingen aan drie slachtoffers, met wettelijke rente vanaf de datum van het feit. De vorderingen werden deels toegewezen, waarbij de rechtbank ook de hoofdelijkheid van aansprakelijkheid tussen verdachte en medeverdachten benadrukte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 220 uur en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.113978.24
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 mei 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1 primair:
hij op of omstreeks 27 mei 2023 te Asten
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal
- vast te hebben gepakt en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te hebben geslagen en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te hebben geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 27 mei 2023 te Asten
openlijk, te weten in/ter hoogte van [café], [adres], in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1]
door die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal
- vast te pakken en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen,
terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten
een of meer afgebroken en/of loszittende tanden en/of een of meer hechtingen bij de wenkbrauw en/of neus, voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;
Ten aanzien van feit 2:
hij op of omstreeks 27 mei 2023 te Asten
openlijk, te weten, in/ter hoogte van [café], [adres], in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]
door voornoemde personen meerdere malen, althans eenmaal
- vast te pakken en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair (het medeplegen van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] ) en feit 2 (openlijke geweldpleging tegen personen).
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft namens verdachte vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair (openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] met letsel tot gevolg) en het onder feit 2 ten laste gelegde heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door de medeverdachten gepleegde geweld.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
Het oordeel van de rechtbank.
Overwegingen ten aanzien van feit 1.
Vrijspraak (medeplegen) poging tot zware mishandeling.
De rechtbank stelt vast dat aangever en verdachte in gevecht raakten. Op een gegeven moment heeft medeverdachte [medeverdachte 2] zich in het gevecht gemengd.
Toen medeverdachte [medeverdachte 1] zag dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] met aangever in gevecht waren, heeft hij aangever van achteren benaderd en tegen de grond geslagen door met kracht met een gebalde vuist uit te halen richting het hoofd van aangever. Aangever viel door deze klap volledig verstijfd gestrekt voorover, met zijn hoofd/gezicht op de bestrating. Alle drie de verdachten hebben vervolgens trappende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam en het hoofd van aangever, waarbij verdachte hem in ieder geval op zijn rug heeft geraakt. Terwijl aangever roerloos op de grond bleef liggen, zijn verdachten gezamenlijk blijven intrappen en inslaan op aangever.
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden onvoldoende blijkt dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, gericht op de zware mishandeling van aangever. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het geweld dat door verdachte is toegepast naar aard en ernst afwijkt van het geweld dat door verdachte [medeverdachte 1] is gebruikt (een vuistslag met kracht tegen het hoofd waardoor aangever bewusteloos werd geslagen). Het door verdachte gepleegde geweld kan in zijn algemeenheid niet zonder meer worden aangemerkt als (voorwaardelijk) gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever.
Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat er bij verdachte sprake was van (al dan niet voorwaardelijk) opzet op zware mishandeling van aangever.
Het voorgaande brengt met zich mee dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde (medeplegen van) poging tot zware mishandeling van aangever.
Bewezenverklaring openlijke geweldpleging.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen over het aandeel van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen aangever. Verdachte heeft een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het subsidiair ten laste gelegde. Wel zal verdachte partieel worden vrijgesproken van de strafverzwarende grond ‘lichamelijk letsel ten gevolge hebbend’ omdat onvoldoende is gebleken dat het letsel van aangever het gevolg is van zijn handelen.
Overwegingen ten aanzien van feit 2.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet van belang is welke geweldshandelingen verdachte zelf heeft verricht. Voldoende is dat bewezen kan worden dat verdachte opzet heeft gehad op het in vereniging plegen van openlijk geweld en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Verdachte en zijn medeverdachten zijn met zijn drieën de in de tenlastelegging genoemde personen te lijf gegaan en hielpen elkaar waar nodig. De rechtbank houdt de verdachten over en weer verantwoordelijk voor elkaars gedragingen in deze context nu de aard en de ernst daarvan niet uiteenloopt. Verdachte is daarmee dus ook verantwoordelijk voor de geweldshandelingen die in dit verband door de medeverdachten zijn verricht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1:
(subsidiair)
op 27 mei 2023 te Asten
openlijk, te weten ter hoogte van [café], [adres],
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1]
door die [slachtoffer 1]
- vast te pakken en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen;
Ten aanzien van feit 2:
op 27 mei 2023 te Asten
openlijk, te weten, in/ter hoogte van [café], [adres],
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]
door voornoemde personen
- vast te pakken en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en/of
- tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam te schoppen.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 te veroordelen tot:
- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar onder de algemene voorwaarden en
- een werkstraf voor de duur van 220 uur, te vervangen door 110 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten voor openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel en te volstaan met een taakstraf van 150 uur, al dan niet met een voorwaardelijk deel als stok achter de deur.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en zoals door verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht..
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich op 27 mei 2023 samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in (de buurt van) een café. Aanleiding voor het geweld was dat verdachte en zijn medeverdachten het café uit werden gezet omdat zij vrouwen lastigvielen en er met drankjes zou zijn gegooid. Verdachte ging, toen medeverdachte [medeverdachte 2] door de beveiliger naar buiten werd begeleid, verhaal halen en ging de confrontatie aan met de beveiliger (slachtoffer [slachtoffer 2] ). De beveiliger werd vervolgens tegen de grond geslagen en getrapt door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] , waarna er een gevecht uitbrak en ook medeverdachte [medeverdachte 1] rake klappen en trappen uitdeelde.
Nadat één van de cafébezoekers (slachtoffer [slachtoffer 1] ) door een medeverdachte tegen de grond was geslagen en roerloos op de grond lag, hebben verdachte en zijn medeverdachten vervolgens flink op hem ingetrapt en -geslagen.
Dat een geringe aanleiding heeft geleid tot deze geweldsexplosie, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Alle cafébezoekers die de beveiliger wilden helpen, moesten het bekopen met buitensporig geweld dat op hen werd uitgeoefend. Gelet op de aard en intensiteit van het geweld had het voor alle slachtoffers veel ernstiger kunnen aflopen. Deze vorm van openlijke geweldpleging draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De gebeurtenissen hebben de bezoekers van het café geschokt en een diepe indruk achtergelaten, zo blijkt uit de op de zitting voorgehouden getuigenverklaringen en voorgelezen slachtofferverklaringen.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 mei 2026 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten. Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Uit het advies van de reclassering van 15 juni 2026 volgt dat de reclassering geen aanknopingspunten ziet voor het inzetten van reclasseringsinterventies of -toezicht. Een training gericht op geweld in combinatie met alcoholgebruik is overwogen, maar lijkt – gelet op het tijdsverloop – niet meer passend. Bij een veroordeling wordt geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Voor de oplegging van een taakstraf worden geen contra-indicaties gezien.
Strafoplegging.
Bij het bepalen van de op te leggen straf zal de rechtbank als uitgangspunt nemen de LOVS- oriëntatiepunten voor ‘openlijke geweldpleging, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend’, te weten een taakstraf van 150 uur. De aard en ernst van het geweld en de hoeveelheid slachtoffers weegt de rechtbank mee als een (fors) strafverzwarende omstandigheid.
De rechtbank constateert echter ook dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM Pro (van twee jaar), is overschreden met bijna tien maanden (uitgaande van de dag van inverzekeringstelling op 25 september 2023 als aanvangsdatum en 20 juli 2026 als datum eindvonnis), welke overschrijding niet aan de verdediging te wijten is.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte rekening met deze overschrijding van de redelijke termijn.
Hoewel de ernst van de feiten de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel rechtvaardigt ziet de rechtbank in het tijdverloop en de overschrijding van de redelijke termijn zoals voornoemd aanleiding hiervan af te zien.
De rechtbank acht, alles afwegende, passend en geboden de oplegging van een taakstraf van 220 uur subsidiair 110 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Hiermee wil de rechtbank enerzijds de ernst van de bewezen verklaarde feiten benadrukken en anderzijds verdachte de mogelijkheid bieden de door hem geschetste positieve lijn in zijn leven voort te zetten.
De rechtbank zal aldus een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder feit 1 primair ten laste gelegde en zij van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De rechtbank heeft overwogen differentiatie aan te brengen in de op te leggen straffen gezien de veroordeling van medeverdachte [medeverdachte 1] voor het onder feit 1 primair ten laste gelegde en de veroordeling van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] voor het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde. Echter, iedere verdachte heeft zijn eigen rol vervuld. Verdachte heeft het vuurtje aangewakkerd, medeverdachte [medeverdachte 2] heeft zich als een ware vechtmachine gepresenteerd en medeverdachte [medeverdachte 1] heeft – na aanvankelijk te hebben gepoogd de boel in de hand te houden – het geweld laten escaleren en iemand met één klap knock-out geslagen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend strekkende tot vergoeding van
€ 1.815,36 aan materieel geleden schade (posten: ‘tandheelkundige kosten’ € 1.430,36 en ‘eigen risico zorgverzekering ambulancevervoer’ € 385,-) en € 5.750,- aan immaterieel geleden schade.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd en voor toewijzing vatbaar.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering omdat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de schade.
Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding moet worden gematigd.
Beoordeling.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit waar de vordering op is gebaseerd heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. eImmers, voorafgaand aan de finale klap die door de medeverdachte van verdachte is uitgedeeld (verdachte [medeverdachte 1] ), is verdachte in gevecht geraakt met de benadeelde partij. Ook nadat de benadeelde partij weerloos op de grond lag, heeft verdachte de benadeelde partij geschopt en bijgedragen aan het toegebrachte letsel.
De rechtbank houdt iedere hierbij betrokken verdachte afzonderlijk verantwoordelijk voor de schade: allemaal hebben zij geweld uitgeoefend op de benadeelde partij. In de onderlinge verhouding kan door de verdachten zelf worden bepaald wie voor welk deel aansprakelijk is.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het
feit werd gepleegd, te weten 27 mei 2023.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend strekkende tot vergoeding van € 350,- aan immaterieel geleden schade.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij duidelijk onderbouwd en het gevorderde bedrag redelijk.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering omdat de door verdachte gepleegde geweldshandelingen niet in direct causaal verband staan tot het letsel van de benadeelde partij.
Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, dan wel dat het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding moet worden gematigd, mocht de rechtbank gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid.
Beoordeling.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit waar de vordering op is gebaseerd heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. e
De rechtbank acht het gevorderde bedrag voor een blauw oog en bijkomende pijn aan de bilspier en hamstring ten gevolge van de val redelijk.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het
feit werd gepleegd, te weten 27 mei 2023.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend en deze voorzien van een onderbouwing waarom hij schade heeft geleden. Echter, hij heeft het te bepalen bedrag aan vergoeding van (immaterieel geleden) schade aan het Openbaar Ministerie/de rechtbank overgelaten en geen bedragen ingevuld.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht de schade naar billijkheid vast te stellen en acht
€ 2.500,- een passend bedrag.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering omdat de geleden schade niet op waarde is gewaardeerd.
Beoordeling.
De rechtbank begrijpt de vordering ten aanzien van de immateriële schade zo dat aan de rechtbank wordt gevraagd om de omvang van deze schadepost te schatten. Dat verzoek acht de rechtbank toewijsbaar. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, en gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, zal de rechtbank de geleden immateriële schade daarom naar billijkheid vaststellen op een bedrag van 1.000,-.
De rechtbank begroot de schade op dit bedrag gelet op het lichamelijk letsel, blijkend uit het dossier.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het
feit werd gepleegd, te weten 27 mei 2023.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover hij een hoger bedrag aan vergoeding van immaterieel geleden schade had beoogd.
De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn medeverdachten samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelden [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schades worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 36f, 57, 60a en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Bewezenverklaring.
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Kwalificatie en strafbaarheid.
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende misdrijven oplevert:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Ten aanzien van feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Strafoplegging.
- veroordeelt verdachte tot:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2:
 een
taakstrafvoor de duur van
220 urensubsidiair
110 dagen hechtenismet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
- legt aan de verdachte hoofdelijk op:
 de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van
7.565,36 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 1.815,36 euro materiële schade en 5.750,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 7.565,36 euro, bestaande uit 1.815,36 euro materiële schade en 5.750,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn medeverdachten is betaald;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn medeverdachten aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Benadeelde partij [slachtoffer 5] .
Ten aanzien van feit 2:
- legt aan de verdachte hoofdelijk op:
 de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van
[slachtoffer 5], van een bedrag van
350,00 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 5] , van een bedrag van 350,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn medeverdachten is betaald;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn medeverdachten aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Benadeelde partij [slachtoffer 2] .
Ten aanzien van feit 2:
- legt aan de verdachte hoofdelijk op:
de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van
1.000,00 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 1.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn medeverdachten is betaald;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn medeverdachten aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.M. Hettinga, voorzitter,
mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,
en is uitgesproken op 13 juli 2026.